← Nederland

ECLI:NL:PHR:1964:4

L. Nr. 62724 Zitting 22 september

  1. Mr. Moons. Conclusie inzake: [requirant]. Edelhoogachtbare Heren, Bij het bestreden arrest van het Gerechtshof te 's-Gravenhage van 24 juni 1964 is - met vernietiging van het in eerste aanleg in de zaak tegen requirant gewezen vonnis van de Arrondissements- rechtbank te Rotterdam van 26 november 1963 en met vrijspraak van hetgeen aan requirant (bij inleidende dagvaarding) primair meer of anders is ten lastegelegd dan door het Hof bewezen werd verklaard - bewezen verklaard dat requirant het hem (bij inleidende dagvaarding) primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande, dat hij op 9 augustus 1963 te Middelharnis als bestuurder van een vierwielig motorrijtuig, personenauto, daarmede heeft gereden over de voor het openbaar rij- en ander verkeer openstaande weg, de Molenweg, komende uit de richting van de Langeweg en gaande in de richting van de Oudelandsedijk en alstoen aldaar hoogst roekeloos, onvoorzichtig en onoordeelkundig, rijdende met hoge snelheid, een voor hem, in gelijke richting en rechts rijdende wielrijder, genaamd [slachtoffer] heeft ingehaald en bij het ter linkerzijde voorbijrijden niet behoorlijk - immers niet voldoende - naar links is uitgeweken, doch met dat door hem bestuurde motorrijtuig met die wielrijder in botsing is gekomen, waardoor het aan de grove schuld van hem, verdachte, te wijten is geweest, dat het linkerbeen van die wielrijder van het lichaam is afgerukt en die wielrijder wijders in een of naar een naast die weg gelegen sloot is geslingerd en die wielrijder ter plaatse tengevolge van de bekomen verminking en verwondingen is overleden. Het Hof deed de bewezenverklaring steunen op de navolgende bewijsmiddelen:
  2. de verklaring van [getuige 1] ter terechtzitting in eerste aanleg inhoudende: "dat hij in zijn functie van wachtmeester le klasse der Rijkspolitie, behorende tot de groep Middelharnis van de Rijkspolitie, terzake van het onderhavige ongeval een onderzoek heeft ingesteld; dat hij bij dit onderzoek op 9 augustus 1963 te Middelharnis op de Molenweg onder meer heeft geconstateerd: dat genoemde weg ± 6.20 m breed is; dat het lichaam van het slachtoffer, aan welk lichaam het linkerbeen ontbrak, zich daar bevond; dat hem de plaats, waar dit lichaam in de naast de Molenweg gelegen sloot was aangetroffen, is aangewezen; dat zich van die weg naar die plaats in schuine richting over de grasberm een bloedspoor bevond; dat genoemd linkerbeen door hem afzonderlijk in genoemde sloot nabij genoemde plaats is aangetroffen; dat een klomp en een pet van het slachtoffer in de grasberm lagen evenals het vernielde rijwiel, dat door het slachtoffer was bereden; dat hij het lijk van die man heeft getoond aan [betrokkene 1] en [betrokkene 2], welke beide personen hem, getuige, ieder voor zich verklaarde, dat hij het hem getoonde lijk herkent als het stoffelijk overschot van [slachtoffer]";
  3. de verklaring van verdachte ter terechtzitting in hoger beroep, zakelijk weergegeven, inhoudende: "dat hij op 9 augustus 1963 te omstreeks 6.10 uur 's morgens te Middelharnis als bestuurder van een vierwielig motorrijtuig, personenauto, daarmede heeft gereden over de voor het openbaar rij- en ander verkeer openstaande weg, de Molenweg, komende uit de richting van de Langeweg en gaande in de richting van de Oudelandsedijk; dat hij alstoen aldaar reed met een snelheid van ongeveer 80 à 85 km per uur; dat alstoen aldaar vóór hem in gelijke richting en, gezien zijn rijrichting, goed rechts op die weg een wielrijder reed, die een wit emmertje aan zijn linkerarm ter hoogte van het stuur van het rijwiel had hangen; dat hij, rijdende op een afstand van 1.50 meter uit de uiterste rechterzijde van de rijbaan gekomen ter hoogte van genoemde wielrijder, plotseling een witte flits zag en onmiddellijk daarna een harde klap hoorde en zag, dat de voorruit van de auto, waarmede hij reed, versplinterde; dat er zich toen op bedoelde Molenweg geen tegenliggers bevonden; dat hij vervolgens de door hem bestuurde auto tot stilstand heeft gebracht; dat hij daarna uit die auto is gestapt en is gelopen naar de plaats waar hij genoemde klap had gehoord; dat hij ongeveer op die plaats genoemde wielrijder in een naast genoemde Molenweg gelegen sloot wezenloos zag liggen, terwijl die persoon zijn linkerbeen miste; dat hij thans weet, dat die wielrijder [slachtoffer] genaamd was";
  4. de verklaring van de getuige-deskundige M.P. van Dijk ter terechtzitting in hoger beroep, zakelijk weergegeven, inhoudende: "dat hij in zijn functie van wachtmeester 1e klasse der Rijkspolitie te Dordrecht terzake van het onderhavige ongeval een onderzoek heeft ingesteld; dat hij bij dit onderzoek, door hem ingesteld op 9 augustus 1963 te Middelharnis op de Molenweg, heeft geconstateerd onder meer: dat zich gerekend in de richting Oudelandsedijk rechts naast genoemde Molenweg een circa 2.60 m brede grasberm en daarnaast een sloot bevindt; dat op een stammetje van een in die berm staand boompje bloedspatten zaten; dat bij dat boompje in het gras stukken klomp lagen; dat ongeveer 10 meter verder in de richting Oudelandsedijk zich bevonden een beschadigde witte emaille emmer, twee kapotte klompen en een beschadigd herenrijwiel; dat de Molenweg te Middelharnis is een rechte weg met een 6.15 meter brede uit klinkerstenen bestaande hoofdrijbaan bestemd voor alle verkeer in beide richtingen; dat het ongeval zich heeft voorgedaan tijdens droog en helder weer op een droog wegdek; dat zich op de rijbaan van bedoelde weg geen remspoor van de auto van verdachte bevond; dat de hier aanwezige verdachte, die hij, van Dijk, alle aanwijzingen welke op het gebeuren betrekking hadden, duidelijk had gemaakt, opgaf, dat hij kort tevoren (uit zijn aanwijzing ter plaatse bleek mij dat dit ongeveer 50 meter voor de plaats waar de eerste bloedsporen werden aangetroffen was) een hem tegemoet komend vrachtmotorrijtuig had laten passeren; dat het rechter-voorspatbord van de auto van verdachte ter hoogte van de koplampen enige beschadigingen vertoonde, terwijl een stukje menselijk weefsel daarop aanwezig was; dat ook op het spatbord een aantal bloedvlekken aanwezig waren; dat hij op grond van zijn kennis en ervaring uit hetgeen hij bij gemeld onderzoek heeft geconstateerd tot het oordeel is gekomen, dat de plaats van de botsing dicht in de nabijheid van de uiterste rechterzijde van de Molenweg, gerekend in de richting Oudelandsedijk, was gelegen alsmede, dat het rechter voorspatbord van de personenauto, die door de verdachte werd bestuurd, het linkerbeen van het slachtoffer heeft geraakt en wel met zodanige kracht dat dit been van het lichaam is afgerukt";
  5. de(blijkens het proces-verbaal der terechtzitting van het Hof d.d. 10 juni 1964 op gemelde terechtzitting door de voorzitter voorgelezen) verklaring van [getuige 2] ter terechtzitting in eerste aanleg - (welke getuige, blijkens eerstgenoemd proces-verbaal naar het oordeel van het Hof wegens ziekte niet ter genoemde terechtzitting in hoger beroep kon verschijnen) - voorzover inhoudende, zakelijk weergegeven: "dat hij zich op 9 augustus 1963 te omstreeks 6.10 uur 's morgens bevond te Middelharnis op een stuk land gelegen naast de Molenweg aldaar, terwijl hij een tractor bestuurde; dat hij alstoen aldaar bovendien zag, dat een personenauto met hoge snelheid reed over de genoemde Molenweg, komende uit de richting van de Langeweg en gaande in de richting van de Oudelandsedijk; dat hij in de ter terechtzitting aanwezige verdachte de bestuurder van die auto herkent";
  6. een proces-verbaal van verhoor opgemaakt op 24 april 1964 door [verbalisant 1], Rechter-Commissaris belast met de behandeling van strafzaken bij de Arrondissementsrechtbank te Rotterdam, voorzover inhoudende als op genoemde datum aan dien Rechter-Commissaris afgelegde beëedigde verklaring van [getuige 2], oud 51 jaar, wonende te [plaats] (welke verklaring blijkens het proces-verbaal der terechtzitting van het Hof d.d. 10 juni 1964 op gemelde terechtzitting is voorgelezen, terwijl gemelde [getuige 2] naar het oordeel van het Hof wegens ziekte niet ter gemelde terechtzitting in hoger beroep kon verschijnen), zakelijk weergegeven: "Ik heb op 9 augustus 1963, toen ik des ochtends te plm. 6.10 uur op mijn tractor reed de wielrijder [slachtoffer] zien komen aanrijden over de Molenweg. Hij reed goed rechts, gezien zijn rijrichting. Ik heb toen, vóórdat ik die wielrijder zag rijden, op die Molenweg ook een vrachtauto zien rijden, in tegengestelde richting als de wielrijder. Ik heb de wielrijder pas gezien, nadat hij en de vrachtauto elkaar gepasseerd waren. De wielrijder had een klein wit emmertje aan zijn linker arm hangen. Ik hoorde toen een klap en keek in de richting, waar dat geluid vandaan kwam. Ik zag toen dat emmertje naar boven vliegen. Ik zag toen daar ter plaatse een personenauto op die Molenweg rijden in dezelfde richting als waarin eerst de wielrijder reed. Ik was geschrokken door de klap. Ik zag die auto recht voor mijn gezicht verschijnen en ik zag geen [slachtoffer] meer. Ik heb toen mijn tractor achteruit gereden een loods in en ben toen de weg opgelopen. Het lichaam van [slachtoffer] heb ik toen in een sloot aangetroffen. Ik hoorde de klap onmiddellijk nadat ik de fietser achter de vrachtauto vandaan zag komen. Tijdens het ongeval bevond ik mij op een afstand van hooguit 15 à 20 meter van de rijbaan van de Molenweg, langs de kortste afstand. Ik reed toen met mijn tractor op het losse land. Door het rijden werd ik niet belemmerd in mijn uitzicht";
  7. een ambtsedig proces-verbaal no. 715/468 gesloten en opgemaakt op 16 augustus 1963 door [getuige 1] en [verbalisant 2], beiden wachtmeester der Rijkspolitie le klasse, behorende tot de Rijkspolitie groep Middelharnis, respectievelijk rayon Middelharnis en post Sommelsdijk, inhoudende als zakelijke verklaring, bevinding en verrichting van verbalisanten : "Naar aanleiding van een ongeval hebben wij op 9 augustus 1963 te omstreeks 6.25 uur een onderzoek ingesteld, waarbij door ons het volgende is bevonden: Datum en tijdstip van het ongeval: vrijdag 9 augustus 1963 te omstreeks 6.25 uur. Plaats van het ongeval: Op de voor het openbaar rij- en ander verkeer openstaande weg Molenweg, gelegen buiten de bebouwde kom van de gemeente Middelharnis. Weersgesteldheid: Helder droog weer. Soort en toestand van het wegdek. Wegbreedte: Klinker wegbedekking. De weg is 6.20 breed. De weg is recht en ter plaatse waar het ongeval plaatsvond zijn geen zijwegen. Het uitzicht is geheel vrij en onbeperkt. Het lichaam van het slachtoffer was in de sloot terechtgekomen. Het slachtoffer is uit de sloot op de grasberm gelegd en overgebracht naar de aula op de begraafplaats te Middelharnis aan de Rottenburgseweg, waar door de arts [arts], lijkschouwer der gemeente Middelharnis, is geschouwd";
  8. een schriftelijk "Verslag als bedoeld in artikel 29 m der Wet op de Lijkbezorging, d.d. 9-8-1963, opgemaakt door [arts], arts te Middelharnis, als bijlage gevoegd bij voormeld proces-verbaal no. 715/468, inhoudende, zakelijk weergegeven: "De ondergetekende [arts], arts, [a-straat 1], Middelharnis, lijkschouwer der gemeente Middelharnis, verklaart gedurende de laatste twee jaren geen genees-, heel- of verloskundige raad of bijstand te hebben verleend aan: naam- en voornamen [slachtoffer], [slachtoffer], [slachtoffer], (voluit) geboren op [geboortedatum]-1898 te [plaats]. wonende te [b-straat 1] [plaats] overleden op 9-8-1963, Verklaart het lijk persoonlijk te hebben geschouwd; bericht U : er niet van overtuigd te zijn, dat de dood ten gevolge van een natuurlijke oorzaak is ingetreden; bijzonderheden: verkeersongeval, zeer uitgebreide verminkingen onmiddellijk dood". Na te hebben overwogen dat het Hof door bovenstaande bewijsmiddelen bewezen acht en de overtuiging heeft bekomen dat verdachte het hem primair ten laste gelegde heeft begaan, met dien verstande als in 's Hofs arrest vermeld (en hiervoren weergegeven) en dat tot die beslissing reden geven de feiten en omstandigheden in die bewijsmiddelen vervat, is door het Hof - blijkens het aangevallen arrest - overwogen: "dat in het onderhavige geval de verdachte, naar aan het Hof is gebleken, zeer roekeloos, onvoorzichtig en onoordeelkundig is geweest. Hij heeft namelijk na het passeren van de hem tegemoet komende vrachtauto, niet voldoende rekening gehouden met de aanwezigheid van de wielrijder [slachtoffer]. Had verdachte, hetzij zijn snelheid verminderd, hetzij meer naar links geweken, dan had hij nog meer dan voldoende ruimte gehad die wielrijder voorbij te rijden". Terzake van het als voormeld bewezenverklaarde en als "aan zijn schuld bij gelegenheid van een botsing met een door hem bestuurd motorrijtuig, de dood van een ander te wijten zijn, terwijl de dood door de botsing is veroorzaakt" gequalificeerd misdrijf veroordeelde het Hof requirant tot gevangenisstraf voor de tijd van één maand met ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de tijd van één jaar. Namens requirant zijn bij schriftuur de volgende middelen van cassatie voorgesteld: "I. Verzuim van vormen en/of schending van het recht, met name door schending van de artikelen 126, 296, 350, 351, 352, 358, 359, 415, 422 en 423 Wetboek van Strafvordering, artikel 1 Wet van 17 juli 1911 (Stb. no. 215), houdende voorziening in de bestaande onzekerheid ten aanzien van de vorm, waarin eden, beloften en bevestigingen moeten worden afgelegd, doordien niet blijkt dat Ir. […], door het Hof als deskundige gehoord, de door artikel 296 sub 1 gevorderde eed op de voorgeschreven wijze heeft afgelegd. II. Verzuim van vormen en/of schending van het recht, met name door schending van de artikelen 350, 351, 352, 358, 359, 415, 422 en 423 Wetboek van Strafvordering, doordien de bewezenverklaring niet kan worden afgeleid uit de inhoud der gebezigde bewijsmiddelen, kunnende daaruit inzonderheid niet worden afgeleid dat requirant hoogst roekeloos, onvoorzichtig en onoordeelkundig is geweest, zijnde in ieder geval de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen omkleed". Het eerste cassatiemiddel meen ik voor gegrond te moeten houden. Blijkens het proces-verbaal van 's Hofs terechtzitting gehouden op 19 februari 1964 is aldaar in deze zaak als deskundige gehoord: Ir. […], 72 jaar, wonende te [plaats]. Gemeld proces-verbaal vermeldt, dat evengenoemde deskundige. na op de vragen van de Voorzitter opgave te hebben gedaan omtrent naam, voornamen, leeftijd, beroep en woonplaats en verklaard te hebben geen bloed- of aanverwant van verdachte te zijn, de bij artikel 296, le lid, van het Wetboek van Strafrecht (waarmede kennelijk is bedoeld: Wetboek van Strafvordering) gevorderde eed heeft afgelegd. In dat stuk is niet vermeld op welke wijze die eed is afgelegd, zodat niet vaststaat dat zulks overeenkomstig het op straffe van nietigheid gegeven voorschrift van artikel 126 Sv. is geschied op de wijze voorgeschreven bij artikel 1 der wet van 17 juli 1911 Stb.
  9. Reeds op deze grond kan - zo zou ik met de geachte pleiter voor requirant menen - het aangevallen arrest niet in stand blijven. (Vgl. de bij de mondelinge toelichting van het middel door de geëerde raadsman van requirant genoemde arresten van Uw Raad van: 24 juli 1928 N.J. 1929 p. 214; 10 december 1928 N.J. 1929 p. 376; 23 juni 1930 N.J. 1930 p. 1477; 25 juli 1930 N.J. 1930 p. 1465; 20 oktober 1930 N.J. 1930 p. 1650 en 5 januari 1931 N.J. 1931 p. 287). Dat de betreffende verklaring van de genoemde deskundige door het Hof bij de bewijsconstructies niet is gebruikt, doet - het moge volledigheidshalve nog worden opgemerkt - aan het vorenstaande niet af (Vgl. het onder werking van het vorige Wetboek van Strafvordering op 13 maart 1922 door Uw Raad gewezen arrest, te vinden in W. 10886). Het (niet veranderd) systeem der wet toch is, dat de rechter ter terechtzitting alleen te horen krijgt verklaringen van getuigen of deskundigen, die (tenzij zij verkeren in de omstandigheden van het tweede lid van artikel 216 Sv., in welk geval artikel 360 Sv. de nodige voorziening geeft) zijn beëedigd, opdat niet de rechter wellicht onbewust en daarom oncontroleerbaar zijn overtuiging zal putten uit verklaringen niet onder het verband van de eed of belofte afgelegd. Heeft er dus ten aanzien hunner beëediging een verzuim plaats, dan wordt daardoor het gehele onderzoek nietig, in die zin, dat de daarop volgende uitspraak in geval van beroep daartegen moet worden vernietigd en een geheel nieuw onderzoek moet plaats hebben (Aldus: Blok en Besier, eerste deel, pag. 390). Het tweede cassatiemiddel - aan de beoordeling waarvan Uw Raad, bij gegrond bevinding van het eerste middel niet zal toekomen - meen ik voor ongegrond te moeten houden. Met het middel wil, blijkens de daarvan bij pleidooi gegeven toelichting, in de eerste plaats betoogd zijn, dat het Hof uit de gebezigde bewijsmiddelen niet heeft kunnen afleiden, dat requirant bij het ter linkerzijde voorbijrijden van de in de telastelegging en bewezenverklaring genoemde wielrijder "niet behoorlijk naar links is uitgeweken" en dat requirant "hoogst roekeloos, onvoorzichtig en onoordeelkundig" is geweest. Op die grief werd bij pleidooi aangedrongen met een drietal argumenten, welke ik als volgt meen te mogen weergeven: a. uit het feit der botsing kan niet worden geconcludeerd dat requirant "niet behoorlijk naar links is uitgeweken", omdat de bewijsmiddelen de mogelijkheid openlaten dat de botsing is ontstaan doordat het slachtoffer, aanvankelijk goed rechts rijdend, op het laatste ogenblik naar links is gekomen; b. uit de omstandigheid, dat requirant - zoals uit de gebezigde bewijsmiddelen blijkt - op het moment der aanrijding 1.50 meter uit de uiterst rechterzijde van de rechterrijbaan reed, kan niet worden geconcludeerd dat hij "niet behoorlijk naar links is uitgeweken", omdat uit de bewijsmiddelen niet blijkt op welke afstand van die uiterst rechterzijde op dat moment het slachtoffer zich bevond; c. het over de rechterrijbaan op een afstand van 1,50 meter uit de uiterst rechterzijde van die rijbaan met een snelheid van 80 à 85 km. per uur door een automobilist ter linkerzijde passeren van een over die rijbaan rijdende wielrijder - zoals uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat requirant heeft gedaan - rechtvaardigt niet het verwijt "hoogst roekeloos, onvoorzichtig en onoordeelkundig", omdat de algemene ervaring leert dat een wielrijder een rijbaanbreedte vergt van circa 80 cm. Geen dezer argumenten lijkt mij echter overtuigend voor de juistheid van voormelde grief. Zulks op grond van het navolgende. Uit artikel 25 van de Wegenverkeerswet volgt, dat op een bestuurder van een auto die een op dezelfde rijbaan rijdende wielrijder inhaalt en ter linkerzijde voorbijrijdt onder omstandigheden als waarvan in casu uit de bewijsmiddelen blijkt - met name onder de omstandigheid dat de wielrijder een emmertje aan zijn linkerarm heeft hangen - de plicht rust zich te gedragen in overeenstemming met de bijzondere gevaren welke onder een dergelijke omstandigheid aan het inhalen en ter linkerzijde voorbijrijden van de wielrijder verbonden zijn. Elke bestuurder van een auto die een op dezelfde rijbaan rijdende goed rechts houdende wielrijder gaat inhalen en voorbijrijden dient, wanneer hij - zoals in casu blijkens de gebezigde bewijsmiddelen door requirant gezien is - ziet, dat die wielrijder een emmertje aan zijn linkerarm heeft hangen: 1) bedacht te zijn op de geenszins denkbeeldige kans, dat de wielrijder als gevolg van gemelde omstandigheid op een gegeven moment niet zal weten te voorkomen, dat hij met het door hem bestuurde rijwiel iets naar links komt en daarbij zover van de uiterst rechterzijde van de rechterrijbaan verwijderd raakt, dat hij niet veilig door een auto rijdende op een afstand van 1.50 meter van gemelde uiterst rechterzijde van de rijbaan met een snelheid van 80 à 85 km. per uur kan worden gepasseerd; 2) zijn wijze van rijden daaraan aan te passen en mitsdien bij het inhalend voorbijrijden van zo een wielrijder met een snelheid van 80 à 85 km. per uur voor deze verder naar links uit te wijken dan tot op een afstand van 1.50 meter van de uiterst rechterzijde van de rechterrijbaan. Hieruit volgt dat niettegenstaande de in argument a geopperde mogelijkheid en niet tegenstaande de omstandigheid, dat uit de bewijsmiddelen niet blijkt op welke afstand het slachtoffer zich op het moment der botsing van de uiterst rechterzijde van de door hem bereden rechterrijbaan bevond, het Hof uit de inhoud der gebezigde bewijsmiddelen wel degelijk heeft kunnen afleiden, "dat requirant bij het ter linkerzijde voorbijrijden (van de wielrijder) niet behoorlijk naar links is uitgeweken", zodat de argumenten a en b geen doel treffen, terwijl argument c faalt omdat (ook) daarbij wordt miskend dat het hier een wielrijder betreft die een emmertje aan zijn linkerarm had hangen. Het over een 6,20 meter brede rijbaan op een afstand van 1.50 meter van derzelver uiterst rechterzijde met een snelheid van 80 à 85 km per uur door een automobilist ter linkerzijde passeren van een over die rijbaan rijdende wielrijder, die - zichtbaar voor het overige verkeer en zoals door de automobilist ook tevoren is waargenomen - aan zijn linkerarm een emmertje heeft hangen, laat zich m.i. zeker aanmerken als een "hoogst roekeloze, onvoorzichtige en onoordeelkundige" gedraging. Dit zo zijnde kan het tweede cassatiemiddel - ook voorzover daarmede op grond van de hiervoren aangehaalde argumenten tevens betoogd wil zijn dat de bewezenverklaarde schuld niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid - requirant m.i. niet baten. De in het slot van het tweede middel met de woorden "zijnde in ieder geval de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen omkleed" tot uiting gebrachte klacht faalt m.i. eveneens, omdat, anders dan daarbij, blijkens de daarvan gegeven toelichting, wordt ondersteld, aan het Hof uit de gebezigde bewijsmiddelen wel kan zijn gebleken dat requirant in het onderhavige geval zeer roekeloos, onvoorzichtig en onoordeelkundig is geweest. Het eerste cassatiemiddel voor gegrond houdend heb ik de eer te concluderen dat Uw Raad het aangevallen arrest - behoudens voor wat betreft de daarbij gegeven vrijspraak, waartegen requirant zijn cassatieberoep kennelijk niet heeft willen richten - zal vernietigen en de zaak zal verwijzen naar een aangrenzend Gerechtshof teneinde deze op het bestaande hoger beroep opnieuw te berechten en af te doen. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.