Beschikking van 23 september 2004, nr. 2002/
- DE RAAD VAN BEROEP VOOR BELASTINGZAKEN zitting houdende in Aruba,
- Loop van het geding 1.
- Op 23 januari 2002 is namens appellant bij de Raad beroep ingesteld tegen de navorderingsaanslag inkomstenbelasting over het jaar 1996, door de Inspecteur opgelegd bij beschikking d.d. 5 november
- Verweerder heeft op 27 februari 2004 een vertoogschrift ingediend. 1.
- Het beroep is behandeld ter zitting van de Raad op 27 april
- Appellant heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. T. De Inspecteur is verschenen.
- Beoordeling 2.
- Tegen de navorderingsaanslag staat ingevolge artikel 51, eerste lid, van de Landsverordening inkomstenbelasting beroep op de Raad open binnen twee maanden na de dagtekening van de aanslag. Ingevolge die bepaling kon in casu uiterlijk 5 januari 2002 een beroepschrift bij de Raad worden ingediend. Het beroepschrift is eerst enige weken nadien ingediend en dus tardief. Het tweede artikellid bepaalt dat indien de belastingplichtige redelijkerwijs niet in staat kon worden geacht binnen de beroepstermijn een beroepschrift in te dienen, een nieuwe beroepstermijn van twee maanden begint te lopen vanaf de dag waarop de belastingplichtige redelijkerwijs wel in staat kon worden geacht een beroepschrift in te dienen. 2.
- Als reden voor de termijnoverschrijding heeft de gemachtigde van appellant aangevoerd dat appellant de Nederlandse taal niet goed machtig is en eerst op 4 januari 2002, nadat hij eerder van een andere gemachtigde gebruik had gemaakt die in december 2001 ten gevolge van een verkeersongeval in het ziekenhuis was opgenomen, zich tot hem T had gewend. Daarbij is aangevoerd dat appellant tijdens een bezoek aan de notaris had vernomen dat er op zijn naam nog belastingaanslagen openstonden. Door de gemachtigde is vervolgens bij brief van 4 januari 2002 aan de Inspecteur verzocht “de aanslagen, met inbegrip van de primitieve en navorderingsaanslag over het jaar 1996, uit te reiken daar deze hem nimmer hebben bereikt.”. Op 15 januari 2002, zo heeft de gemachtigde aangevoerd, heeft hij vervolgens kopie ontvangen van de navorderingsaanslag van 5 november
- 2.
- De Inspecteur heeft aangevoerd dat hij bij brief van 18 september 2001, gericht tot appellant, de navorderingsaanslag reeds had aangekondigd, zulks naar aanleiding van een onderzoek door de Belastingaccountantsdienst (BAD). Voorts is aangevoerd dat de navorderingsaanslag is verstuurd naar het adres van appellant zoals deze dat had opgegeven. 2.
- Desgevraagd heeft de gemachtigde van appellant ter zitting opgemerkt dat hij reeds op 13 december 2001 telefonisch op zijn voice-mail door appellant is benaderd en dat hij eerst op 4 januari 2002 met appellant over de opmerking van de notaris heeft gesproken. 2.
- De Raad ziet in de boven geschetste omstandigheden onvoldoende aanleiding voor de termijnoverschrijding verontschuldigbare redenen aanwezig te achten. In de vaststelling van het BAD-rapport, waarbij appellant heeft erkend dat er geen boekhouding van zijn winkel is bijgehouden, in de voornoemde brief van de Inspecteur van 18 september 2001, in de keuze – die tot appellants risico behoort - van de gemachtigde die kennelijk in december 2001 nog geen actie had ondernomen naar aanleiding van de navorderingsaanslag, alsmede in de opmerking van de notaris en de niet-tijdige actie van de nieuwe gemachtigde acht de Raad evenzovele omstandigheden gelegen op grond waarvan niet gezegd kan worden dat eiser redelijkerwijs niet in staat kon worden geacht binnen twee maanden na de dagtekening van de navorderingsaanslag een beroepschrift in te dienen. 2.
- Er is derhalve met de toezending van een kopie van de primaire beschikking op 15 januari 2002 geen nieuwe beroepstermijn gaan lopen. Beslist wordt daarom als volgt.
- Beslissing De Raad verklaart het beroep niet-ontvankelijk. mrs. L. van Gijn, C.W.M. van Ballegooijen en G.J. van Muijen
🔗 Naar officiële bron
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.