K. No. 10.010 Zitting 19 januari 1967. Mr. van Oosten. Conclusie inzake : DE OUD-KATHOLIEKE GEMEENTE VAN DE HH. PETRUS EN PAULUS GENAAMD "HET PARADIJS" c.S. contra [verweerder] c.s. Edelhoogachtbare Heren, De Rechtbank is in de rechtsoverwegingen XIII e.v. van haar vonnis van 15 mei 1962 (verder te noemen: het vonnis) uitgegaan van "het bestaan" van een rechtspersoon, gevormd door de armbezorgers van de gemeente (ook door haar, de Rechtbank, aangeduid als "het Paradijs") en van alle door hen, die armbezorgers, geadministreerde fondsen. In r.o. XII van het vonnis stelt de Rechtbank vast dat de rechtspersoon, van welker "bestaan" zij uitgaat in r.o. XIII e.v., zich bezig hield met de zorg voor de armen van de gemeente, genaamd "het Paradijs", daaronder begrepen de exploitatie van de "St. Jansplaats", d.i. de exploitatie van het arm- en weeshuis "Sint Jansplaats". Als oorsprong van dit arm- en weeshuis wees zij aan, de in r.o. I, al. 10, van het vonnis vermelde gift van de eigendom van zes onroerende goederen "aen de Armbesorgers van de Roomse armen van de kerk op het Slikvaert genaemt het Paradijs .... ten behoeven van derselver armen". Noch vóór, noch nà de invoering van de wetgeving van 1838 bestond, r.o. XI, al. 5, van het vonnis, een afzonderlijk vermogen ten behoeve van het arm- en weeshuis "Sint Jansplaats", zodat reeds daarom, volgens de Rechtbank, r.o. XI, al. 5, niet kan worden aangenomen dat deze inrichting een rechtspersoon was, "als zodanig bestaande naast de rechtspersoon, gevormd door de armbezorgers met de armenfondsen". In r.o. XII van het vonnis overweegt de Rechtbank dat, naar tussen partijen vaststaat, de armbezorgers in de loop van de 19e eeuw steeds meer "Regenten van Sint Jansplaats" werden genoemd. Zij duidt de rechtspersoon, van welker "bestaan" zij in r.o. XIII e. v. van het vonnis uitgaat, aan als "St. Jansplaats" en het bestuur dezer rechtspersoon als "armbezorgers/regenten". Deze terminologie is m.i, overgenomen in de memorie van grieven en in het bestreden arrest. Ik zal haar ook in deze conclusie bezigen. In de memorie van grieven is "het bestaan" van de rechtspersoon, waarvan de Rechtbank in de rechtsoverwegingen XIII e.v. van haar vonnis is uitgegaan, niet betwist. Wel is daarin bestreden dat deze rechtspersoon gevormd werd door "de armbezorgers en alle door hen gevormde fondsen". Het Hof heeft hieromtrent overwogen: "Aan appellanten kan worden toegegeven dat de term "gevormd" wellicht tot misverstand aanleiding zou kunnen geven. Intussen kan deze grief op zichzelf niet tot vernietiging van het vonnis en toewijzing van enige vordering van één der appellanten leiden, nu appellanten er in hoger beroep van uitgaan, dat Sint Jansplaats een van het Paradijs te onderscheiden rechtspersoon is en de vorderingen van appellanten voorzover gehandhaafd gebaseerd zijn op het feit dat de Aartsbisschop van Utrecht in de plaats en met terzijdestelling van geïntimeerden bestuurders (Regenten) van Sint Jansplaats heeft aangesteld, zodat de vorderingen alleen toewijsbaar kunnen zijn, indien genoemde Aartsbisschop hiertoe bevoegd was, welke door de Rechtbank niet aanwezig geachte bevoegdheid niet voortvloeit uit het door appellanten bij deze grief betoogde". Deze overweging, r.o. 1, is in cassatie niet aangevochten. Derhalve moet er in cassatie van worden uitgegaan:
(1)dat de eis van appellanten, nu eisers tot cassatie, voorzover gehandhaafd, gebaseerd is op het feit dat de Aartsbisschop van Utrecht in de plaats en met terzijdestelling van [verweerder 1] , [verweerder 2] en [verweerder 3] , de oorspronkelijke gedaagden, "bestuurders (Regenten) van Sint Jansplaats heeft aangesteld", en
(2)dat de eis alleen toewijsbaar kan zijn indien Z.H.E. niet bevoegd was bestuurdersregenten van "Sint Jansplaats" aan te stellen, in de plaats en met terzijdestelling van [verweerder 1] c.s. Naar ik meen, vat het Hof in r.o. 1 van het aangevallen arrest de inleidende dagvaarding aldus op dat de eis, "voorzover gehandhaafd", is gebaseerd op het feit dat de Aartsbisschop de Heren [armmeester 1] , [armmeester 2] , [armmeester 3] en [armmeester 4] heeft aangesteld als bestuurders van "Sint Jansplaats ", zulks in de plaats van [verweerder 1] c.s. als bestuurders van " Sint Jansplaats". En wanneer, zoals het Hof heeft overwogen, de toewijsbaarheid van de eis, "voorzover gehandhaafd", - en dus de uitslag van dit geding - , uitsluitend hiervan afhangt of de Aartsbisschop bevoegd was de Heren [armmeester 1] , [armmeester 2] , [armmeester 3] en [armmeester 4] aan te stellen "als bestuurders van ""Sint Jansplaats"", dan is in dit geding, ook in cassatie, alleen beslissend of de Aartsbisschop daartoe bevoegd was. Het Hof, in r.o. 1 van het bestreden arrest, overwegende dat de Rechtbank de Aartsbisschop niet bevoegd heeft geacht in de plaats en met terzijdestelling van [verweerder 1] c.s. bestuurders (Regenten) van Sint Jansplaats aan te stellen, heeft kennelijk het oog op r.o. XXVII van het vonnis, waarin de Rechtbank komt tot de conclusie, "dat de Aartsbisschop gedaagden als armbezorgers/regenten van Sint Jansplaats niet rechtsgeldig heeft kunnen ter zijde stellen of ontslaan, en ook niet rechtsgeldig nieuwe regenten van Sint Jansplaats heeft kunnen benoemen". "In deze omstandigheden", aldus de Rechtbank, moeten alle vorderingen van eiseressen worden afgewezen. Vooral in het licht van deze overweging, r.o. XXVII van het vonnis, is het m.i. duidelijk dat het Hof met de bevoegdheid van de Aartsbisschop, waarvan sprake is in r.o.1 van het aangevallen arrest, bedoelt: de bevoegdheid van de Aartsbisschop om [verweerder 1] c.s. als bestuurders van de rechtspersoon, van welker bestaan de Rechtbank in r.o. XIII e.v. van het vonnis uitgaat en door haar als "Sint Jansplaats" aangeduid, ter zijde te stellen, en de Heren [armmeester 1] , [armmeester 2] , [armmeester 3] en [armmeester 4] in hun plaats aan te stellen als bestuurders van deze rechtspersoon. In r.o. 21, in fine, van zijn arrest overweegt het Hof dat de vorderingen van appellanten zijn gebaseerd op de vervanging van de bestuurders van "Sint Jansplaats" krachtens het op 15 maart 1948 door de Aartsbisschop van Utrecht en door de Bisschoppen van Haarlem en Deventer vastgestelde en op 15 mei 1948 in werking getreden reglement voor de Oud-Katholieke Parochiën, en, voorts, dat niet gebleken is dat het op "Sint Jansplaats" of haar bestuurders q.q. van toepassing is. Ook deze beslissingen zijn in cassatie niet aangetast. Hangt nu de toewijsbaarheid van de vorderingen uitsluitend ervan af of de Aartsbisschop op grond van het Reglement van 1948 bevoegd was [verweerder 1] c.s. als bestuurders van "Sint Jansplaats" te vervangen, d.w.z. ter zijde te stellen en in hun plaats de Heren [armmeester 1] , [armmeester 2] , [armmeester 3] en [armmeester 4] als bestuurders van "Sint Jansplaats" aan te stellen, dan hangt ook de toewijsbaarheid van het petitum onder I er uitsluitend van af of de Aartsbisschop daartoe bevoegd was op grond van het Reglement van 1948, onder welks vigueur die vervanging heeft plaats gehad. Inderdaad onderscheidt het Hof in het aangevallen arrest tussen het kerkelijke gezag van de Aartsbisschop enerzijds en diens bevoegdheid "bestuursleden te vervangen van een van de kerk en de kerkelijke gemeente te onderscheiden rechtspersoon of voor deze rechtspersoon naar burgerlijk recht bindende regelen vast te stellen" en verbindt het daarnaast gevolgen aan het moreel en kerkelijk gezag van de Aartsbisschop. Het Hof gewaagt van dit onderscheid en releveert het in r.o. 2, alinea's 2, 3 en 4, r.o. 3, r.o. 4, r.o. 8, al. 2, r.o.10 en r.o. 11. In het kerkrecht wordt van ouds onderscheiden tussen het gezag in spiritualibus en datin temporalibus, welk onderscheid hiermede verband houdt dat met name de Rooms-Katholieke Kerk zich te allen tijde niet alleen met de geestelijke belangen (de spiritualia), maar ook wat met stoffelijke goederen (de temporalia), nodig om de geestelijke belangen te dienen, heeft ingelaten. Van Espen, waarop eisers zich beroepen hebben, vermeldt de "cura spiritualis" in Jus eccl. univers. p. I, tit. III, c.I, n.3: "in singulis parochiis datus fuit presbyter, qui totius parochiae curam spiritualem ageret, qui propterea parochus seu presbyter parochianus dicebatur". Het is m.i. duidelijk dat het Hof, gewagende van het kerkelijke en het morele gezag van de Aartsbisschop daarmede diens gezag in spiritual ibus op het oog heeft gehad, in tegenstelling tot diens gezag in temporalibus, en dat het Hof, m.i. terecht, tot de temporalia heeft gerekend het ingrijpen in het bestuur van een van de plaatselijke en kerkelijke gemeente te onderscheiden rechtspersoon en de regeling van het bestuur van zulk een rechtspersoon. Neemt men deze bekende tegenstelling tussen de spiritualia en de temporalia in aanmerking, dan is het m.i. duidelijk en begrijpelijk welke betekenis het Hof hecht aan het kerkelijke en morele gezag van de Aartsbisschop, weshalve de motiveringsklacht, geuit in middel I, m.i. geen doel treft. Het komt mij voor dat de verzorging van de armen van "Het Paradijs" een aangelegenheid is welke tot de temporalia gerekend moet worden. Middel II wraakt, als onjuist of onbegrijpelijk, het in r.o. 4 van het bestreden arrest uitgesproken oordeel, dat uit de inschrijvingen krachtens de Armenwet 1854 niets valt af te leiden omtrent de bevoegdheid bestuursleden te vervangen of regelen te stellen. Het oordeel dat een bevoegdheid van de Aartsbisschop om bestuursleden te vervangen of regelen te stellen niet valt af te leiden uit inschrijvingen krachtens de Armenwet van 1854, is in cassatie onaantastbaar en wordt derhalve vruchteloos bestreden. De aan het slot van middel II aan de memorie van grieven (p. 24/25) ontleende uitlating is m.i. geen zelfstandige grief, waaromtrent het Hof moest beslissen. Daarenboven doet het er voor de beantwoording der vraag of de Aartsbisschop op grond van het Reglement van 1948 bevoegd was [verweerder 1] c.s. als bestuurders van "Sint Jansplaats" ter zijde te stellen en de Heren [armmeester 1] , [armmeester 2] , [armmeester 3] en [armmeester 4] in hun plaats aan te stellen als bestuurders van "Sint Jansplaats", niet toe of, armbezorgers/regenten in 1855 ervan zijn uitgegaan, "dat de armbezorgers/regenten - in ieder geval: alstoen - tot de organisatie van de kerk van Utrecht behoorden en als zodanig aan het gezag van de Aartsbisschop waren onderworpen", weshalve eisers bij deze klacht m.i. geen belang hebben. Ter ondersteuning van middel III wordt gesteld dat "van gebondenheid van Sint Jansplaats en/of haar bestuurders aan de wetgevende bevoegdheid van de Aartsbisschop en/of door hem uit te vaardigen reglementen, niet slechts sprake is of kan zijn, indien Sint Jansplaats en/of haar bestuurders zich aan de wetgevende bevoegdheid van de Aartsbisschop of de kerkelijke armwetgeving hebben onderworpen, doch reeds indien zij deze hebben erkend en/of aanvaard". Maar, al zou(den) de rechtspersoon "Sint Jansplaats" en/of haar bestuurders, gebonden zijn aan de wetgevende bevoegdheid van de Aartsbisschop en/of aan door de Aartsbisschop uit te vaardigen reglementen, hetzij van rechtswege, hetzij door onderwerping hetzij door erkenning of aanvaarding, dan is daardoor niet beslist of de Aartsbisschop op grond van het op 15 maart 1948 door het Episcopaat vastgestelde Reglement voor de Oud-Katholieke Parochiën bevoegd was [armmeester 1] , [armmeester 2] , [armmeester 3] , en [armmeester 4] aan te stellen als bestuurders van "Sint Jansplaats", zulks in de plaats van de oorspronkelijke gedaagden: [verweerder 1] , [verweerder 2] en [verweerder 3] als bestuurders van "Sint Jansplaats", Immers, als het Reglement van 1948 niet van toepassing is op "Sint Jansplaats" en/of haar bestuurders, dan kon de Aartsbisschop aan dit Reglement niet de bevoegdheid ontlenen [verweerder 1] c.s. als bestuurders van "Sint Jansplaats" ter zijde te stellen en anderen in hun plaats aan te stellen. Daarom is, voor de beantwoording der vraag, of de Aartsbisschop bevoegd was tot het verrichten dier handelingen, irrelevant of "Sint Jansplaats" en/of de bestuurders der aldus aangeduide rechtspersoon, hetzij van rechtswege hetzij door onderwerping, erkenning of aanvaarding, gebonden waren aan de wetgevende bevoegdheid van de Aartsbisschop en/of aan door Z. H.E. uit te vaardigen, daargelaten nog of men wel gebonden kan zijn aan eens anders bevoegdheid of aan nog uit te vaardigen reglementen. Om dezelfde reden behoefde het Hof de vraag naar die gebondenheid niet te beantwoorden, en kan worden daargelaten of het Hof had moeten uitgaan "van de kerkelijke, kerkrechtelijke en/of canoniekrechtelijke verhoudingen die voor en na 1795 bestonden tussen een doelvermogen als Sint Jansplaats en de Oud-Katholieke kerk". En om diezelfde reden kan in het midden worden gelaten of "de bestuurders van Sint Jansplaats in de jaren 1855-1861 hebben gemeend, dat het door de Aartsbisschop uitgevaardigde algemeen reglement ook op de rechtspersoon Sint Jansplaats toepasselijk was en dat zij derhalve aan dit reglement waren gebonden", of het Hof "een met het recht strijdig kriterium voor de beantwoording van de vraag naar de bedoelde gebondenheid heeft gebezigd", of het Hof, bij de beantwoording der vraag naar de hier bedoelde gebondenheid, zou hebben nagelaten "de gebeurtenissen rond het reglement van 1855, als omschreven in RO 9, in verband te brengen met de inschrijvingen krachtens de Armenwet 1854 en de daarbij gevoerde correspondentie, als omschreven in r.o. 4", en, tenslotte, of het Hof zou hebben nagelaten "de uit 1869 t/m 1881 daterende brieven van de Aartsbisschop c.q. het gemeentebestuur, als bedoeld in RO 13, alsmede de brief van 14 juni 1910, als bedoeld in RO 14, en de brief van 13 januari 1913, als bedoeld in RO 15, en de brief van 9 februari 1920, als bedoeld in RO 16, in onderling verband en samenhang met de gebeurtenissen rond het reglement van 1855 on de inschrijvingen krachtens de Armenwet 1854 en de daarbij gevoerde correspondentie te bezien". En mede om dezelfde redenen hebben de eisers m.i. geen belang bij de in middel III geuite motiveringsklachten welke, telkens subsidiair, onderscheidenlijk tegen de rechtsoverwegingen 10 en 11 van het bestreden arrest en tegen de beslissing, vervat in r.o. 14, van 's Hofs arrest zijn ingebracht. Middel IV mist in zijn geheel feitelijke grondslag: in eerste aanleg hebben de eisers gevorderd, in het petitum der dagvaarding onder I, voor recht te verklaren "dat het Armbestuur van de Parochie tevens College van Regenten van Sint Jansplaats sedert 1 december 1957 uitsluitend wordt gevormd door de pastoor [pastoor] en de armmeesters [armmeester 1] , [armmeester 2] , [armmeester 3] en [armmeester 4] , allen voornoemde", en niet dat - zoals in de cassatiedagvaarding wordt gesteld - het Armbestuur der Parochie sinds 1 december 1957 uitsluitend wordt gevormd door de pastoor [pastoor] en de armmeesters [armmeester 1] , [armmeester 2] , [armmeester 3] en [armmeester 4] . Zij hebben dit laatste evenmin, ook niet in appel, subsidiair gevorderd voor het geval de eis tot verklaring voor recht, als in het petitum onder I geformuleerd, niet toewijsbaar zou worden geacht. In appel hebben eisers géén wijziging verzocht van het petitum der introductieve dagvaarding onder I. Heeft de stelling, vervat in al. 2 van appelgrief V, onder b, een subsidiair karakter, en zou men oordelen dat eisers, als appellanten, het petitum onder I hadden moeten wijzigen en bij deze subsidiaire stelling hadden moeten doen aansluiten, dan zou uit H.R. 17 dec. 1965, R.v.d.W. 1966, no 1, p. 8, wellicht kunnen worden afgeleid dat het Hof niet behoefde te beslissen over onderdeel B van appelgrief V. Geen der voorgestelde middelen gegrond achtende om de hierboven uiteengezette redenen concludeer ik tot verwerping van het cassatieberoep en tot veroordeling van de oorspronkelijke eiseres onder A in de kosten, welke aan de zijde der verweerders op de voorziening in cassatie zijn gevallen. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,