Beschikking van 31 oktober 2002, nr. 1996-019 DE RAAD VAN BEROEP VOOR BELASTINGZAKEN zitting houdende in Bonaire, inzake: belanghebbende tegen de Inspecteur der Belastingen
- Loop van het geding 1.
- Van appellante is op 29 januari 1996 een beroepschrift ontvangen, ingediend door haar directeur, A. Het beroep is gericht tegen de beschikking van de Inspecteur op het bezwaarschrift van appellante betreffende de haar opgelegde aanslag in de winstbelasting voor het jaar
- De beschikking van de Inspecteur is gedagtekend 28 november
- 1.
- De aanslag is berekend naar een winst van Naƒ a,--. De aanslag is, na het daartegen door appellante gemaakt bezwaar, door de inspecteur gehandhaafd. 1.
- Het beroep strekt tot vernietiging van de beschikking op het bezwaarschrift, alsmede tot vernietiging van de aanslag. 1.
- De inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend, gedagtekend 22 juni
- Hij concludeert tot bevestiging van de beschikking op het bezwaarschrift. 1.
- Ter zitting van de Raad op 18 april 2002 zijn verschenen A, als directeur van appellante, zomede de Inspecteur.
- Vaststaande feiten 2.
- Als enerzijds gesteld en anderzijds niet, of niet voldoende weersproken, zijn de navolgende feiten tussen partijen komen vast te staan. 2.
- Appellante is gevestigd in Nederland. Zij is niet gevestigd binnen de Nederlandse Antillen en beschikt evenmin over een vaste inrichting op de Nederlandse Antillen. 2.
- Op 9 januari 1992 heeft appellante een op Bonaire gelegen perceel grond gekocht, groot b,-- m2, voor een bedrag van Naƒ c,--. Bij overeenkomst van 1 juli 1993 heeft appellante deze grond verkocht voor een bedrag van Naƒ d,--.
- Geschil Partijen houdt verdeeld het antwoord op de vraag of het met de grondtransactie behaalde resultaat op Bonaire aan de heffing van winstbelasting is onderworpen. Appellante beantwoordt deze vraag ontkennend, terwijl de Inspecteur de vraag bevestigend beantwoordt.
- Standpunten van partijen. Voor de standpunten van partijen verwijst de Raad naar de gedingstukken. Ter zitting hebben partijen daaraan geen grieven of weren toegevoegd.
- Overwegingen omtrent het geschil 5.
- Artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, van de Landsverordening op de Winstbelasting 1940 (hierna: LWB) luidt in de voor het onderhavige jaar geldende tekst: “
- Onder de naam van ‘winstbelasting’ wordt een belasting geheven: c. van de winst van niet binnen de Nederlandse Antillen gevestigde lichamen (met inbegrip van alle vennootschappen en verenigingen, waarbij het kapitaal geheel of gedeeltelijk in aandelen is verdeeld): uit bedrijven, die en voor zover zij door middel van een binnen de Nederlandse Antillen gevestigde vaste inrichting worden uitgeoefend, uit binnen de Nederlandse Antillen gelegen onroerende zaken zomede uit buiten bedrijf gebezigde schuldvorderingen, welke – wat de hoofdsom betreft – verzekerd zijn door hypotheek, op zodanige zaken gevestigd.” 5.
- Artikel 4 LWB luidt, voorzover hier van belang: “
- Onder winst wordt verstaan de som van de voordelen die onder welke naam en in welke vorm ook, zuiver worden verkregen uit bedrijf en uit buiten bedrijf gebezigd kapitaal.
- Tot deze voordelen worden mede gerekend het voordeel uit vervreemding van zaken, die niet voor verkoop bestemd waren, en in het algemeen, elk met zodanige zaken – al ware het na staking van het bedrijf – verkregen voordeel. (…).” 5.
- Artikel 1, eerste lid, aanhef en onder c, LWB stelt ten aanzien van niet binnen de Nederlandse Antillen gevestigde lichamen onder meer belastbaar de winst uit binnen de Nederlandse Antillen gelegen onroerende zaken. Het bepaalde in artikel 4, eerste en tweede lid, LWB noopt naar het oordeel van de Raad tot de gevolgtrekking dat de door appellante behaalde vervreemdingswinst op het in onderdeel 2.
- vermelde perceel grond tot de winst uit binnen de Nederlandse Antillen gelegen onroerende zaken moet worden gerekend, en derhalve op de Nederlandse Antillen belastbaar is. 5.
- De Belastingregeling voor het Koninkrijk verbiedt de Nederlandse Antillen niet de met de vervreemding van het perceel grond behaalde winst in de belastingheffing te betrekken; integendeel, artikel 4 van voornoemde Belastingregeling staat een belastingheffing door de Nederlandse Antillen als hier bedoeld uitdrukkelijk toe. 5.
- Anders dan appellante meent, is voor de belastingheffing door de Nederlandse Antillen niet van belang dat zij in het onderhavige jaar, naar zij stelt, overigens verlieslijdend was. 5.
- Het gelijk is derhalve aan de Inspecteur.
- Beslissing De Raad verklaart het beroep ongegrond. mrs. L. van Gijn als voorzitter en J.W. Ilsink en L.F. van Kalmthout als leden