Regeling Ambtenarenrechtspraak 1951 (RAr 1951) Uitspraakdatum: 30 augustus 2018 Zaaknummer: RvBAz CUR2015H00003 RAAD VAN BEROEP IN AMBTENARENZAKEN Zittingsplaats Curaçao Uitspraak op het hoger beroep van: [Naam], wonend in Curaçao, appellante, gemachtigde: mr. E. Kleist, advocaat, tegen de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken, zittingsplaats Curaçao, van 7 januari 2015, in zaak nr. GAZ 2014/69180, in het geding tussen: appellante, en de Regering van Curaçao, geïntimeerde, gemachtigde mr. J.G. Ricardo, werkzaam bij het Land. Procesverloop Bij brief van 25 juli 2011 heeft appellante verzocht haar naar aanleiding van haar afstuderen als jurist te benoemen in een functie op academisch niveau bij het Ministerie van Gezondheid, Milieu en Natuur (GM&N). Bij besluit van 6 juni 2014 heeft geïntimeerde de afwijzing van het verzoek door de Minister van GM&N bekrachtigd. Bij de aangevallen uitspraak heeft het Gerecht het door appellante daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Tegen de aangevallen uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld. Geïntimeerde heeft een contra-memorie ingediend. De Raad heeft de zaak ter zitting behandeld op 16 mei 2018, waar appellante, bijgestaan door haar gemachtigde, en geïntimeerde, vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, zijn verschenen. Overwegingen Het Gerecht heeft overwogen dat het afronden van een academische opleiding geen verplichting met zich brengt om de betrokken ambtenaar te benoemen in een hogere functie, ook niet indien geconcludeerd zou kunnen worden dat de betrokken ambtenaar op een hoger niveau is gaan functioneren. Voorts is het niet onredelijk dat geïntimeerde als voorwaarde voor benoeming in een hogere functie heeft gesteld dat er een vacature moet zijn. Appellante heeft haar verzoek beperkt tot een functie binnen het Ministerie van Gezondheid, Natuur en Milieu en zij heeft niet betwist dat in de periode van de datum van haar afstuderen op 13 mei 2011 tot haar pensionering in september 2012 geen vacatures waren voor de functie van jurist bij dat Ministerie. Ook uit het schrijven van de directeur van HR-OO-IT van 6 februari 2012 blijkt niet van vacatures in een hogere functie. Dat mogelijk twee andere juristen na 10 oktober 2010 in dienst zijn getreden is niet onderbouwd. Ook is niet onderbouwd dat zich met het geval van appellante gelijke gevallen hebben voorgedaan zodat het beroep op het gelijkheidsbeginsel faalt. Voorts is onvoldoende gebleken dat in het businessplan van het Ministerie vacatures voor beleidsmedewerker op academisch niveau waren opgenomen waarin appellante had kunnen worden benoemd. Voor zover op haar verzoek om haar per 29 september 2009 te benoemen in een vacature geweigerd is te beslissen, heeft appellante daartegen geen rechtsmiddelen ingesteld en heeft zij daar in berust. Uit een memo van 10 juli 2012 alsmede uit brieven van 27 juni en 24 juli 2013 van de toenmalige Inspecteur Generaal van de Inspectie voor de Volksgezondheid kan niet worden afgeleid dat appellante er op mocht vertrouwen dat zij na haar afstuderen zou worden belast met een functie op academisch niveau in schaal 12 of
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.