Regeling Ambtenarenrechtspraak 1951 (RAr 1951) Uitspraakdatum: 29 januari 2019 Zaaknummer: RvBAz CUR2016H00081 RAAD VAN BEROEP IN AMBTENARENZAKEN Zittingsplaats Curaçao Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend in Curaçao, appellant, gemachtigde: mr. S.I. da Costa Gomez, advocaat, tegen de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken, zittingsplaats Curaçao, van 29 juli 2016, in zaak nr. GAZ 2015/76728, in het geding tussen: appellant, en de Regering van Curaçao, geïntimeerde, gemachtigde mr. W.R. Flocker, advocaat. Procesverloop Bij brief van 1 december 2015 heeft appellant bezwaar ingediend bij het Gerecht tegen de weigering van geïntimeerde een beschikking te nemen over zijn verzoek van 3 september 2015 om hem zijn salaris als directeur van de [school] over de laatste vier maanden van het schooljaar 2012-2013 (april t/m juli 2013) alsnog uit te betalen (het verzoek). Bij de aangevallen uitspraak heeft het Gerecht het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Tegen de aangevallen uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld. Geïntimeerde heeft een contramemorie ingediend. De Raad heeft de zaak ter zitting behandeld op 6 september 2018, waar appellant, bijgestaan door zijn gemachtigde is verschenen. Voor verweerder was daar zijn gemachtigde aanwezig, vergezeld door C.M. de Witt Hamer, werkzaam bij het Ministerie van OWCS. Overwegingen
- De Raad stelt voorop dat hier de Regering, als het op grond van de Landsverordening materieel ambtenarenrecht (de Lma) bevoegde gezag over de ambtenaren, als geïntimeerde is aangemerkt.
- Op grond van artikel 41, tweede lid, van de RAr 1951 wordt een orgaan geacht de weigering tot het nemen van een beschikking of het verrichten van een handeling te hebben uitgesproken, indien het binnen de daarvoor bepaalde tijd of, waar een tijdsbepaling ontbreekt, binnen een redelijke tijd een verplichte beschikking niet genomen of een verplichte handeling niet verricht heeft. In dit geval loopt de termijn van dertig dagen van de dag, waarop de weigering geacht wordt te zijn uitgesproken.
- De Raad is van oordeel dat het Gerecht bij de aangevallen uitspraak, onder verwijzing naar bestendige jurisprudentie van de Raad, het bezwaar van appellant terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat dit prematuur was ingediend. 3.1 Anders dan appellant meent, was er hier geen tijdsbepaling als bedoeld in artikel 41, tweede lid, van de RAr 1951, waarbinnen geïntimeerde diende te beslissen op het verzoek, zodat het Gerecht de jurisprudentie van de Raad over de invulling van de ook in die bepaling vermelde redelijke tijd terecht toepasselijk heeft geacht. De bedoelde tijdsbepaling ziet, naar appellant miskent, op een beslistermijn die geldt op grond van een algemeen verbindend voorschrift, en niet op een door betrokkene zelf in een verzoek aan het betrokken bestuursorgaan gestelde beslistermijn. 3.2 De eerst in hoger beroep door appellant betrokken stelling dat hij al eerder overeenkomstige verzoeken had gedaan, zodat het verzoek niet prematuur was, kan hem niet baten, omdat zijn bezwaar uitdrukkelijk was gericht tegen de weigering te beslissen op het verzoek. Vanaf de datum van ontvangst daarvan had verweerder in ieder geval vier maanden de tijd om daarop te beslissen.
- Ter zitting heeft geïntimeerde toegezegd dat, nu nog steeds niet is beslist op het verzoek, hij dit binnen twee maanden na de datum van deze uitspraak alsnog zal doen.
- Het hoger beroep is ongegrond en de aangevallen uitspraak kan worden bevestigd. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De Raad bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus gegeven door mrs. D. Haan, voorzitter, en L.C. Hoefdraad en J. Sybesma, leden, en in het openbaar uitgesproken op 29 januari 2019 in tegenwoordigheid van de griffier. Verzonden: