no 3338 Herziening Aan de Hoge Raad der Nederlanden: Hierbij heb ik de eer aan Uw Raad weder te doen toekomen het verzoekschrift tot herziening tot U gericht door [verzoeker] , vergezeld van het betreffende dossier; Allereerst behoort de vraag onder het oog te worden gezien, of de beslissing, waartegen het verzoekschrift zich richt, welke beslissing is de uitspraak van een tribunaal, er een is waarop de regeling der herziening in het Wetboek van Strafvordering van toepassing is. Tweemaal heeft Uw Raad een beslissing over deze vraag gegeven in verband met beslissingen van andere functionarissen dan de gewone rechter en wel bevestigend voor de tuchtrechter voor de prijzen (arrest van 2 December 1947, N.J. 1948, No 154) en ontkennend voor een Inspecteur Prijsbeheersing (arrest 11 Mei 1948, N.J. 1948, No 557.) Voor het Tribunaal nemen deze beslissingen te zamen nog niet alle twijfel weg. Immers enerzijds was het Tribunaal niet in de gewone rechterlijke organisatie ingeschakeld, wat de tuchtrechter voor de prijzen althans in zover wel is, dat van zijn beslissingen beroep openstaat op een tot de gewone rechterlijke macht behorend orgaan, de bijzondere politierechter, zij het dan met toepassing van een ander dan het gewone strafprocesrecht. Anderzijds is niet te ontkennen, dat het Tribunaal georganiseerd was op een wijze, die meer tot rechtspraak nadert dan de Inspecties voor de Prijsbeheersing. Ik voor mij zou de laatste overweging de doorslag willen doen geven. De tribunaaluitspraken kwamen tot stand op een met het strafproces overeenstemming vertonende wijze en komen in hun formele inrichting met een strafvonnis in velerlei opzicht overeen. Toetsing van zulk een uitspraak aan de vereisten van herziening is dan ook mogelijk. Verder is de maatschappelijke betekenis nagenoeg dezelfde als die van een strafvonnis. Dit maakt, bij gebreke van iedere andere voorziening van overeenkomstige strekking, de mogelijkheid van herziening tot een eis van goede rechtsbedeling. Daarentegen meen ik dat het verzoek naar zijn inhoud niet ontvankelijk is. Immers in twee zich in het dossier bevindende brieven gericht tot de Hoge Autoriteit, tref ik zakelijk alle omstandigheden aan die thans aan het verzoek ten grondslag worden gelegd (brieven van 31 Januari en 14 Februari 1948) .Wanneer men nu de tribunaalprocedure ziet als een rechterlijke procedure, als waarvoor de mogelijkheid van herziening mede in het leven is geroepen dan zal men naar mijn mening de overweging van het fiat executie door de Hoge Autoriteit als een onderdeel dier procedure moeten zien. Immers volgens de artikelen 6 en 7 van Koninklijk Besluit van 23 December 1944, Stbl. E.153 zal men moeten aannemen, dat de Autoriteit het fiat executie kan weigeren op grond dat de beschuldigde in een bezwaarschrift feiten aanvoert, die tot de slotsom zouden leiden dat het onderzoek niet deugdelijk is geweest. Nu dus verzoeker feiten aan de Hoge Autoriteit heeft kenbaar gemaakt, die in zijn betoog de even genoemde strekking hadden, maar die de Hoge Autoriteit niet van de verlening van het fiat executie hebben weerhouden, zal men moeten oordelen, dat deze zelfde feiten niet meer "nova" kunnen vormen. Weliswaar kan men dan niet zeggen, dat deze feiten reeds bij het onderzoek ter terechtzitting waren gebleken, doch analogische toepassing van de regeling der herziening op tribunaalgedingen, waarbij dus de definitieve beslissing niet naar aanleiding van een onderzoek ter terechtzitting tot stand komt, brengt m.i. mede, dat men het aan de Hoge Autoriteit geblekene gelijkstelt met hetgeen in een gewoon straf proces ter zitting is gebleken. Op grond van dit laatste bezwaar tegen het verzoekschrift concludeer ik tot niet-ontvankelijk-verklaring van het verzoek. Parket, 14 Augustus 1949 De Procureur-Generaal
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.