L. Nr. 66684 Zitting 5 december 1972. Mr. Kist. Conclusie inzake: [de opgeëiste persoon]. Edelhoogachtbare Heren, De Rechtbank heeft de gevraagde uitlevering ontoelaatbaar verklaard op grond van de volgende overwegingen: "Overwegende thans met betrekking tot de vraag of voldaan is aan de voorwaarden voor uitlevering zoals deze zijn opgesomd in Hoofdstuk II van de Uitleveringswet en artikelen 2 en volgende van genoemd Verdrag: dat, zo al voor de feiten, waaraan de opgeëiste persoon vermoed wordt zich te hebben schuldig gemaakt, naar het recht van het Koninkrijk Zweden een vrijheidstraf van langere duur dan een jaar kan worden opgelegd, hetgeen de Rechtbank aanneemt op grond van de inhoud van de hierboven onder b. en c. gemelde stukken, in ieder geval niet gezegd kan worden, dat voor die feiten naar Nederlands recht een vrijheidstraf van een jaar of van langere duur kan worden opgelegd, zodat, nu immers niet voldaan is aan het vereiste, neergelegd in artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a. van de Uitleveringswet, reeds daarom het verzoek tot uitlevering van de opgeëiste persoon niet voor inwilliging vatbaar is; Overwegende dienaangaande nader, dat de feiten als in voorgaande overweging gemeld, blijkens de inhoud van het hiervoor onder b. gemeld stuk, zijn gepleegd in een periode gelegen vóór het tijdstip van de in dat stuk vervatte beslissing, zijnde 19 januari 1970, derhalve op een tijdstip, waarop het hieronder te melden Besluit van de Minister van Volksgezondheid en Milieuhygiene nog niet was genomen; Overwegende, dat eerst sedert 20 juni 1972, de dag van de inwerkingtreding van de In- en Uitvoerbeschikking Amfetaminen 1972 (Nederlandse Staatscourant 19 juni 1972, nr. 116 bladzijde 3) met toepassing voorts van artikel 7 van de In- en Uitvoerwet en van de artikelen 1, 2 en 6 van de Wet op de Economische Delicten, op soortgelijke delicten, uiteraard slechts voorzover gepleegd na het tijdstip van die inwerkingtreding, naar Nederlands recht een vrijheidstraf van een jaar of van langere duur kan worden opgelegd, zodat zulks met betrekking tot de feiten, terzake waarvan thans de uitlevering verzocht wordt, niet het geval is." De Heer Rekwirant komt op tegen de beslissing van de Rechtbank stellende (heel kort samengevat) dat de door de Rechtbank gehuldigde opvatting onjuist is en dat aan de eis van de dubbele strafbaarheid is voldaan indien het feit naar aanleiding waarvan de uitlevering wordt gevraagd strafbaar is op het tijdstip waarop het verzoek tot uitlevering wordt gedaan. Dit standpunt van de Heer Rekwirant wordt door hem uitvoerig gemotiveerd. Ik kan mij met de stelling van de Heer Rekwirant dat de door de Rechtbank gehuldigde opvatting onjuist is en de daarvoor gegeven motivering zeer wel verenigen en meen mij in hoofdzaak bij zijn opvattingen te kunnen aansluiten. Inderdaad is de door de Rechtbank aangehangen opvatting in artikel 5 Uitleveringswet niet te lezen. Het artikel bepaalt niet meer dan dat "de uitlevering" alleen kan worden toegestaan ten behoeve van een dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een feit waarvoor, zowel naar het recht van de verzoekende Staat als naar dat van Nederland, een vrijheidstraf kan worden opgelegd. In deze bepaling ligt m.i., alleen reeds indien men uitsluitend de tekst van het artikel in aanmerking neemt, besloten dat de dubbele strafbaarheid moet bestaan op het moment van "de uitlevering". Het voorschrift verlangt niet dat de strafbaarheid vóór "de uitlevering" moet hebben bestaan. Maar ook indien men acht slaat op de aard van het instituut van de uitlevering is er m.i. geen aanleiding daarover anders te denken. De uitlevering immers is niet meer dan een vorm van internationale rechtshulp in strafzaken tussen staten die in hoofdzaak dezelfde rechtsbeginselen aanvaarden en die over en weer voldoende vertrouwen kunnen stellen in elkaars strafrechtspleging. Daarbij is een van de waarborgen die een ingrijpen in de persoonlijke vrijheid van de opgeëiste persoon dienen te omgeven de eis van de zgn. dubbele strafbaarheid. "Medewerking aan het handhaven van normen die met de eigen rechtsopvattingen in strijd zijn of waarbij althans een strafsanctie misplaatst wordt geacht, is kwalijk van een Staat te vergen". (M.v.T. Uitleveringswet blz. 11 2e kolom). Maar deze waarborg brengt niet meer mede, dan dat het feit, dat aanleiding heeft gegeven tot de uitlevering, ten tijde van "de uitlevering" strafbaar is. Dan is immers aan de waarborg voldaan. De Rechtbank heeft wellicht gedacht aan artikel 1 Sr. Maar dit artikel speelt in casu geen rol. Het heeft slechts betekenis indien in Nederland een strafvervolging plaats moet vinden. Dat is hier nu juist niet het geval. Het strafrechtelijk onderzoek zal in Zweden plaatsvinden, waar het feit tijdens het plegen daarvan strafbaar was (principe van ons art. 1 Sr.) en onze Minister van Justitie doet niet meer dan hulp aan Zweden verlenen om die berechting te kunnen doen plaats vinden. Die hulp kan de Minister (en ook de Nederlandse rechter die er bij betrokken
- is)verlenen omdat het hier om feiten gaat die (thans) ook naar Nederlands recht strafbaar zijn gesteld. Terecht wijst de Heer Rekwirant voorts tot staving van zijn standpunt op de parlementaire geschiedenis van de Uitleveringswet (M.v.A. blz. 2 linkerkolom). Het is niet aanvaardbaar dat iemand op grond van een opvatting als door de Rechtbank aangehangen als het ware een verkregen recht op niet-uitlevering zou hebben. Al heeft de Regering het thans aan de orde zijnde probleem in geheel de zelfde vorm waarin het zich in deze zaak voordoet niet besproken, dat van een opvatting volgens welke de mogelijkheid van uitlevering zou moeten worden beoordeeld naar het recht zoals het gold ten tijde van het plegen van het delict geen sprake kan zijn, heeft de Regering m.i. zeer overtuigend uiteengezet in het door de Officier van Justitie geciteerde stuk van de M.v.A. Toch is het vraagstuk m.i. nog iets gecompliceerder dan de Heer Rekwirant het voorstelt. Wat is nl. "de uitlevering" bedoeld in artikel 5 van de Uitleveringswet? En wat is het tijdstip van "de uitlevering"? Het middel spreekt van het tijdstip van het verzoek tot uitlevering. Is dit het beslissende moment? Men zou kunnen stellen dat er behalve het in het middel voorgestane voor de dubbele strafbaarheid beslissende tijdstip nog enige andere tijdstippen in aanmerking komen: nl. dat waarop de betrokkene het laatst het land is binnengekomen en dat waarop zijn (in)vrijheidsbeneming heeft plaatsgevonden die ten tijde van de beslissing over de uitlevering nog voortduurt. Van het eerste is m.i. niet veel te zeggen; het zal trouwens dikwijls niet vast te stellen zijn. Het laatste daarentegen is misschien wel het meest redelijke, want het is denkbaar dat iemand bij de invoering van de Nederlandse strafbaarstelling Nederland zou hebben willen verlaten, maar daarin door zijn vrijheidsbeneming wordt verhinderd, en dan is uitlevering m.i. niet geheel in de geest van het stelsel van de dubbele strafbaarheid. Hoe dit ook zij, voor de onderhavige zaak speelt laatstgenoemde opvatting geen rol en in elk geval acht ik het door de Rechtbank gekozen tijdstip van de dubbele strafbaarheid onjuist. De uitspraak van de Rechtbank zal derhalve niet in stand kunnen blijven. Namens gerekwireerde is op 2 november 1972 incidenteel beroep in cassatie ingesteld. Is dit beroep ontvankelijk? Van een aanzegging door de Officier van Justitie van het door hem ingesteld beroep in cassatie blijkt uit het dossier niet. Bij informatie bleek mij dat een dergelijke aanzegging niet heeft plaats gevonden. Mij op het standpunt stellende dat dan ook de termijn van acht dagen genoemd in artikel 434 lid 3 Sv. niet is begonnen te lopen, (bedoeld termijn heeft immers kennelijk de strekking van een eindtermijn, d.w.z. geeft aan tot welke dag nog beroep in cassatie kan worden ingesteld) meen ik dat het incidenteel beroep ontvankelijk kan worden geacht. Namens gerekwireerde nu zijn twee middelen van cassatie voorgesteld. Het eerste stelt dat de Rechtbank haar beslissing mede heeft doen steunen op de overweging dat het verzoek tot uitlevering van rekwirant vergezeld gaat van de in het derde lid van artikel 18 van de Uitleveringswet jo. artikel 12 van het Europees verdrag betreffende uitlevering, gesloten te Parijs op 13 december 1957, vereiste gegevens, terwijl deze gegevens niet voldoen aan de vereisten daaraan gesteld in artikel 18 lid 3 Uitleveringswet, omdat artikel 18 lid 3 sub a verlangt dat wordt overgelegd het origineel of een authentiek afschrift van een door de daartoe bevoegde autoriteit van de verzoekende Staat gegeven bevel tot aanhouding of van een stuk dat dezelfde rechtskracht heeft, een en ander in de vorm voorgeschreven door het recht van die Staat en betrekking hebbende op de feiten waarvoor de uitlevering wordt gevraagd, terwijl in casu is overgelegd een fotocopie van een bevel tot aanhouding van rekwirant, voor eensluidend afschrift getekend door de zaakgelastigde ad interim van Zweden te 's-Gravenhage. De aangevoerde grief lijkt mij niet gegrond. In de eerste plaats stelt het middel niet waarom hier niet van een origineel of een authentiek afschrift van het bevel tot aanhouding zou mogen worden gesproken. Afgezien daarvan kan worden opgemerkt dat een fotocopie (indien althans de valsheid daarvan niet wordt beweerd, hetgeen in casu niet het geval
- is)kan worden gelijkgesteld met het origineel, en dat in elk geval het overgelegde stuk dat door de Chargé d'affaires a.i. is gewaarmerkt, als een authentiek afschrift kan worden beschouwd. In elk geval zijn de nodige waarborgen aanwezig, dat men hier met het krachtens artikel 18 lid 3 sub a vereiste stuk te doen heeft. Dat ook nog door Zweden zou moeten worden gesteld dat in casu naar Zweeds recht sprake is van een authentiek afschrift is een overdreven eis die de wet noch het Verdrag stelt. Vervolgens wordt als grief aangevoerd dat uit de door Zweden overgelegde wetteksten niet duidelijk wordt dat onder "narcotica" ook valt de stof "phenmetraline" welke het voorwerp zou zijn geweest van de handelingen van rekwirant. De tekst van de desbetreffende bepaling is niet overgelegd. Naar aanleiding van deze grief moge ik opmerken dat ik inmiddels in het bezit ben gekomen van een door de Zweedse Regering nader overgelegde Engelse vertaling van de "Narcotics Ordinance" van 14 december 1962 en een daarbij behorende "List of narcotic drugs" waarin "Phenmetraline" wordt vermeld als drug in de zin van die Ordinance, met welke stof kennelijk die drug is bedoeld Waarover wordt gesproken in het Zweedse arrestatiebevel. De bedoelde stukken heb ik aan het dossier toegevoegd. De aangevoerde grief kan hiermede m.i. als vervallen worden beschouwd. Voorts wordt als bezwaar aangevoerd dat de feiten, naar aanleiding waarvan de uitlevering wordt gevraagd, in West-Duitsland zijn gepleegd, terwijl rekwirant van West-Duitse nationaliteit is, en dat alsdan naar Nederlands recht ingevolge artikel 4 Sr. de Nederlandse Strafwet niet op rekwirant toepasselijk zou zijn geweest. Naar mijn oordeel mist deze grief echter feitelijke grondslag, omdat uit de overgelegde bescheiden blijkt, dat de feiten waarover het gaat geheel of gedeeltelijk in Zweden zijn gepleegd. In het arrestatiebevel wordt rekwirant onder meer beschuldigd van het (zelf of door middel van anderen) invoeren (smokkelen) van drugs in Zweden en van het afleveren (zelf of door middel van anderen) daarvan aan verschillende personen in Zweden. Afgezien van het gemis aan feitelijke grondslag van de vermelde grief is het m.i. zeer de vraag of bij het onderzoek naar de vereiste dubbele strafbaarheid ook algemene beperkingen van de omvang van de werkingssfeer der strafwet als die van artikel 4 van ons Wetboek van Strafrecht in aanmerking moeten worden genomen. In de memorie van toelichting op de Uitleveringswet wordt dit met zoveel woorden uitgesloten wat betreft de algemene beperking van artikel 2 Sr. (M.v.T. blz. 11 2e kolom onderaan: "algemene beperkingen van de omvang van de werkingssfeer der strafwet - zoals die van art. 2 ... "). (Vgl. H.R. 30 mei 1972 inzake H.F. Pohlmann no. 66368) . Tenslotte wordt geklaagd dat Zweden geen stukken heeft overgelegd en geen gegevens heeft verstrekt waaruit blijkt van de identiteit van rekwirant. Deze klacht is in zoverre ongegrond dat Zweden geboortedatum, namen en nationaliteit van rekwirant heeft opgegeven. Maar overigens kan worden opgemerkt dat rekwirant ter zitting van de Rechtbank heeft toegegeven de opgeëiste persoon te zijn. Er bestaat derhalve over de identiteit van rekwirant geen enkele twijfel. Middel II berust op een zelfde bezwaar als ten grondslag ligt aan middel I. Nu dit bezwaar vervallen kan worden geacht, ontvalt aan het middel de grondslag. Hoewel de uitspraak van de Rechtbank (althans naar mijn mening) wegens het slagen van het middel van de Heer Rekwirant vernietigd zal dienen te worden en Uw Raad dan zal moeten doen wat de Rechtbank had behoren te doen, meen ik dat een nader verhoor van gerekwireerde niet noodzakelijk is. Voor de Rechtbank hebben gerekwireerde en zijn raadsman de gelegenheid gehad tot het voeren van verweer terwijl ook in cassatie een aantal verweren zijn gevoerd, die, indien Uw Raad mij daarin zou volgen, kunnen worden verworpen. Waar het in deze zaak in cassatie voornamelijk gaat over de te huldigen rechtsopvatting betreffende de dubbele strafbaarheid, meen ik dat Uw Raad zou kunnen volstaan met vernietiging van de bestreden uitspraak en het geven van de juiste beslissing ten aanzien van de toelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering. Ik heb mitsdien de eer te concluderen dat Uw Raad de bestreden uitspraak zal vernietigen, en doende wat de Rechtbank had behoren te doen alsnog de gevraagde uitlevering toelaatbaar zal verklaren. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,