← Nederland

ECLI:NL:ORBANAA:2008:BK3799

Uitspraak: 21 oktober 2008 Zaaknr. RvBAz 2008/3 RAAD VAN BEROEP IN AMBTENARENZAKEN Uitspraak In de zaak van: DE GOUVERNEUR VAN ARUBA zetelend te Aruba oorspronkelijk verweerder, thans appellant, gemachtigde mr. J.L.M.C. Marsman, tegen: [ambtenaar]. wonend te Aruba, oorspronkelijk klager, thans geïntimeerde, gemachtigde mr. D.G. Kock.

  1. Ontstaan en loop van het geding 1.1 Bij een op 2 oktober 2007 bij het Gerecht in Ambtenarenzaken (het Gerecht) ingekomen bezwaarschrift heeft geïntimeerde bezwaar gemaakt tegen het niet nakomen van de uitspraak van het Gerecht van 2 april
  2. 1.2 Het Gerecht heeft het bezwaar gegrond verklaard bij uitspraak van 5 december
  3. 1.3 Hiertegen is door appellant beroep ingesteld bij beroepschrift ingekomen ter griffie van het Gerecht op 4 januari
  4. Geïntimeerde heeft een contra-memorie ingediend. 1.4 Het beroep is behandeld ter zitting van de Raad in Aruba van 8 september
  5. Appellant is verschenen bij gemachtigde. Geïntimeerde is verschenen in persoon, bijgestaan door zijn gemachtigde.
  6. Beoordeling. Bij de onder 1.
  7. genoemde uitspraak van 2 april 2007 heeft het Gerecht de bij het bezwaar aangevallen beschikking vernietigd en bepaald dat appellant binnen drie maanden een nieuwe beschikking dient te nemen waarbij een structurele beloning aan geïntimeerde zal moeten worden gegeven die vergelijkbaar is met een salarisverhoging van twee periodieken. Appellant heeft geen rechtsmiddelen aangewend tegen deze uitspraak. In het bezwaarschrift van 2 oktober 2007 klaagt geïntimeerde erover dat deze uitspraak niet is uitgevoerd. Ingevolge het eerste lid van artikel 96 van de Landsverordening ambtenarenrechtspraak is de ambtenaar bevoegd een bezwaarschrift in te dienen bij het Gerecht indien aan een door het Gerecht uitgesproken veroordeling, in zover zij niet op geld luidt, niet of niet volledig gevolg gegeven wordt. Ingevolge het derde lid van dit artikel, veroordeelt het Gerecht het betrokken lichaam tot vergoeding indien het bezwaar gegrond wordt bevonden. Het Gerecht stelt daarbij, met inachtneming van alle omstandigheden, het bedrag der schadevergoeding vast. Appellant klaagt er in de eerste plaats over dat het Gerecht niet de Gouverneur maar de Minister van Justitie als verwerend orgaan had moeten aanmerken. Nu de Gouverneur bij de uitspraak van 2 april 2007 is veroordeeld, heeft het Gerecht hem naar het oordeel van de Raad in de thans bestreden uitspraak terecht aangemerkt als verweerder. Appellant klaagt er verder over dat het Gerecht heeft miskend dat na het geven van de uitspraak van 2 april 2007 bij schrijven van 31 oktober 2007 alsnog een beschikking is gegeven. De Raad stelt vast dat in dat schrijven uitdrukkelijk is vermeld dat aan die uitspraak geen gevolg kan worden gegeven. Geïntimeerde heeft alleen al daarom nog steeds belang bij beoordeling van zijn op 2 oktober 2007 ingediende bezwaarschrift. Hetgeen door appellant voorts is aangevoerd heeft het karakter van beroepsgronden. Appellant heeft echter nagelaten beroep in te stellen tegen de uitspraak van 2 april 2007 zodat die formele rechtskracht heeft gekregen en niet meer in rechte aantastbaar is. Aan de in die uitspraak uitgesproken veroordeling dient derhalve gevolg te worden gegeven. Het Gerecht heeft in de bestreden uitspraak terecht vastgesteld dat dat niet is gebeurd en heeft geïntimeerde derhalve terecht de in die uitspraak genoemde schadevergoeding toegekend. Het beroep is daarom ongegrond. Hetgeen in de in die uitspraak opgenomen overweging ten overvloede is overwogen ondersteunt niet het daarin gegeven rechtsoordeel en behoeft daarom geen nadere bespreking.
  8. Beslissing De Raad van Beroep: - bevestigt de bestreden uitspraak. Aldus gegeven door mr. J.Th. Drop, voorzitter, mr. E.M.D. Angela en mr. L.J. de Kerpel-van de Poel, leden, en uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2008, in tegenwoordigheid van de griffier.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.