Uitspraakdatum: 24 februari 2021 Zaaknummer: AUA2017H00087 RAAD VAN BEROEP IN AMBTENARENZAKEN ARUBA Uitspraak op het hoger beroep van: DE GOUVERNEUR VAN ARUBA, appellant, gemachtigde: mr. V.M. Emerencia, werkzaam bij de Dienst Wetgeving en Juridische Zaken, tegen de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken, zittingsplaats Aruba, van 3 juli 2017, zaaknummer GAZA 1337 van 2015, ECLI:NL:OGAACMB:2017:43, in het geding tussen: appellant en [geïntimeerde], geïntimeerde, gemachtigde: de advocaat mr. A.J. Swaen. Procesverloop Bij landsbesluit van 19 mei 2015 (landsbesluit) is geïntimeerde met ingang van 1 juli 2012 bevorderd naar de rang van senior-hoofdtechnicus (schaal 10), waarbij de datum van de eerstvolgende periodieke verhoging van bezoldiging is vastgesteld op 1 juli 2014. Daarmee werd een verzoek van geïntimeerde om een eerdere bevordering naar schaal 10, respectievelijk een daarop volgende bevordering naar schaal 11, afgewezen (afwijzing). Bij de aangevallen uitspraak heeft het Gerecht het door geïntimeerde gemaakte bezwaar tegen de afwijzing gegrond verklaard. Appellant is opgedragen opnieuw te beslissen op het bevorderingsverzoek en hij is veroordeeld tot vergoeding van proceskosten. Appellant heeft tegen de aangevallen uitspraak hoger beroep ingesteld. Geïntimeerde heeft een contramemorie ingediend. Naar aanleiding van een daartoe strekkend verzoek van de Raad hebben beide partijen erin toegestemd dat de Raad dit hoger beroep - in verband met de covid-19-omstandigheden - behandelt en afdoet zonder de zaak op een openbare zitting te behandelen. In verband daarmee hebben beide partijen gebruik gemaakt van de hun geboden gelegenheid een pleitnotitie (met bijlagen) in te dienen. Van de hun geboden gelegenheid op elkaars pleitnotities te reageren, hebben zij geen gebruik gemaakt. De Raad heeft de zaak mede op basis van de nadere stukkenwisseling beoordeeld. Overwegingen 1. Het Gerecht is uitgegaan van de volgende feiten en omstandigheden. 1.1. Geïntimeerde was werkzaam bij de Directie Telecommunicatiezaken en heeft op 28 maart 2011 het verzoek gedaan om naar schaal 10 te worden bevorderd met ingang van 1 april 1997 en naar schaal 11 met ingang van 1 september 2003. 1.2. Bij het landsbesluit is dit verzoek afgewezen. Overwogen is dat geïntimeerde sedert 1 april 1992 de rang van hoofdtechnicus 1ste klasse (schaal 9) bekleedt en dat hij met ingang van 1 september 2003 de functie van chef Inspectiezaken bekleedt, welke functie maximaal is gewaardeerd op het niveau van schaal 10 en hiërarchisch onder de afdeling Technische Zaken ressorteert; dat krachtens bestendig beleid tussen een ondergeschikte en zijn leidinggevende minimaal een schaal verschil dient te zijn en dat wegens interne verhoudingen geïntimeerde pas met ingang van 1 juli 2012 in aanmerking komt voor bevordering naar schaal 10. 2. Bij de aangevallen uitspraak is het bezwaar van geïntimeerde tegen de afwijzing gegrond verklaard. Daartoe is het volgende overwogen. 2.1. Nog daargelaten dat het beleid, volgens de bewoordingen ervan, slechts betrekking heeft op ‘diensthoofden’ en niet mede op alle leidinggevenden binnen de overheidsdienst, heeft het Gerecht het onredelijk geacht dit beleid aan een ambtenaar tegen te werpen in het geval dat het bevoegde gezag ervoor heeft gekozen om een persoon als leidinggevende aan te stellen terwijl deze lager is ingeschaald dan zijn ondergeschikten. Het is onaanvaardbaar dat deze ondergeschikten alsdan wat hun mogelijkheden voor bevordering betreft, volledig afhankelijk zijn van het carrièreverloop van die leidinggevende waar zij geen enkele invloed op hebben. 2.2. Het Gerecht is voorts van oordeel dat in het landsbesluit onvoldoende gemotiveerd is ingegaan op de stelling van geïntimeerde dat de door hem beklede functie wel degelijk op het niveau van schaal 11 moet worden gewaardeerd. In dit verband is van belang dat niet is gebleken dat met betrekking tot het voor de functie van klager opgemaakte functie-informatie-formulier (fif) een waardering heeft plaatsgevonden door het Departamento Recurso Humano. 3.1. Appellant stelt in zijn beroepschrift voorop dat bevordering een discretionaire bevoegdheid is, zodat de rechter terughoudend dient te toetsen. Appellant betoogt dat het Gerecht het bevorderingsbeleid onjuist heeft geïnterpreteerd. Onder diensthoofd moet ook begrepen worden een leidinggevende. Verder is gewezen op de uitspraak van de Raad van 20 februari 2013, RvBAz 20011/50622, waarin het beleid van schaalverschil in de interne verhoudingen niet onredelijk of anderszins rechtens onjuist is geacht. 3.2. Met betrekking tot de waardering van de door geïntimeerde beklede functie van hoofd van de afdeling Inspectiezaken heeft appellant bij beroepschrift een door het Departamento Recurso Humano opgemaakt functiewaarderingsrapport (van 24 november 2014) overgelegd, welk rapport gebaseerd is op een fif van 13 juli 2012, dat gelijk was aan een op 22 september 2009 opgemaakt fif. De maximale waardering van die functie is, aldus appellant, vastgesteld op schaal 10. 3.3. In zijn pleitnotitie herhaalt appellant zijn beroepsgronden en wijst hij erop dat geïntimeerde in zijn functie ressorteert onder het hoofd van de afdeling Technische Zaken. Pas nadat deze laatste per 1 juli 2012 een bevordering had gekregen naar schaal 11, kwam geïntimeerde in aanmerking voor bevordering naar schaal 10. 4.1. Geïntimeerde heeft bij contramemorie gesteld dat appellant de aangevallen uitspraak verkeerd leest waar het gaat om het bevorderingsbeleid en het daarin gebruikte begrip diensthoofd. Geïntimeerde heeft er verder op gewezen dat de (bezoldigings)verhoudingen op de datum waarop het bevorderingsverzoek betrekking heeft, 1 september 2003, anders was dan door appellant in aanmerking is genomen: er was toen een directeur het diensthoofd met wie het schaalverschil zeker meer dan een schaal was. 4.2. Het beroep dat appellant doet op de genoemde uitspraak van de Raad moet naar de opvatting van geïntimeerde worden verworpen. Hij stelt zich op het standpunt dat die uitspraak op een vergissing / misvatting berust. In ieder geval moet van die uitspraak worden teruggekomen. 4.3. Geïntimeerde heeft gedetailleerd aangegeven hoe het verloop is geweest van de plaats van zijn functie in de (ontwikkeling van
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.