No. 3254 Herziening. Van Jhr. Mr. Dr. v. Asch v. Wijck. Conclusie op een aanvraag tot herziening van : [aanvrager] . Edele Hoog Achtbare Heren, Ik heb de eer Uw Raad hierbij te doen toekomen de stukken mij geworden bij schrijven van Uw President d.d. 30 Juni 1947 No. 3254 Herziening, welke stukken bestonden 1e uit een aanvraag om herziening betreffende de uitspraak gegeven 20 December 1946 door de Tuchtrechter voor de Prijzen te Assen, waarbij aanvrager, [aanvrager], werd veroordeeld tot een geldboete van tien gulden wegens overtreding van een prijsvoorschrift (Prijzenbeschikking Handelsmarge Schoenen 1946 II) en 2e uit een aantal bijlagen. Daarbij voeg ik nog het tuchtrechtelijk dossier (proces-verbaal opsporingsambtenaar; tuchtbeschikking) alsmede een verklaring van de Griffier bij de Tuchtrechter voor de Prijzen voormeld, waaruit blijkt dat de tuchtbeschikking in kracht van gewijsde is gegaan. Aanvrager vraagt herziening van die tuchtbeschikking aan Uw Raad en baseert zich dus kenlijk op Titel VIII van het Boek III van het Wetboek van Strafvordering. Is Uw Raad wel bevoegd om van deze aanvrage kennis te nemen? Het betreft hier toch niet een gewijsde afkomstig van de rechterlijke macht als in het Wetboek van Strafvordering bedoeld. Immers het gewijsde is afkomstig van de bij het Besluit Berechting Economische Delicten ingestelde tuchtrechter voor de prijzen, dat is een soort aparte strafrechter, zoals de wetgever de laatste tijden meerdere rechterlijke machten naast en door elkaar heen heeft geconstrueerd met alle narigheid en verwarring van dien, waaraan nu een ontwerp van wet een einde hoopt te maken. Indien verdachte in hoger beroep was gegaan , was hij terecht gekomen bij de Bijzondere Politierechter en diens vonnis zou voor herziening vatbaar zijn geweest. Maar dat is hier niet het geval en ik vermag niet in te zien waarop een bevoegdheid van Uw Raad gebaseerd zou kunnen zijn. Evenmin als m.i. Uw Raad bevoegd zou zijn tot herziening van uitspraken van die andere rechterlijke macht, eveneens genoemd in art. 5 van het Besluit Berechting Economische Delicten, n.l. de tuchtrechter bedoeld in het Besluit Tuchtrechtspraak Voedselvoorziening en in hoger beroep, het Centraal College voor de Tuchtrechtspraak (art. 7, 32 - 34 van het Besluit Tuchtrechtspraak Voedselvoorziening). Bij deze Tuchtrechtspraak Voedselvoorziening komen geen uitspraken bij de in het Wetboek van Strafvordering bedoelde rechterlijke macht en toepassing van herziening door Uw Raad is uitgesloten. Ik acht dat ook uitgesloten bij de Tuchtrechter voor de Prijzen, zolang diens uitspraak niet, door een appel, door de Bijzondere Politierechter is bevestigd of, bij vernietiging, vervangen door een vonnis van de Politierechter. Veroordeelde is niet te helpen met herziening, hoezeer herziening; indien mogelijk, ook gegrond zou zijn, en ik heb de eer te concluderen aanvrager niet ontvankelijk te verklaren in zijn verzoek om herziening. Parket 9 Juli
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.