← Nederland

ECLI:NL:PHR:1966:AC4706

S. No. 10.

  1. Zitting 11 november
  2. Mr. Minkenhof. Conclusie inzake: [de man] / [de vrouw]. Edelhoogachtbare Heren, Het middel legt aan Uw Raad twee vragen voor betreffende het verlenen van bijstand bij het maken van huwelijksvoorwaarden door minderjarigen, bedoeld in art. 206 B.W. 1º. Moet de volmacht verleend aan een derde om namens de volmachtgevers (de ouders van de bruidegom) bijstand te verlenen notarieel worden verleden? 2º. Moet deze volmacht de bepalingen van de te maken huwelijksvoorwaarden inhouden? Omtrent de vorm van de bijstand laat de wet zich niet uit. Uit de tekst van art. 206 - bijstand bij het maken daarvan - valt af te leiden, dat medewerking in de handeling is bedoeld en dat nu de notariële akte bestaansvoorwaarde is voor de overeenkomst, de bijstand ook bij deze akte zal moeten plaats hebben; aldus Klaassen-Eggens-Luyten blz.
  3. Volgens de Bruyn echter (Het Nederlands Huwelijksvermogensrecht blz. 396, zie ook Asser-Wiarda blz. 245) doelt art. 206 met "bijstand" op toestemming, die kan worden gegeven door persoonlijk bij de akte van huwelijksvoorwaarden op te treden of door daarin mondeling of schriftelijk te bewilligen buiten de akte om. Oudere schrijvers (Diephuis IV 297, Land-Star Busmann I 221, Opzoomer-Grünebaum I 382) zijn over het algemeen formeel en eisen medewerking in de akte, maar Pitlo- Meyling (I 193) acht schriftelijke toestemming voldoende. Waar aldus noch de wet noch een communis opinio van de schrijvers een bepaalde vorm voor het verlenen van de bijstand voorschrijft, is er geen reden voor de volmacht, waardoor een derde bevoegd wordt om degene die bijstand moet verlenen te vertegenwoordigen, een authentieke akte te vereisen. Ook al zou trouwens voor het verlenen van de bijstand de notariële vorm wel vereist zijn, dan volgt daaruit nog niet dat ook de volmacht diezelfde vorm moet hebben. Deze regel kent ons recht niet. Ik verwijs naar de prae-adviezen van Hijmans van den Bergh en Offerhaus voor de N. J. V. 1938, Asser-van der Grinten blz. 22, en naar de toelichting van Meyers op art. 3.3.2 nieuw B.W. , waar men leest: "Sommige wetgevingen verlangen voor een volmacht tot het verrichten van handelingen, die aan bepaalde vormvereisten moeten voldoen, dezelfde vorm als voor die handelingen. Deze regel is niet opgenomen, daar zij niet aansluit bij de geldende Nederlandse practijk die bevredigend werkt". Ook Luyten, hierboven geciteerd, die voor de bijstand het compareren bij de akte zelf vereist, acht de practijk, die met een onderhandse schriftelijke volmacht genoegen neemt, niet verwerpelijk. De eerste stelling van het cassatiemiddel komt mij dan ook niet gegrond voor. De onderhandse akte van lastgeving, waarom het in deze procedure gaat, is verleend door de ouders van de bruidegom ( thans eiser) aan de vader van de bruid (thans verweerster) en strekt tot het verlenen van bijstand aan thans eiser bij het maken van huwelijksvoorwaarden terzake van zijn voorgenomen huwelijk met thans verweerster en "om die huwelijksvoorwaarden vast te stellen op de wijze als hun genoemde zoon wenselijk zal achten". Het tweede onderdeel van het middel oordeelt dit onvoldoende; eiser meent dat de volmacht de verschillende bepalingen der huwelijksvoorwaarden uitdrukkelijk moet behelzen, daar de te verlenen bijstand kennis en goedkeuring van die bepalingen zou omvatten. Ik kan dit vereiste in de wet niet lezen en evenmin lijkt mij de strekking van de wet dit mede te brengen. De bijstand bij het maken van huwelijksvoorwaarden welke art. 206 voorschrijft, heeft ten doel dat de minderjarige niet zonder toestemming van zijn ouders huwelijksvoorwaarden kan maken, maar het voorschrift staat er niet aan in de weg, dat ouders (of anderen wier toestemming tot het huwelijk noodzakelijk is), die om de een of andere reden geen belangstelling voor de inhoud van de huwelijksvoorwaarden hebben hun toestemming geven in een algemene vorm, bijv. zoals hier is gebeurd uitdrukkelijk de vaststelling van de inhoud aan de minderjarige overlaten. Verreweg de meeste Nederlanders trouwen zonder huwelijksvoorwaarden, niet omdat zij de wettelijke gemeenschap van goederen het beste régime achten, maar omdat zij geheel onverschillig staan tegenover een keuze, in de regel omdat zij niets bezitten. Het zou niet reëel zijn het feit te negeren, dat ook vele ouders op dit punt geen bepaalde eigen mening of wensen hebben, maar niettemin uitdrukkelijk goedkeuren, dat hun zoon of dochter huwelijksvoorwaarden maakt zoals hij of zij zal wensen. Art. 206 wil de ouders niet bepaald verplichten zich met dit aspect van het huwelijk van hun kind in te laten, wanneer zij daar geheel neutraal tegenover staan. Het behoort niet tot de opvoeding en zij verzaken hierdoor hun plicht als ouder geenszins. Ik zie derhalve geen bezwaar tegen een volmacht tot het verlenen van bijstand, waarbij zoals in dit geval op duidelijke wijze is uitgedrukt, dat de ouders toestemming geven tot het maken van zodanige huwelijksvoorwaarden als hun zoon zal wenselijk achten. Ik laat hierbij nog in het midden of niet ook een volmacht toelaatbaar is, waarbij de ouder de beoordeling van de huwelijksvoorwaarden volledig aan de gemachtigde overlaat. Het lijkt mij voorshands niet uitgesloten. Ik moge concluderen tot verwerping van het beroep, met veroordeling van de eiser in de kosten op de cassatie gevallen. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.