Beschikking van 26 februari 1999, nr. 1997-193 DE RAAD VAN BEROEP VOOR BELASTINGZAKEN zitting houdende in Aruba, inzake: belanghebbende tegen de Inspecteur der Belastingen
- Het procesverloop 1.
- Aan appellant is voor het jaar 1990 een aanslag in de inkomstenbelasting opgelegd met aanslagnummer X tot een bedrag van Af. 14.894,10 onder verrekening van Af. 7.689,-- aan ingehouden loonbelasting. 1.
- Bij beschikking d.d. 18 november 1997 op het door appellant ingediende bezwaarschrift heeft de Inspecteur de aanslag gehandhaafd. 1.
- Bij een op 19 november 1997 bij de Raad ingekomen beroepschrift is appellant van deze beschikking in beroep gekomen. 1.
- De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend. 1.
- Ter zitting van 20 november 1998 zijn verschenen appellant en de Inspecteur.
- De ontvankelijkheid van het beroep Appellant kan in zijn beroep worden ontvangen, nu het beroepschrift binnen de daarvoor geldende termijn is ingediend.
- De tussen partijen vaststaande feiten Op grond van de stukken van het geding en het ter zitting verhandelde is, als tussen partijen niet in geschil dan wel door één van hen gesteld en door de wederpartij niet of niet voldoende weersproken, het volgende komen vast te staan. 3.
- Appellant heeft in het onderhavige jaar inkomsten uit als machinist verrichte arbeid genoten en voorts pensioen ontvangen 3.
- De uitbetalende (ex)werkgever heeft telkens de over het uitbetaalde loon/pensioen verschuldigde loonbelasting afgedragen.
- Geschil Tussen partijen is in geschil of appellant aansprakelijk is voor de uit de opgelegde aanslag voortvloeiende inkomstenbelastingschuld.
- De standpunten van partijen Voor de standpunten van partijen wordt verwezen naar de gedingstukken.
- Beoordeling van het geschil 1.
- De door appellant bestreden inkomstenbelastingschuld vloeit voort uit de optelsom van de door hem genoten inkomsten uit arbeid als machinist en de door hem ontvangen pensioentermijnen. Deze optelsom is nodig om het door appellant in het jaar genoten zuivere inkomen vast te stellen. 1.
- De werkgevers die aan appellant respectievelijk het loon en het pensioen uitbetaalden hebben de daarover verschuldigde loonbelasting correct berekend en afgedragen. De voor de berekening van de inkomstenbelasting noodzakelijke optelling van de uitbetaalde bedragen leidt echter door de werking van het progressieve tarief tot een hogere inkomstenbelastingschuld dan de optelsom van de ingehouden bedragen aan loonbelasting. 1.
- Het verschil tussen de aldus berekende inkomstenbelasting en de ten behoeve van appellant ingehouden en afgedragen loonbelasting wordt thans terecht en tot het juiste bedrag van appellant gevorderd. 1.
- Indien appellant de van hem gevorderde inkomstenbelasting niet kan betalen kan hij de ontvanger verzoeken een betalingsregeling te treffen. Voor de Raad is terzake geen taak weggelegd. 1.
- Uit het vorenoverwogene vloeit voort dat de Inspecteur terecht betoogt dat appellant aansprakelijk is voor de inkomstenbelastingschuld die volgt uit de opgelegde aanslag.
- De beslissing De Raad verklaart het beroep ongegrond. mrs. A.W.M. Bijloos, voorzitter, J.K. Moltmaker en Th. Groeneveld, leden