RAAD VAN BEROEP IN AMBTENARENZAKEN VAN ARUBA Uitspraak op het hoger beroep van: [appellant], wonend in Aruba, appellant, gemachtigde: mr. J.M.R.F. Scheper, advocaat, tegen de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken van Aruba van 6 maart 2017, zaaknummer GAZA-1843/2016, in het geding tussen: appellant en DE GOUVERNEUR VAN ARUBA, geïntimeerde, gemachtigde: mr. C.L. Geerman en mr. A.F.J. Caster, directie Wetgeving en Juridische Zaken. Procesverloop Bij landsbesluit van 30 mei 2016 (Landsbesluit) heeft geïntimeerde aan appellant de disciplinaire straf opgelegd van inhouding van gedeeltelijke bezoldiging ter grootte van Afl. 1.500,
- Appellant heeft tegen het Landsbesluit bezwaar gemaakt. Bij de aangevallen uitspraak heeft het Gerecht het door appellant gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. Tegen de aangevallen uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld. Geïntimeerde heeft een contramemorie ingediend. De Raad heeft de zaak ter zitting behandeld op 24 augustus
- Namens appellant is zijn gemachtigde verschenen. Geïntimeerde heeft zich doen vertegenwoordigen door zijn gemachtigden. Overwegingen 1.
- Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden. 1.
- Appellant was op 2 juni 2016, de eerste dag van zijn tot 8 juli 2016 durende vakantie, korte tijd op kantoor. Terwijl hij daar was, kreeg hij van een medewerker van het Bureau Interne Diensten (BID) een stuk aangeboden. Het betrof een aan appellant gericht stuk dat appellant voor ontvangst moest tekenen. Appellant heeft geweigerd dat te doen. De BIDmedewerker heeft aangetekend dat appellant op het werk was maar mededeelde dat hij pas nadat hij van vakantie terug is gekomen, zal tekenen. 1.
- Na terugkeer van vakantie heeft appellant het stuk in ontvangst genomen. Het bleek het Landsbesluit te zijn. 1.
- Appellant heeft op 3 augustus 2016 een bezwaarschrift ingediend tegen het Landsbesluit.
- Bij de aangevallen uitspraak is het door appellant tegen het Landsbesluit gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard. 2.
- Het Gerecht heeft daartoe overwogen dat appellant op 2 juli 2016 redelijkerwijs heeft kunnen kennisnemen van het Landsbesluit, zoals bedoeld in het derde lid van artikel 41 van de Landsverordening ambtenarenrechtspraak. Daaraan doet niet af dat appellant heeft geweigerd op die dag te tekenen voor de ontvangst van dat stuk.
- Appellant kan zich met die uitspraak niet verenigen. 3.
- Appellant heeft herhaald dat hij op 2 juni al met vakantie was en dat hij, hoewel nog even op kantoor, geen verplichting had tot het verrichten van werkzaamheden die dag.
- Geïntimeerde is van opvatting dat het Gerecht tot een juiste beslissing is gekomen. Hij heeft erop gewezen dat appellant zelf heeft gesteld dat er op 2 juni 2016 een stuk was binnengekomen waarvoor hij moest tekenen. Naar de opvatting van geïntimeerde had appellant het document dat BID aan hem wilde bezorgen, in ontvangst moeten nemen om de inhoud en belangrijkheid daarvan vast te kunnen stellen teneinde te beslissen of hij het document ter verdere afhandeling aan iemand anders kon, althans moest overdragen.
- De Raad volgt het Gerecht en kan zich vinden in hetgeen geïntimeerde daarover verder naar voren heeft gebracht. Nu appellant op zijn werk door een BID-medewerker een stuk aangeboden kreeg voor de ontvangst waarvan hij moest tekenen, behoorde het tot de plicht van appellant, gezien ook zijn ambtelijke functie van hoofd Interne Controle, om met dat stuk correct om te gaan. Indien het een voor de dienst bestemd document was, had hij dat ter afhandeling kunnen overdragen aan een daarvoor in aanmerking komende collega; indien het een voor hem persoonlijk bestemd stuk was, had hij naar bevind van zaken kunnen handelen. Bovendien is niet zonder betekenis dat appellant wist dat er een procedure liep in welk verband hij zich al verantwoord had.
- De slotsom is dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
- De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling tot vergoeding van proceskosten. Beslissing De Raad van Beroep: Bevestigt de aangevallen uitspraak. Deze uitspraak is gewezen door mr. H.A.A.G. Vermeulen, voorzitter, en mrs. J. Sybesma en L.C. Hoefdraad, leden, en is in het openbaar uitgesproken op 8 september 2021.