Beschikking d.d. 24 september 2010, nr. 2008/0524 DE RAAD VAN BEROEP VOOR BELASTINGZAKEN zitting houdende op Curaçao, inzake: [belanghebbende], tegen [de Inspecteur]. 1Het procesverloop 1.1 Aan belanghebbende zijn op 10 november 2006 de volgende aanslagen opgelegd:
- a)een aanslag inkomstenbelasting 2005 naar een belastbaar inkomen van Naf. 111.877 (aanslagnummer 01.05.7356);
- b)een aanslag premie AOV/AWW 2005 naar een premie inkomen van Naf. 111.877 (aanslagnummer 05.05.4872);
- c)een aanslag premie AVBZ 2005 naar een premie inkomen van Naf. 111.877 (aanslagnummer 09.05.3130). 1.2 Belanghebbende is op 10 november 2006 tijdig in bezwaar gekomen tegen de in 1.1 genoemde aanslagen. Bij uitspraken van 24 oktober 2008 heeft de Inspecteur de aanslagen gehandhaafd. 1.3 Belanghebbende is op 19 december 2008 tijdig tegen deze uitspraken in beroep gekomen. 1.4 De Inspecteur heeft een vertoogschrift ingediend. 1.5 Ter zitting van 14 april 2010 te Willemstad zijn verschenen belanghebbende en, namens de Inspecteur, [A]. 1.6 Belanghebbende heeft een pleitnota ingebracht. 2De tussen partijen vaststaande feiten Het volgende is op grond van de schriftelijke stukken en hetgeen ter zitting is gezegd, komen vast te staan. Het is tussen partijen niet in geschil of door een van de partijen gesteld en door de andere partij niet of onvoldoende tegengesproken. 2.1 Belanghebbende heeft in het jaar 2005 haar voltijds studerende broer met een bedrag van Naf. 12.000 ondersteund in zijn levensonderhoud. De aftrek van dit bedrag is op grond van artikel 16A, lid 2, onderdeel c, van de Landsverordening op de inkomstenbelasting 1943 (hierna: de LIB 1943) gelimiteerd tot Naf. 2.500. 2.2 In het jaar 2005 heeft belanghebbende voor een bedrag van Naf. 1.590 aan ziektekosten uitgegeven. 2.3 Belanghebbende heeft een aangifte inkomstenbelasting 2005 ingediend naar een belastbaar inkomen van Naf 102.024. Daarbij heeft zij een bedrag aan buitengewone lasten geclaimd van Naf. 4.090 (Naf. 2.500 + Naf. 1.590). De Inspecteur heeft bij de aanslagregeling onder meer de geclaimde buitengewone lasten niet geaccepteerd en het belastbaar inkomen vastgesteld op Naf. 111.877. 3Geschil Tussen partijen is in geschil het antwoord op de vraag of de Inspecteur de door belanghebbende geclaimde buitengewone lasten terecht niet in aftrek heeft toegestaan. Het geschil spitst zich toe op de vraag of de drempel als bedoeld in artikel 16A, lid 4, van de LIB 1943 - naast de drempel van artikel 16A, lid 2, onderdeel c, van de LIB 1943 - toegepast dient te worden bij het bepalen van de hoogte van de aftrek voor uitgaven tot voorziening in het noodzakelijke levensonderhoud van naaste verwanten. 4De standpunten van partijen 4.1 Belanghebbende stelt zich op het standpunt dat de limiet tot Naf. 2.500 voor het in aftrek brengen van kosten voor levensonderhoud per ondersteund familielid als bedoeld in artikel 16A, lid 1, onderdeel c, van de LIB 1943 moet worden gezien als een absolute limiet. Het op grond van artikel 16A, lid 2, onderdeel c, van de LIB 1943 gelimiteerde bedrag hoeft dan niet (verder) te worden verminderd met de in artikel 16A, lid 4, van de LIB 1943 genoemde drempel. Subsidiair stelt belanghebbende zich op het standpunt dat het gelijkheidsbeginsel en het draagkrachtbeginsel zijn geschonden. 4.2 De Inspecteur is van mening dat de twee drempels na elkaar moeten worden toegepast en dat in het geval van belanghebbende na toepassing van de drempel van artikel 16A, lid 4, van de LIB 1943 een aftrekbaar bedrag aan buitengewone lasten van nihil resteert. 4.3 Partijen doen hun standpunten steunen op de gronden welke daartoe door hen zijn aangevoerd in de van hen afkomstige stukken, alsmede op hetgeen zij ter zitting hebben bijgebracht. 5Beoordeling van het geschil 5.1 Artikel 16A, lid 1, aanhef en onderdeel c, van de LIB 1943 bepaalt: "Buitengewone lasten zijn de op de belastingplichtige drukkende uitgaven: Tot voorziening in het noodzakelijke levensonderhoud van (...) bloed- en aanverwanten (...) in de tweede graad van de zijlinie, voor zover die personen niet bij machte zijn zelf inkomsten ter voorziening in hun levensonderhoud te verwerven." Artikel 16A, lid 2, aanhef en onderdeel c, van de LIB 1943 bepaalt: "De gezamenlijke uitgaven voor zover verband houdend met een hierna te noemen post wordt in aanmerking genomen met inachtneming van de daarbij gegeven normering: De in het eerste lid, onderdeel c, bedoelde uitgaven: ten hoogste f. 2.500 per ondersteunde met dien verstande dat het totaal in aanmerking te nemen bedrag niet meer beloopt dan 10°/0 van het inkomen van de belastingplichtige." Artikel 16A, lid 4, van de LIB 1943 bepaalt dat de in het eerste lid, onderdelen a, c en d, bedoelde uitgaven in aanmerking worden genomen voor zover zij gezamenlijk meer bedragen dan 5% van het inkomen, doch ten minste Naf. 1.500. 5.2. In de toelichting behorende bij de Ministeriele beschilddng met algemene werking van 29 juli 2000 houdende wijziging van de LWB, de LIB 1943 en de LLB 1976 is op blz 19-20 opgemerkt: "De indeling van dit artikel is geheel vernieuwd. In het eerste lid worden nu alle posten genoemd waarvoor aftrek als buitengewone last mogelijk is. (...) Tevens heeft het tweede lid een regeling voor aftrek van levensonderhoud aan naaste verwanten. De Regering is van oordeel dat de laatstgenoemde aftrek begrensd dient te worden, mede aangezien de bijdrage aan levensonderhoud bij de genieter niet tot het belastbare inkomen behoort. Zonder een grens te stellen kan een belastingplichtige een onaanvaardbaar groot deel van zijn inkomen omzetten in onbelast inkomen ten gunste van zijn naaste familieleden. Om die reden wordt de aftrek beperkt tot f. 2.500 per ondersteunde. Als iemand zijn beide ouders levensonderhoud verstrekt, dan is de aftrek derhalve ten hoogste 2 maal f. 2.500 ofwel f. 5.000. Tevens is het totaal aan levensonderhoud gemaximeerd op 10% van het inkomen. (...) In het vierde lid is voorts de drempel opgenomen voor ziektekosten en levensonderhoud. De drempel is verhoogd naar 10% van het inkomen, met een minimum van f. 1.500. (...) 5.3 Belanghebbende stelt dat de wetgever, nu hij in het vierde lid niet de woorden "onverminderd het daaromtrent in het tweede lid bepaalde" heeft opgenomen, bewust heeft afgezien van het toepassen van een tweede drempel in gevallen waarin de aftrek al is beperkt tot Naf. 2.500. De verwijzing naar onderdeel c is — volgens belanghebbende — ten onrechte opgenomen in het vierde lid. De Inspecteur stelt daarentegen dat de wetgever bewust ervoor heeft gekozen de belastingheffing eenvoudiger te maken door bepaalde aftrekposten in het geheel te schrappen of de aftrekmogelijkheid te beperken. Daartegenover zijn de tarieven verlaagd en is ook het systeem van de schijventarief geïntroduceerd. De Inspecteur stelt dat ook zonder de door belanghebbende voorgestelde toevoeging duidelijk is dat de drempel van lid 4 van toepassing is, te meer omdat altijd een drempel heeft bestaan, waardoor buitengewone lasten in aanmerking werden genomen voor zover zij een bepaalde drempel overtroffen. 5.4 De Raad is van oordeel dat de leden 1 tot en met 3 van artikel 16A van de LIB 1943 bepalen welke uitgaven als buitengewone lasten moeten worden beschouwd. Vervolgens bepaalt artikel 16A, lid 4, van de LIB 1943 in hoeverre de - op grond van de leden 1 tot en met 3 - als buitengewone lasten aangemerkte uitgaven ook als zodanig in aanmerking kunnen worden genomen. Het is niet de bedoeling van de wetgever geweest, om een belastingplichtige die bijvoorbeeld vier aanverwanten ondersteunt met telkens Naf. 2.500 zonder een drempel recht te geven op een aftrek van Naf. 10.000, terwijl onder de oude regeling (dus voor de invoering van het maximum van Naf. 2.500 per ondersteunde) wel een drempel gold. Het gelijk inzake het geschil over de uitlegging van de drempel is aan de Inspecteur. 5.5 Belanghebbende beroept zich voorts op het gelijkheidsbeginsel. Zij is van mening dat, wat er zij van de tekst van de wet, een belastingplichtige die evenveel buitengewone lasten betaalt ten behoeve verschillende aanverwanten, wel meer dan Naf. 2.500 in aanmerking mag nemen, zodat sprake is van een ongelijke behandeling. De Inspecteur betwist de gelijkheid van deze gevallen. Ook de Raad is van oordeel dat het geval van belanghebbende en de door haar bedoelde gevallen niet gelijk zijn, zodat zij niet op grond van het gelijkheidsbeginsel recht krijgt op aftrek. 5.6 Belanghebbende beroept zich tenslotte op het draagkrachtbeginsel, omdat artikel 16A, lid 4, van de LIB 1943 ertoe leidt dat personen met inkomen van tussen de Naf. 15.000 en Naf. 30.000, een aftrek krijgen die kleiner is naarmate hun inkomen lager is. Pas bij inkomens boven Naf. 30.000 wordt het draagkrachtbeginsel volgens belanghebbende weer gerespecteerd. Naar de Raad begrijpt, doet belanghebbende aldus een beroep op het gelijkheidsbeginsel: de ongelijke gevallen worden niet naar mate van hun ongelijkheid behandeld. De Raad is van oordeel dat belanghebbendes beroep op dit aldus verstane draagkrachtbeginsel haar hoe dan ook niet kan helpen, nu belanghebbendes inkomen ver uitstijgt boven de Naf. 30.000 en volgens belanghebbende zelf het draagkrachtbeginsel dan wel wordt gerespecteerd. De Raad zal het beroep op het draagkrachtbeginsel daarom inhoudelijk niet behandelen. 5.7 Uit het hiervoor overwogene volgt dat de beroepen ongegrond zijn. 6Beslissing De Raad verklaart de beroepen ongegrond. Alsdan gedaan in raadkamer door mrs. M.T. Boerlage, C.W.M. van Ballegooijen en J.B.H. Roben in tegenwoordigheid van de secretaris mevrouw M. Rienhart en uitgesproken in het openbaar op 24 september 2010.