← Nederland

ECLI:NL:PHR:1949:2

Mr. Dr. J. Wijnveldt. No.2314 De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, Gezien nevensgaand beroepschrift van de Officier van Justitie te 's-Gravenhage tegen de daarbij gevoegde beschikking van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 24 Februari 1949, waarbij dit Hof in hoger beroep een beschikking van de Arrondissements-Rechtbank aldaar d.d. 25 Januari 1949 bekrachtigde, welke een afwijzing inhield van een benoeming van een curator over de nalatenschap van [A], Overwegende, dat requirant alleen de artikelen 1172 en 1173 B.W. als geschonden of verkeerd toegepast vermeldt, doch art. 48 W.v. B. Rv. niet noemt, Overwegende, dat het Hof een nalatenschap alleen als onbeheerd beschouwt, wanneer bij het openvallen zich niemand opdoet, die daarop aanspraak maakt, of wanneer de bekende erfgenamen haar verwerpen, dat het Hof de gronden, de beschikking der Rechtbank en de daarbij aangegeven gronden heeft overgenomen, en feitelijk beslist heeft, dat deze nalatenschap niet in de zin der wet onbeheerd was, Overwegende dat de bezwaren van requirant in wezen dan ook meer bedoeld zijn de belangen van eventuele andere erfgenamen dan degenen die de nalatenschap in handen hebben gekregen en van de Staat te beschermen, dan dat zij er op wijzen, dat de verkrijgers niet erfgenamen zouden zijn, dat genoemde bepalingen hiervoor niet geschreven zijn (cfr. Klaassen-Eggens, blz. 375 vlg. ; van Ittersum, Onbeheerde nalatenschappen, blz. 15 vlg.). Concludeert tot niet-ontvankelijkverklaring, subsidiair tot verwerping van het beroep. Parket, 26 April

  1. PARKET VAN DE OFFICIER VAN JUSTITIE TE 'S-GRAVENHAGE 'S-GRAVENHAGE, 7 April
  2. No. Civiel 79/1948 BIJLAGE : div. Aan de Hoge Raad der Nederlanden te 's-GRAVENHAGE. Geeft eerbiedig te kennen de Officier van Justitie bij de arrondissements-rechtbank te 's-Gravenhage, dat, blijkens hierbij overgelegd authentiek afschrift ener overlijdensakte, voorkomende in de registers van de Burgerlijke, Stand der gemeente 's-Gravenhage, op 2 Maart 1945 in die gemeente is overleden [A], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1891, laatstelijk gewoond hebbende [a-straat 1] te [woonplaats], weduwnaar; dat, blijkens een schrijven van de vervangende Commissaris van Politie te Dordrecht aan de Officier van Justitie te Dordrecht, hierbij overgelegd, de notaris [notaris] te Dordrecht verklaart, dat voornoemde [A] is overleden zonder erfgenamen na te laten; dat blijkens hetzelfde schrijven [betrokkene 1] te Dordrecht verklaart, op grond van een schrijven van de overledene diens nalatenschap te hebben verdeeld; dat door hem, Officier, op grond van de artt. 1172 en 1173 van het Burgerlijk Wetboek aan de arrondissements-rechtbank te 's-Gravenhage, onder welks ressort de nalatenschap van de voornoemde [A] is opengevallen, voordracht is gedaan tot benoeming van een curator over deze nalatenschap; dat, de gemelde rechtbank bij beschikking van 25 Januari 1949 waarvan hierbij een expeditie wordt overgelegd, deze voordracht heeft gewezen van de hand op grond, dat een nalatenschap onbeheerd is indien zich niemand voordoet die er krachtens erfrecht aanspraak op maakt en dat zich dit geval niet voordoet, nu derden zich in het bezit hebben gesteld, bovendien daarbij geheel te goeder trouw aannemende, dat zij krachtens een brief van de erflater daartoe gerechtigd waren en de omstandigheid, dat zij later mochten blijken geen recht te hebben, de nalatenschap niet onbeheerd maakt; dat vervolgens het Gerechtshof te 's-Gravenhage bij beschikking van 24 Februari 1949 waarvan hierbij een grosse wordt overgelegd, in hooger beroep de beschikking van de arrondissements-rechtbank heeft bekrachtigd op de gronden in die beschikking vermeld; dat hij, Officier, tegen deze beschikking van 24 Februari 1949 van het Gerechtshof te 's-Gravenhage beroep in cassatie wenst in te stellen en wel op grond van het volgende middel: Schending, althans verkeerde toepassing van de artt.1172 en 1173 van het Burgerlijk Wetboek doordat het Hof in de beschikking waarvan beroep, heeft beslist, dat een nalatenschap, die in bezit is genomen door enige personen, die te goeder trouw gemeend hebben daarop aanspraak te hebben, ook al zouden deze personen mogelijk ten onrechte gemeend hebben aanspraak op de nalatenschap te hebben, geen onbeheerde nalatenschap is, ten onrechte evenwel omdat uit de nevenschikking in art.1172 van "niemand die daarop aanspraak maakt" en "de bekende erfgenamen verwerpen" blijkt, althans aannemelijk wordt, dat "niemand aanspraak maakt" de betekenis heeft van "geen erfgenaam aanspraak maakt", welke uitlegging des te aannemelijker wordt bij vergelijking met het tweede lid van artikel
  3. Het wil de ondergetekende voorkomen, dat in de interpretatiën van Rechtbank en Hof de artt.1172 en 1173 hun bescherming aan eventualiter later opkomende erfgenamen en de Staat onthouden juist wanneer zij aan die bescherming de grootste behoefte hebben, immers wanneer usurpatoren de nalatenschap in bezit hebben genomen. De goede trouw bij de usurpatoren is door Rechtbank en Hof slechts terloops genoemd, doch ook indien deze veronderstelde goede trouw beslissend zou zijn, dan nog zou zij in andere gevallen kunnen worden voorgewend door een oncontroleerbaar beroep op toezeggingen van de erflater en in ieder geval geeft de goede trouw bij de inbezitneming geen zekerheid voor beheer in het belang van later opkomenden met beter recht. Bovendien meent de ondergetekende nog te mogen wijzen op de mogelijkheid, dat derden bepaalde goederen uit een nalatenschap, die in bezit is genomen door usurpatoren, tot zich hebben genomen. Bij gebreke van wettige erfgenamen, executeur-testamentair, bewindvoerder en curator zou, in ieder geval gedurende de eerste drie jaren na het openvallen der nalatenschap, niemand deze goederen in rechte voor de boedel kunnen opeisen, ook de usurpator te goeder trouw niet. Redenen waarom de ondergetekende zich wendt tot Uwen Raad met eerbiedig verzoek, te willen vernietigen de beschikking waarvan beroep, met zodanige verdere uitspraak als het Uwen Raad zal vermenen te behoren. De Officier van Justitie, enz. Gesteld in handen van den Procureur-Generaal ten fine van schriftelijke conclusie. 's-Gravenhage, 14 April
  4. Namens den Hogen Raad de Griffier,

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.