Regeling Ambtenarenrechtspraak 1951 (RAr) Uitspraakdatum: 7 december 2022 Zaaknummer: SXM2021H00124 RAAD VAN BEROEP IN AMBTENARENZAKEN VAN SINT MAARTEN Uitspraak op het hoger beroep van: [Appellant] wonend in Curaçao, appellant, gemachtigde: A.V.E. Vilchez tegen de uitspraak van het Gerecht in Ambtenarenzaken van Sint Maarten (Gerecht) van 27 augustus 2021, SXM202100152 (aangevallen uitspraak), in het geding tussen: appellant, en de minister van Justitie geïntimeerde (hierna: minister), gemachtigde: mr. P.A.M. Brandon, advocaat Procesverloop Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak. De minister een contramemorie ingediend. De Raad heeft de zaak ter zitting op 24 november 2022 behandeld. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, per videoverbinding vanaf Curaçao, en F.A. Cuffy. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. L. Peterson, kantoorgenoot van verweerders gemachtigde. Overwegingen
- De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden. 1.
- Appellant was vanaf 1 mei 1996 werkzaam bij het Korps Politie Nederlandse Antillen (thans het Korps Politie Sint Maarten). Bij landsbesluit van 9 september 2015 is appellant per 5 november 2014 ontslagen omdat hij op grond van een misdrijf onherroepelijk is veroordeeld tot een vrijheidsstraf. 1.
- Op 2 januari 2020 is via het St Martin News Network een oproep gedaan aan niet-actieve ambtenaren om zich bij hun werkgever te melden. Naar aanleiding hiervan heeft appellant de minister bij brief van 4 januari 2020 verzocht om zijn werk te mogen hervatten. 1.
- In verband met het uitblijven van een reactie op zijn brief van 4 januari 2020 heeft appellant de minister bij brief van 7 januari 2021 gerappelleerd. Tevens heeft appellant op 7 januari 2021 per e-mail een pro-forma bezwaarschrift ingediend bij het Gerecht.
- Bij de aangevallen uitspraak heeft het Gerecht, voor zover van belang, het bezwaar gericht tegen de minister niet-ontvankelijk verklaard. Daartoe heeft het Gerecht, samengevat, het volgende overwogen. Volgens vaste rechtspraak van de Raad ontstaat, bij gebreke van een besluitvormingstermijn, een weigering om te beschikken na verloop van vier maanden tot een jaar na het indienen van het verzoek, afhankelijk van de ingewikkeldheid van het verzoek en de bekendheid van het bestuursorgaan met de desbetreffende materie. Geoordeeld wordt dat het een niet ingewikkeld verzoek betreft en dat verondersteld mag worden dat de minister bekend is met de materie. Door tot 7 januari 2021 te wachten alvorens een bezwaarschrift in te dienen bij het Gerecht, heeft appellant onredelijk lang gewacht met het maken van bezwaar. De redelijke termijn voor het indienen van een bezwaarschrift is ruimschoots verstreken.
- In hoger beroep heeft appellant zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daarbij heeft hij, samengevat, aangevoerd dat zijn verzoek van 4 januari 2020 op 8 januari 2020 is ingeboekt bij de minister en dat hij op 7 januari 2021 een pro-forma bezwaarschrift bij het Gerecht heeft ingediend. Dat is binnen een jaar en daarmee dus tijdig.
- De Raad komt tot de volgende beoordeling. 4.
- Op grond van artikel 41, eerste lid, van de RAr wordt het bezwaarschrift ingediend binnen 30 dagen na de dag waarop de aangevallen weigering is uitgesproken. Het tweede lid bepaalt vervolgens dat een bestuursorgaan wordt geacht de weigering tot het nemen van een beschikking te hebben uitgesproken, indien het binnen de daarvoor bepaalde tijd of, waar een tijdsbepaling ontbreekt, binnen een redelijke tijd een verplichte beschikking niet heeft genomen. In dit geval loopt de termijn van 30 dagen van de dag, waarop de weigering wordt geacht te zijn uitgesproken. 4.
- Uit 4.1 volgt dat bij verzoeken als het onderhavige, waarbij het bestuursorgaan niet is gebonden aan een wettelijke beslistermijn, voor de tijdigheid van het bezwaar tegen het uitblijven van een beslissing op het verzoek eerst moet worden vastgesteld wanneer de beslistermijn is verstreken. Pas dan is immers sprake van een fictieve weigering waartegen kan worden opgekomen. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is sprake van een redelijke tijd voor het nemen van een beslissing als die tijd ligt tussen vier maanden tot een jaar na het indienen van een verzoek, afhankelijk van de ingewikkeldheid van het verzoek en de bekendheid van het bestuursorgaan met de desbetreffende materie. Na vaststelling van de redelijke tijd voor de beslistermijn geldt de gebruikelijke bezwaartermijn van 30 dagen. 4.
- Anders dan appellant in zijn hoger beroep veronderstelt, is geen sprake van een bezwaartermijn van maximaal een jaar maar, gelet op 4.2, van 30 dagen in aansluiting op de in dit geval vast te stellen redelijke beslistermijn. Geoordeeld wordt dat in het geval van appellant, die heeft betoogd dat hij de minister heeft aangeschreven puur om zijn werk te mogen hervatten, geen sprake is van een ingewikkelde materie waarmee de minister onbekend was. Een beslistermijn van vier maanden acht de Raad in dit geval dan ook redelijk. Dat betekent dat appellant zijn bezwaarschrift uiterlijk 30 dagen na 4 mei 2020, te weten 3 juni 2020, had moeten indienen bij het Gerecht. Door zijn bezwaarschrift pas op 7 januari 2021 in te dienen was appellant daarmee dan ook te laat. 4.
- De slotsom is dat het Gerecht het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
- Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding. Beslissing De Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak. Aldus gegeven door mr. W.H. Bel, voorzitter, en mr. A.P. van der Pluijm-Vrede en mr. M.A. Evertsz, leden, en uitgesproken in het openbaar te Curaçao op 7 december 2022 in tegenwoordigheid van de griffier.