L. Nr. 64017 Zitting 10 juli 1967. Mr. Minkenhof. Conclusie inzake: [rekwirant]. Edelhoogachtbare Heren, Het cassatiemiddel is gericht tegen een gedeelte van de strafmotivering, luidende: "dat blijkens het in het vonnis vermelde deskundigenrapport de beklaagde slechts in geringe mate toerekeningsvatbaar is zodat, indien uitsluitend op de schuld van beklaagde zou worden gelet, een langdurige gevangenisstraf niet gerechtvaardigd zou zijn". Hier zou, volgens het middel, het Hof van Justitie gehandeld hebben in strijd met het "niet meer straf dan schuld" principe. Blijkens de toelichting bedoelt de steller van het middel, dat geen straf mag worden opgelegd die zwaarder is dan door de schuld van de dader wordt gerechtvaardigd. Hij acht dit, als ik het goed begrijp, een uitvloeisel van het beginsel: geen straf zonder schuld. Naar mij echter wil voorkomen worden hier toch ongelijksoortige zaken met elkander vergeleken. Dat er van straf geen sprake kan zijn, wanneer iedere vorm van schuld ontbreekt brengt nog niet mede, dat de strafmaat uitsluitend door de schuld wordt bepaald en ook niet dat een straf die zwaarder is dan door de schuld wordt gerechtvaardigd (gedeeltelijk) straf is zonder schuld. Wanneer eenmaal schuld is vastgesteld, zij het door sterk verminderde toerekeningsvatbaarheid een relatief geringe mate van schuld, dan komen voor de bepaling van de strafmaat ook andere factoren in aanmerking, in het bijzonder de beveiliging van de maatschappij tegen herhaling, in verband met de gevaarlijkheid van de dader en de ernst van het gepleegde feit. Dit is uiteraard in versterkte mate het geval wanneer andere mogelijkheden tot beveiliging van de maatschappij ontbreken. Ongetwijfeld wordt het rechtsgevoel meer bevredigd wanneer genoemde beveiliging kan worden bereikt door verpleging van de dader in een asyl, zodat het in de vorm van straf toegebrachte leed beperkt kan blijven en in een redelijke evenredigheid staat tot de mate van schuldverwijt, dat de dader treft. Waar deze mogelijkheid niet aanwezig is - er is in de Nederlandse Antillen geen psychopatenasyl en terbeschikkingstelling van de regering is dus niet mogelijk - is het opleggen van een straf, welke in zwaarte ongeëvenredigd is aan de schuld m.i. niet in strijd met het recht. De strafoplegging kan dus mede door deze motivering gerechtvaardigd worden (zie H.R. 25 februari 1947 N.J. 1947 no. 161 noot Pompe). Ik merk nog op, dat ook het Nederlandse strafrecht toen hier te lande nog geen bijzondere behandeling van niet volledig toerekeningsvatbaren mogelijk was met dezelfde moeilijkheden heeft geworsteld. Zie Rechtbank Almelo 16 november 1920 N.J.1920 blz. 1182, vernietigd door Hof Arnhem 10 februari 1921 N.J. 1921 blz. 473; Rechtbank Amsterdam 18 februari 1921 N.J. 1921 blz. 373 en de noten van T(averne) onder de laatstgenoemde beslissingen, die echter ook opmerkt: - "al kan helaas ook een schuldstrafrecht niet steeds uitkomen met een strafmaat, die evenredig is aan de mate van schuld-". De psychopatenwetten hebben niet de volledige oplossing van de problemen gebracht. Bij zeer gevaarlijke delinquenten (H.R. 10 september 1957 N.J. 1958 no.5, Rechtbank Zutphen 23 oktober 1964 N.J. 1966 no. 19) neemt de rechter ook nu nog wel zijn toevlucht tot langdurige gevangenisstraffen in het belang van de veiligheid van de maatschappij. Pompe (noot onder evengemeld arrest) acht dit bedenkelijk en vraagt zich af of in de beslissing nog wel voldoende met het schuldkarakter van ons strafrecht is rekening gehouden, gegeven de verminderde toerekenbaarheid van de verdachte. Hoe dit voor ons strafrecht zij, in de Nederlandse Antillen, waar geen psychopatenwetten gelden, mag naar mijn mening aan de schuld niet die alles overheersende positie worden toegekend bij het bepalen van de straf. Ik moge tot verwerping van het beroep concluderen. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.