← Nederland

ECLI:NL:ORBBNAA:2002:BU4325

Beschikking van 25 november 2002, nr. 2000/151 DE RAAD VAN BEROEP VOOR BELASTINGZAKEN zitting houdende in Bonaire, inzake: belanghebbende tegen de Inspecteur der Belastingen

  1. Feiten en procesverloop 1.
  2. Appellante, de in Nederland gevestigde X BV, is eigenaar van een op Bonaire gelegen perceel grond. Dit perceel is in 1994 gekocht en er is een woning op gebouwd. 1.
  3. Met dagtekening 29 april 1999 is aan appellante een nihilaanslag Winstbelasting 1998 opgelegd met een boete van NAƒ 500 wegens het niet (tijdig) doen van aangifte. Het tegen deze aanslag gerichte bezwaarschrift is door de Inspecteur ontvangen op 19 juli
  4. Op diezelfde datum heeft appellante haar voorlopige en haar definitieve aangifte over 1998 ingediend. Bij beschikking van 20 april 2000 heeft de Inspecteur uitspraak op bezwaar gedaan en daarbij het bezwaar niet-ontvankelijk verklaard wegens het te laat indienen van het bezwaarschrift. 1.
  5. Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief met dagtekening 23 mei 2000 beroep bij de Raad ingesteld. Het beroep is mondeling behandeld ter zitting van de Raad van 18 april 2002 gehouden op Bonaire. Beide partijen zijn verschenen.
  6. Geschil en standpunten van partijen 2.
  7. In geschil is in de eerste plaats of appellante al dan niet terecht door de Inspecteur niet-ontvankelijk is verklaard in haar bezwaar. Luidt het antwoord op deze vraag ontkennend, dan is verder in geschil of de boete al dan niet terecht is opgelegd. 2.
  8. Appellante stelt zich op het standpunt dat zij geen activiteiten op Bonaire heeft. De aangifte over 1998 is blijven liggen omdat de bestuurder van appellante tijdens zijn verblijf op Bonaire de aangifte wilde inleveren om zelf met de Inspecteur de aangifte door te kunnen nemen. 2.
  9. De Inspecteur is van mening dat appellante vanaf 1994 buitenlands belastingplichtige is op Bonaire. Op grond van de Belastingregeling voor het Koninkrijk zijn de opbrengsten van op Bonaire gelegen onroerend goed aldaar belast. Appellante had haar aangifte op grond van art. 18, lid 3, Landsverordening Winstbelasting (hierna: LWB) moeten indienen binnen de in art. 19 LWB gestelde termijn. Nu zij dit niet heeft gedaan is de boete volgens de Inspecteur terecht opgelegd.
  10. Overwegingen omtrent het geschil 3.
  11. Naar luid van art. 30, lid 1, LWB, bedraagt de bezwaartermijn twee maanden. De bezwaartermijn vangt aan op de dag na de dagtekening van het aanslagbiljet, in het onderhavige geval dus op 30 april
  12. De termijn eindigde derhalve op 29 juni
  13. Het bezwaarschrift van appellante is dus niet tijdig ingediend. De omstandigheid dat de directeur van appellante niet eerder op Bonaire aanwezig was dan in juli 1999, is niet een omstandigheid op grond waarvan gezegd kan worden dat appellante in redelijkheid niet in staat bleek te zijn binnen de wettelijke termijn van twee maanden een bezwaarschrift in te dienen (art. 30, lid 6, LWB). De Inspecteur heeft appellante daarom terecht niet-ontvankelijk verklaard in haar bezwaar. 3.
  14. Ten overvloede overweegt de Raad nog het volgende. Appellante heeft niet tijdig aangifte gedaan. Art. 22, lid 2, LWB bepaalt dat de Inspecteur in dat geval bij wijze van naheffing een boete kan opleggen. Op grond van art. 23, lid, 8, LWB bedraagt deze boete tenminste NAƒ
  15. De Inspecteur was derhalve gerechtigd de onderhavige boete op te leggen.
  16. Beslissing De Raad verklaart het beroep ongegrond. mrs. L. van Gijn, J.W. Ilsink en L.F. van Kalmthout

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.