v.d.H. No. 9512 Zitting 25 januari 1962 Mr. Langemeijer Conclusie inzake: N. V. Bouwkas "Uw Eigen Huis" tegen [A] EdelHoogAchtbare Heren, Van de zijde van verweerder is in deze allereerst aangevoerd de niet ontvankelijkheid van het cassatieberoep voor wat betreft de eerste twee middelen, op grond dat de door die middelen bestreden beslissingen eindbeslissingen zouden zijn in het interlocutoire arrest, waartegen dus niet tijdig beroep zou zijn ingesteld. Ik meen, dat dit verweer juist is. Zowel de formulering van het interlocutoire arrest, in het bijzonder overweging 14 in rechte, waarin gezegd wordt dat van de beide bestreden beslissingen "moet worden uitgegaan", als het eind-arrest, dat tot tweemaal toe (in de rechtsoverwegingen 6 en 10) spreekt van hetgeen bij het interlocutoir arrest is "vastgesteld" - waarbij natuurlijk de strekking van het inter-locutoire arrest beslissend is en die van het eindarrest slechts als bevestiging kan gelden - brengen het definitieve karakter van de bedoelde beslissingen duidelijk tot uitdrukking. Zou Uw Raad anders oordelen, dan zou het eerste middel mij toch niet gegrond voorkomen. Dit bestrijdt het oordeel van het Hof, dat de door (de rechtsvoorganger van) "Uw Eigen Huis" bedongen boete niet liep gedurende het faillissement van [A]. Voor dit oordeel heeft het Hof twee gronden aangevoerd, waarvan niet blijkt, dat het die reeds elk voor zich afdoende heeft geacht en die dus te zamen als de motivering moeten gelden. De eerste is : dat de bedongen boete is gesteld op de enkele vertraging van de verplichte betaling en de strekking heeft een prikkel tot nakoming te vormen voor de schuldenaar, de andere : dat de schuldenaar door het faillissement feitelijk en rechtens in de onmogelijkheid komt te verkeren zijn verplichtingen na te komen. Nu kan men het aanstonds hierover eens zijn, dat, had het Hof deze motivering bedoeld als louter de toepassing op het onderhavige geval van de algemene stelling : dat niet nakoming van een contractuele verplichting sou ophouden wanpraestatie te zijn, zodra faillissement van de schuldenaar of, algemener nog, zodra onvermogen tot betalen van de schuldenaar intreedt, deze beslissing zou delen in de onhoudbaarheid naar ons recht van de stelling zelf, waarvan zij dan de toepassing zou vormen. Echter "wanbetaling" is niet noodzakelijk zuiver synoniem van "wanpraestatie". Het Hof mocht deze, niet aan de wet ontleende, term, die niet volstrekt ondubbelzinnig is, uitleggen in het kader van het beding en van de gehele overeenkomst, waarin hij voorkomt. Het is kennelijk als bijdrage tot die uitlegging, dat het Hof vaststelt dat de boete gesteld was op de enkele vertraging en de strekking heeft een prikkel tot naleving te vormen. Eveneens onmiskenbaar bedoelt het Hof met dit laatste, dubbele oordeel, dat de boete niet de strekking had de schade te helpen vergoeden, die "Uw Eigen Huis" door nalatigheid van [A] met betaling zou lijden. Inderdaad - dit ten overvloede - was in dezelfde overeenkomst in die schade op normale wijze voorzien door het beding, dat in geval van niet tijdige betaling "Uw Eigen Huis" het in zijn macht had de schuld van [A] voortaan rente te doen dragen. Dat "Uw Eigen Huis" van die mogelijkheid eerst na vrij lange tijd gebruik heeft gemaakt, speelt natuurlijk geen rol. Het Hof bedoelt dan blijkbaar met zijn overweging verder aldus te redeneren, dat, nu in het normale gevolg van wanpraestatie, vergoeding der schade, op andere wijze was voorzien, "wanbetaling" als grond voor het verschuldigd worden der boete mocht worden opgevat in meer beperkte zin, namelijk in die van willekeurige niet-betaling. Tot zover is dit, naar het mij voorkomt, een voldoende duidelijk tot uitdrukking gebrachte uitlegging van de overeenkomst tussen partijen, dus een beslissing van louter feitelijke aard. Dat er nu in het onderhavige geval geen "wanbetaling" in de vastgestelde zin was, leidt het Hof dan verder af uit de beletselen, die het faillissement aan betaling in de weg stelde. Met de geëerde pleiter voor "Uw Eigen Huis" ben ik eens, dat het Hof zich hier onvolmaakt heeft uitgedrukt. Noch rechtens, noch feitelijk sluit faillissement betaling van een schuld onder alle omstandigheden uit. Zelfs schijnt in het onderhavige geval [A] op een gegeven ogenblik (overigens nadat het faillissement verscheidene jaren had geduurd) tot een niet onbelangrijke betaling in staat te zijn geweest. Echter, wat men wel kan zeggen is dit, dat de strekking van het faillissement naar ons recht met name blijkens de artikelen 20, 21 en 100 van de Faillissementswet is, dat aan de failliet geen andere middelen worden gelaten dan hij voor zijn dagelijks levensonderhoud nodig heeft. Dat de gefailleerde middelen heeft om buiten het faillissement om schulden te betalen zal dus in feite slechts in zeer bijzondere gevallen kunnen voorkomen en zal nog zeldzamer rechtmatiglijk kunnen voorkomen. Het door pleiter vermelde geval van betaling door derden is hier natuurlijk niet van belang; immers, dit staat zeker niet in de macht van de failliet. Had dus het Hof overwogen, dat men moest uitgaan van de veronderstelling, dat een failliet niet in zijn macht heeft op rechtmatige wijze voor betaling van zijn schulden buiten het faillissement om te zorgen, dan zou dit juist zijn geweest. Ik geloof, dat men in het verband van de redenering, waarom het hier gaat, de bewoordingen van het arrest mag opvatten als niet meer te zeggen dan dit en dan zou het Hof niets anders hebben gedaan dan uit deze regel van algemeen bekende ervaring de niet aanwezigheid van wanbetaling, in de door uitlegging der overeenkomst vastgestelde zin, afleiden. Het tweede middel bestrijdt het oordeel van het Hof, dat het beding : dat de hoofdsom wordt geacht verhoogd te zijn met de rente, die ingevolge niet-betaling verschuldigd is geworden, krachteloos is wegens strijd met artikel 1287 van het Burgerlijk Wetboek, dat in de opvatting van het Hof alleen toelaat rente te bedingen van ten tijde van het beding reeds verschenen rente. De hier aan de orde gestelde vraag : of artikel 1287 toelaat bij voorbaat rente op rente te bedingen, natuurlijk met inachtneming van de door het artikel uitdrukkelijk gestelde grenzen, is een zeer omstredene, gelijk zij dat ook is voor het overeenkomstige artikel 1154 van de Franse Code. Het beding bij voorbaat wordt toelaatbaar geacht door Diephuis VI, 2e dr., blz. 46; A.P.H. de Lange, Vrijheid van rentebeding (diss. Leiden, 1884) , blz. 68 en Asser-Limburg, blz.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.