L. No.10.054 Zitting 24 februari
- Mr. Minkenhof. Conclusie inzake: [eiser] en [eiseres] / [verweerders] Edelhoogachtbare Heren, De in 1936 overleden [erflater] , in algehele gemeenschap van goederen gehuwd met [betrokkene 1] , had zijn echtgenote tot enig erfgenaam benoemd. De vier kinderen deden een beroep op hun wettelijk erfdeel. Bij onherroepelijk geworden vonnis van 24 november 1961 veroordeelde de Rechtbank Groningen op vordering van thans verweerders [betrokkene 1] - sedertdien overleden - en thans eiser [eiser] over te gaan tot scheiding en deling van de nalatenschap van voornoemde [erflater] . Er volgde een proces-verbaal van zwarigheden, waaruit blijkt dat tot de huwelijksgemeenschap en de daarin begrepen nalatenschap in 1936 behoorden twee huizen, gelegen in [plaats] (Duitsland), welke huizen de echtgenote van de erflater, [betrokkene 1] , in 1956 onder beding van kost en inwoning en nog enkele tegenprestaties had verkocht aan haar zoon [eiser] , thans eiser in cassatie. De andere kinderen stelden dat zij, evenals de andere deelgenoten, voor een aandeel gerechtigd waren in de onverdeelde boedel en mitsdien ook in de genoemde onroerende goederen, te taxeren naar hun waarde ten dage van de scheiding en deling. De zoon [eiser] , die tevens zijn moeder [betrokkene 1] vertegenwoordigde, huldigde daarentegen het standpunt, dat de legitimarissen slechts recht hebben op hun aandeel in de ten sterfdage geldende waarde der toen aanwezige baten, verminderd met de schulden. Zij waren dus van mening, dat de onroerende goederen dienden te worden gewaardeerd naar de waarde die zij ten tijde van het overlijden van vader [erflater] , dus in 1936 hadden. Voorts stelden zij, dat de deelgenoten de moeder, [betrokkene 1] , in het feitelijk genot van de onverdeelde boedel hadden gelaten. In de hierop gevolgde zwarighedenprocedure, aangespannen op initiatief van [betrokkene 1] als meest gerede partij, oordeelde het Hof, dat indien [betrokkene 1] de onroerende goederen niet had vervreemd en deze zich nog in de nalatenschap hadden bevonden, voor de berekening van het aan ieder der deelgenoten toekomende de waarde van die goederen ten tijde van de scheiding beslissend zou zijn en dat dit niet anders zou worden indien een of meer der erfgenamen geen goederen in natura zou wensen, doch een uitkering in geld. Volgens het Hof viel geen rechtsgrond aan te wijzen welke tot een andere beslissing zou moeten leiden bijgeval, zoals hier was gebeurd, de mede-erfgenamen van [betrokkene 1] haar het beheer van de goederen hebben overgelaten en zij, zonder toestemming van die mede-erfgenamen, die goederen heeft vervreemd. Van oordeel, dat de bepaling van art. 1123 B.W. analogisch diende te worden toegepast op het onderhavige geval, waarin een van de deelgenoten zonder toestemming van de overige de tot de nalatenschap behorende goederen heeft vervreemd, overwoog het Hof, dat thans verweerders zich terecht op het standpunt stellen dat de goederen moeten worden gewaardeerd naar hun waarde ten tijde van de boedelscheiding en ontzegde het Hof de vordering van de rechtsopvolgers van de inmiddels overleden [betrokkene 1] . Het vijfdelige eerste middel bestrijdt de hierboven weergegeven mening van het Hof betreffende de voor de boedelscheiding aan te nemen waarde der niet meer aanwezige goederen. Het tweede middel waarvan ik de behandeling zou willen laten voorafgaan, betreft een geheel ander onderwerp, nl. een beroep - gedaan bij memorie van antwoord in appel - op verkrijgende verjaring van de bedoelde onroerende goederen door [betrokkene 1] in
- Naar ik meen moet dit middel reeds hierop afstuiten, dat het gaat buiten de zwarigheden zoals deze in het proces-verbaal van de notaris zijn omschreven. Van een beroep op verjaring is daar geen sprake; integendeel, thans eiser [eiser] , die tevens zijn moeder vertegenwoordigde, verklaarde dat de deelgenoten [betrokkene 1] in het feitelijk genot van de onverdeelde boedel hebben gelaten. De rechter mag dit punt dus niet in zijn beoordeling betrekken; hem kan geen verwijt er van gemaakt worden dat hij er over zwijgt. Ik moge verwijzen naar Uw arrest van 4 maart 1966 N.J. 1966 no.
- Overigens merk ik op, dat de verkoop van de goederen aan [eiser] volgens het proces-verbaal van zwarigheden plaats vond in 1956 en niet, zoals het middel stelt in
- Voorts is naar ik meen geen sprake van ondubbelzinnig bezit, wanneer zoals in casu een weduwe met kinderen in het genot van goederen van de gemeenschap, tevens nalatenschap blijft. Dit is immers een zeer gebruikelijke situatie en wijst in het algemeen volstrekt niet op bezit als eigenaar van de weduwe, maar eenvoudig op uitstel van de boedel- scheiding en op piëteit van de kinderen. Het tweede middel acht ik derhalve niet gegrond. In het eerste middel komt het rechtskarakter van de legitieme portie ter sprake. In het bijzonder door een beroep te doen op art. 968 B.W. betogen de eisers, dat het wettelijk erfdeel het resultaat is van een berekening, waarvoor art. 968 de elementen aangeeft en waar slechts een geldsbedrag de uitkomst van kan zijn. Nu moet worden toegegeven dat de berekening van art. 968 moeilijk anders gemaakt kan worden dan door de goederen der nalatenschap, evenals de andere in de bepaling genoemde goederen te schatten en dat daarvoor de waarde ten tijde van het overlijden van de erflater zal moeten worden aangehouden. Daarmede is echter het rechtskarakter van de legitieme nog niet bepaald. Reeds art: 960 B.W. , de legitieme portie definiërende als een gedeelte der goederen, hetwelk aan de bij de wet geroepen erfgenamen in de rechte lijn wordt toegekend en waarover de overledene niet heeft mogen beschikken wijst er m.i. duidelijk op dat de legitimaris erfgenaam is en dat hij recht heeft op goederen uit de boedel. Heeft de legitimaris zich eenmaal op zijn wettelijk erfdeel beroepen, dan is over dat gedeelte van de nalatenschap niet geldig beschikt en verkrijgt de legitimaris dit als erfgenaam bij versterf. Ook de artt. 971, 972 (teruggave van de onroerende goederen in natura), 973, 976 en 1002 leveren krachtige argumenten voor dit standpunt, dat dan ook in litteratuur en jurisprudentie heersend is. Ik moge verwijzen naar Asser-Meyers-Van der Ploeg blz. 158, Meyers in W.P.N.R. 3635: De invloed der waardeverandering van boedelbestanddelen op de rechten der deelgenoten, in het bijzonder het slot, Diephuis VIII 131, Land III 99 en 105, Klaassen- Eggens- Polak 286; H.R. 17 februari 1944 N.J. 1944 no. 254; anders Suyling-Dubois blz. 455 e.v .. De hier vermelde argumenten komen mij doorslaggevend voor en art. 968 is dunkt mij geen voldoende reden voor een andere beschouwing. Daargelaten dat ik mij voor de berekening van het wettelijk erfdeel ter beantwoording van de vraag of de legitimaris is tekort gedaan moeilijk een andere methode kan denken ligt het voor de hand, dat de wetgever niet aan waardeverandering in de tijd tussen het openvallen der nalatenschap en de boedelscheiding heeft gedacht. De door de erflater uitgesloten legitimaris, die een beroep op zijn legitieme heeft gedaan (zie evengenoemd arrest van 1944) wordt als erfgenaam deelgerechtigd in de goederen der nalatenschap. De gedachte van de steller van het middel, dat het recht van de onterfde legitimaris zou zijn gefixeerd naar de datum van het openvallen der nalatenschap acht ik niet te aanvaarden. De onaanvaardbaarheid van dit standpunt blijkt al heel duidelijk, wanneer men zich voorstelt dat de waarde van de goederen tussen de sterfdatum en de dag der boedelscheiding zou zijn achteruitgegaan; dan zou de onterfde legitimaris een groter gedeelte van de nalatenschap toevallen ten nadele van de overige erfgenamen. Dat wordt dan een "ware loterij met nieten en prijzen" (Meyers W.P.N. R. 3635). Dat ten aanzien van de onterfde legitimaris de goederen der nalatenschap moeten worden gewaardeerd naar het tijdstip van het openvallen der nalatenschap (onderdeel 1), dat hij geen erfgenaam is (onderdeel 2) en evenmin deelgenoot bij de scheiding en deling (onderdeel 3) is dus naar mijn mening niet juist. Bovendien gaat de stelling van onderdeel 2 (thans verweerders zijn geen erfgenamen) evenals het tweede middel buiten het proces-verbaal van zwarigheden, waar onder "comparanten gaven vooraf te kennen" wordt vermeld voor welke fracties [betrokkene 1] en de kinderen en kleinkinderen [erflater] in de nalatenschap van vader [erflater] zijn gerechtigd. De stelling dat de kinderen [erflater] geen deelgenoten zijn is m.i. in strijd met het tussen partijen onherroepelijk geworden vonnis tot boedelscheiding. In de eerste drie onderdelen is de omstandigheid dat de goederen ten tijde van de boedelscheiding niet meer in de boedel aanwezig waren buiten beschouwing gelaten. Met dit aspect houden de eisers zich in het vierde onderdeel bezig. Als ik het goed begrijp dan bedoelen de eisers niet, dat het feit dat de goederen niet meer in de boedel zijn zonder meer tengevolge heeft dat zij bij een boedelscheiding niet meer in aanmerking komen; "waar niet is verliest de keizer zijn recht". Zij gaan er blijkbaar van uit - ik leid dit vooral af uit de mondelinge toelichting - en dit lijkt mij ook de bedoeling van het Hof, dat voor de verdwenen goederen een vordering tot schadevergoeding in de plaats komt ten laste van degenen die voor de verdwijning aansprakelijk zijn. De vraag is nu echter naar welk tijdstip de schade dient te worden berekend. Volgens het Hof naar de dag van de scheiding. Indien de goederen niet zonder toestemming van de mede-erfgenamen waren vervreemd zouden zij in de boedel gebleven zijn en volgens art. 1123 B.W. naar de dag van de scheiding gewaardeerd zijn. Als alternatief noemt de geachte pleiter voor verweerder nog - behalve de waarde ten tijde van het overlijden van de erflater [erflater] , welk tijdstip, naar uit het bovenstaande voortvloeit, volgens mij niet in aanmerking komt - de waarde op de dag waarop de goederen zijn vervreemd. Hij beroept zich hiervoor op het beginsel van de zgn. abstracte schadeberekening, naar mij voorkomt ten onrechte. Volgens deze leer van de abstracte schadeberekening geldt als schade (tenminste) de waarde waarmede het vermogen van de benadeelde is verminderd zonder dat met de concrete de benadeelde betreffende omstandigheden wordt rekening gehouden (zie o.m. Drion Onrechtmatige daad II 1 d, Hofmann-Drion blz. 137, H.R. 18 november 1937 N.J. 1938 no. 269 met noot E. M.M. , 15 januari 1965 N.J. 1965 no. 197 noot G.J.S. Ars Aequi 1964/65 blz. 269 noot Van der Grinten). Daar gaat het in ons geval echter niet om. Als maatstaf voor de schadeberekening dient hier naar mijn mening te gelden, dat de benadeelde in dezelfde positie moet worden gebracht waarin hij zonder de schadebrengende daad zou hebben verkeerd (zie Uw arrest van 15 januari 1965 N.J. 1965 no. 174, Meyers W. P.N.R. 2832, Asser- Rutten III 2 blz. 477; vgl. de Page III no.
- In deze zelfde positie komen de erfgenamen alleen door hetzij terugkeer van de vervreemde goederen in natura, hetzij de waarde ten tijde van de boedelscheiding: Uiteraard zou, indien de boedelscheiding zou worden vertraagd door toedoen van de benadeelde erfgenamen en de waarde van de goederen zou stijgen daarmede rekening moeten worden gehouden, maar dat is hier niet aan de orde. Ik merk nog op, dat wanneer een ander tijdstip van waardering wordt gekozen dit een door niets gerechtvaardigd voordeel oplevert voor de erfgenaam die het vervreemde goed nog in zijn bezit heeft. Hij kan immers ook het goed zelf in de boedel terugbrengen. Zou nu de waarde ten tijde van de vervreemding als de schade gelden, dan zou hij de keuze hebben wat voor hem het voordeligst uitkwam en aldus kunnen speculeren op kosten van zijn mede-erfgenamen. Ook het vierde onderdeel komt mij derhalve niet gegrond voor evenmin als de motiveringsklacht van het vijfde. Ik heb de eer te concluderen tot verwerping van het beroep met veroordeling van de eisers in de op de cassatie gevallen kosten. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,
🔗 Naar officiële bron
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.