← Nederland

ECLI:NL:ORBBACM:2015:15

Beschikking d.d. 30 januari 2015, nr. 2012/55174 DE RAAD VAN BEROEP VOOR BELASTINGZAKEN zitting houdende in Curaçao, inzake: X N.V. te Curaçao, belanghebbende, gemachtigde mr. Y, tegen de Inspecteur der Belastingen. 1Het procesverloop 1.1 Aan belanghebbende is een aanslag winstbelasting opgelegd over het jaar

  1. 1.2 Belanghebbende is op 16 november 2010 in bezwaar gekomen tegen de aanslag. De Inspecteur heeft in de uitspraak op bezwaar van 28 februari 2012 de aanslag gehandhaafd. 1.3 Belanghebbende is op 25 april 2012 in beroep gekomen tegen deze uitspraak op bezwaar. 1.4 De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend. 1.5 Ter zitting van 11 november 2014 te Willemstad zijn verschenen de gemachtigde en namens de Inspecteur mr. A. 1.6 Belanghebbende heeft ter zitting een pleitnota overgelegd en voorgedragen. 2De tussen partijen vaststaande feiten 2.1 Het volgende is op grond van de schriftelijke stukken en hetgeen ter zitting is gezegd, komen vast te staan. Het is tussen partijen niet in geschil of door één van de partijen gesteld en door de andere partij niet of onvoldoende tegengesproken. 2.2 Belanghebbende bezit alle aandelen in en vormt een fiscale eenheid voor de winstbelasting met Bouwbedrijf Z N.V. (de dochter). Alle aandelen in belanghebbende worden gehouden door Z (de dga). 2.3 De activiteiten van de fiscale eenheid bestaan uit het beleggen van gelden en de exploitatie van een bouwonderneming. 2.4 De dga is lid van de Curaçaose Golf. Belanghebbende heeft in 2006 NAf 6.777 kosten die verband hielden met dat lidmaatschap – de kosten van het bedrijfslidmaatschap en kosten van verteer - ten laste van de winst gebracht. De inspecteur heeft de aftrek daarvan geweigerd. 3Geschil Tussen partijen is in geschil of de kosten voor de golf representatiekosten zijn en als zodanig voor 80% aftrekbaar zijn van de winst van belanghebbende (artikel 6, tweede lid, onderdeel k Landsverordening op de winstbelasting 1940, tekst 2006).
  2. De standpunten van partijen 4.1 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, alsmede op hetgeen zij ter zitting hebben bijgebracht. 4.2 Belanghebbende meent dat sprake is van kosten van representatie omdat belanghebbende zich om zakelijke redenen op de golfbaan begeeft waar enkele zakelijk netwerken tot stand zijn gekomen. Subsidiair stel belanghebbende dat het gelijkheidsbeginsel ertoe noopt de aftrek te accepteren omdat een groot aantal belastingplichtigen soortgelijke kosten al decennia van de belastingdienst als zakelijk mag aanmerken. 4.3 De inspecteur stelt dat het privé-element van de dga het zakelijke element van belanghebbende overheerst en dat sprake is van privé-uitgaven voor de dga. De inspecteur ontkent dat de belastingdienst het beleid zou hanteren om dergelijke kosten te accepteren. 5Beoordeling van het geschil 5.1 De Raad is van oordeel dat de beoefening van een sport en het lidmaatschap van een sportvereniging in het algemeen tot de privésfeer behoren. De Raad is van oordeel dat ook bij de onderhavige uitgaven voor de golfbeoefening het persoonlijke element zozeer overheerst, dat deze kosten niet kunnen worden aangemerkt als zakelijke kosten van belanghebbende maar dat de kosten zijn gemaakt voor de bevrediging van persoonlijke behoeften van de dga. De kosten zijn niet aftrekbaar. 5.2 Belanghebbende heeft zich ook beroepen op het gelijkheidsbeginsel en gesteld dat in andere, haar bekende gevallen wel aftrek van dit soort kosten is toegestaan. Belanghebbende heeft over die andere gevallen onvoldoende gegevens verstrekt om te kunnen beoordelen of sprake is van gelijke gevallen. De bewijslast dat sprake is van gelijke gevallen rust op belanghebbende en zij heeft daaraan niet voldaan. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel wordt afgewezen. 5.3 Uit het hiervoor overwogene volgt dat het beroep ongegrond is. 6Beslissing De Raad verklaart het beroep ongegrond Aldus gedaan in raadkamer door mrs. S. Verheijen, voorzitter, T. Groeneveld en A. Beukers-van Dooren, leden, in tegenwoordigheid van de secretaris mr. B. Jussen en uitgesproken in het openbaar op 30 januari 2015.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.