← Nederland

ECLI:NL:PHR:1974:AC5510

V. Nr. 10.

  1. Zitting 17 oktober
  2. Mr. ten Kate. Conclusie inzake: [eiser] tegen [verweerster 1] . Edelhoogachtbare Heren, Op de avond van 7 september 1970 vindt op het kantoor van de firma [verweerster 1] (ged. sub 1 in cassatie) een twistgesprek plaats tussen [eiser] (eiser in cassatie), die sedert 23 juli 1956 als buschauffeur in dienst van genoemde firma was, en de firmant [verweerder 3] (ged. sub 3 in cassatie) en diens vrouw, die voor de firma de kas beheert. Omtrent hetgeen zich tussen partijen afspeelde staat niet veel vast, doch in ieder geval wel dit dat het tussen hen nog al hoog opliep en dat [eiser] op een gegeven moment de woorden sprak: "Ik zal morgen niet meer komen". Deze woorden zijn door [verweerder 3] als een ontslagname opgevat en aanvaard. Dezelfde avond wordt een ontslagbewijs opgemaakt en aan [eiser] over de post toegezonden. [eiser] doet zich nog diezelfde avond ziek melden en tekent bij brief van 12 september 1970 tegen het hem toegezonden ontslagbewijs bezwaar aan, mededelende door ziekte verhinderd geweest te zijn dit eerder te doen. De grond van het protest is dat hij door hetgeen hem op de bewuste avond verweten werd en de wijze waarop dit geschiedde, zozeer overstuur is geraakt dat hij niet meer wist wat hij deed. Bij akte in eerste aanleg zijn bewijsaanbod omschrijvende, verduidelijkt hij dit als volgt: "dat hij ten tijde van de ontslagname op 7 september 1970 dusdanig psychisch gestoord is geweest dat hij niet in staat is geweest zijn wil zelf vrij te bepalen". Partijen [verweerder 2] en [verweerder 3] ontkennen dat zich een zodanige toestand heeft voorgedaan en stellen voorts dat niet geopenbaarde en aan partijen [verweerder 2] en [verweerder 3] onbekende bedoelingen niet in aanmerking kunnen komen doch uitsluitend datgene wat uit de wilsverklaring van [eiser] mocht worden afgeleid, namelijk dat hij ontslag nam. In appel handhaven partijen hun standpunten, waarna [eiser] bij akte zijn bewijsaanbod herhaalt en toevoegt naar aanleiding van het gevoerde verweer dat hij met zijn stelling dat het door hem genomen ontslag niet onherroepelijk was, bedoelt dat het ook aan [verweerder 3] duidelijk is geweest dat het door hem in zwaar overspannen toestand genomen ontslag niet als een weloverwogen en onherroepelijke ontslagname zijnerzijds bedoeld kon zijn. De Rechtbank gaat op deze stelling in en begrijpt deze blijkens haar tussenvonnis aldus dat de stoornis aan [verweerder 3] duidelijk is geweest althans voldoende duidelijk had moeten zijn. De Rechtbank laat [eiser] tot bewijs van zijn zo verstane stellingen toe en overweegt dan in haar eindvonnis: "
  3. Overwegende, dat de rechtbank door de verklaringen van de getuigen [getuige 1] , [getuige 2] en [getuige 3] als gerelateerd in het desbetreffende proces-verbaal, waarvan de inhoud als hier overgenomen wordt beschouwd, in onderlinge samenhang bewezen acht, dat appellant nadat hij de uitlatingen had gedaan waaruit zijn ontslagname moest blijken geheel overstuur was, zoals de getuige [getuige 1] heeft gezegd, hetgeen versterkt wordt door de verklaringen van de zoons van appellant dat appellant toen hij kort daarna thuis was huilde, overstuur was en wartaal sprak; dat de zoons van appellant de scène op het bedrijf van geïntimeerde sub 1 niet hebben meegemaakt doch dat de toestand van appellant kort daarna thuis, welke vaststaat, het vermoeden oplevert, dat appellant tijdens het gesprek op het kantoor in dezelfde gemoedstoestand verkeerde, hetgeen door de verklaring van [getuige 1] wordt bevestigd;
  4. Overwegende echter, dat door die verklaringen, voor zover daaruit zou mogen worden geconcludeerd, dat er sprake was van een psychische stoornis bij appellant zodanig dat hij niet vrij was zijn wil te bepalen op het moment dat hij ontslag nam, niet bewezen is, dat dit op dat moment ook aan geïntimeerde sub 3 duidelijk was of voldoende duidelijk had moeten zijn;
  5. Overwegende, dat het door appellant genomen en door geïntimeerde sub 1 aanvaarde ontslag derhalve niet voor vernietiging in aanmerking komt en de vordering mitsdien aan appellant moet worden ontzegd;". Het beroep in cassatie is tegen deze beslissing en de mede daaraan ten grondslag liggende overwegingen in het tussenvonnis gericht. Alvorens op de middelen in te gaan komt het mij juist voor over deze problematiek eerst iets in het algemeen te zeggen. Onderwerp is dat [eiser] naar het uiterlijk ontslag nam doch in feite op dat ogenblik zijn wil niet kon bepalen - hetgeen in cassatie als vaststaand moet worden aangenomen -, terwijl zijn wederpartij dit laatste niet begreep of behoefde te begrijpen, welk laatste punt de inzet van het cassatieberoep betreft. In de arresten van Uw Raad, betreffende - kort gezegd - afstand van recht, van 15 mei 1959, N.J. 1959 no. 516 (D.J.V.), A.A. 1959-60 p. 238 (J.H.B. ) en H.R. 22 juni 1962, N .J. 1963 no. 3 (D.J.V. ) ligt de gedachte besloten dat het opgewekte vertrouwen de wederpartij - mits zij in dat vertrouwen zich harerzijds een wezenlijk offer heeft getroost - tegen een beroep op nietigheid kan beschermen, zodat van een desondanks geldige rechtshandeling kan worden uitgegaan. In de arresten van 10 februari 1967, N.J. 1967 no. 212 (G.J.S.) en 12 mei 1972 N.J. 1973 no. 53 (K.W.) is dit niet meer met zoveel woorden te lezen. Daar wordt overwogen dat ingeval in strijd met de werkelijkheid het vertrouwen wordt opgewekt dat iemand zijn rechten prijs geeft, de goede trouw onder omstandigheden, zoals indien de wederpartij door hetgeen hij op grond van dat vertrouwen heeft gedaan in een ongunstiger toestand is gekomen dan hij zonder dien zou zijn geweest, de rechthebbende in zijn beroep op dat (naar het uiterlijk prijsgegeven) recht kan beperken. Van een geldige afstand (of wellicht rechtsverwerking) wordt dus niet gesproken. Het resultaat is evenwel dat de rechthebbende practisch aan de door hem gewekte schijn wordt gehouden, althans, zoals Scholten in zijn noot N.J. 1967 no. 212 suggereert, zolang het nadeel niet is opgeheven (zodat deze oplossing parallel zou liggen aan het geval H.R. 11 november 1960 N.J. 1960 no. 599). Het laatste daargelaten, past voormeld resultaat in de gedachte dat in de menselijke verhoudingen of, als men wil, naar de eisen van het rechtsverkeer de inhoud van een tussen twee of meer personen verrichte rechtshandeling - dat er een verklaring was, is onbetwist - in het algemeen niet alleen bepaald wordt door hetgeen de handelende bedoelde doch ook door hetgeen de wederpartij begreep en in de gegeven omstandigheden redelijkerwijs mocht begrijpen. Dit spreekt vooral aan, wanneer het een overeenkomst onder bezwarende titel betreft. Uw Raad overwoog te dien aanzien (H.R. 11 december 1959, N.J. 1960 no. 230 (L.E.H.R. ), A.A. 1959-60 p. 239 (J.H.B.) ): " ..... , terwijl bij de beoordeling van het al dan niet aanwezig zijn van de 'toestemming' in de eerste plaats wordt gelet op de eisen van het rechtsverkeer, welke althans voor overeenkomsten onder bezwarende titel verlangen dat ten aanzien van degene die afgaat op een bij hem gewekte schijn, het daardoor gerechtvaardigde vertrouwen wordt beschermd tegenover hem, die deze opriep". Dicht hierbij ligt het geval door Uw Raad berecht bij H.R. 22 februari 1974, R.v.d.W. no. 34, waarbij een met de overheid gesloten overeenkomst tot vergoeding van bepaalde kosten (niet uit andere hoofde gesubsidieerde kosten van een voogdijvereniging) waarvoor binnen het wettelijke raam geen ruimte bestond, op grond van het door de betrokken overheid opgewekte vertrouwen in stand werd gehouden, zij het met de toevoeging dat zulks mogelijk anders zou zijn geweest indien de wederpartij hierdoor zonder redelijke grond zou zijn bevoordeeld. Aantekening verdient dat naar mijn mening uit dit laatste arrest volgt dat van het verval van de artt. 501 en 502 B.W. (oud), welke met name in het arrest van 1959 (N.J. 1960 no. 230) een belangrijke rol speelden, bij de invoering van Boek I N.B.W. (1 januari 1970) geen wezenlijke wijziging te verwachten is. Vgl. ad art. 1.16.4 = art. 381 Boek I N.B.W .: Toelichting Meijers p. 100 en van Zeben p. 1413,
  6. In casu gaat het om een ontslagname. Zonder enige twijfel is een zodanige rechtshandeling een eenzijdige gerichte ("empfangsbedürftige") rechtshandeling. Vgl. H.R. 17 januari 1969, N.J. 1969 no. 251; van der Grinten "Arbeidsovereenkomstenrecht"

(1971)p. 122-
  1. Hieraan doet niet af, dat de wederpartij daarin heeft toegestemd, ook al is dit van niet te verwaarlozen belang met het oog op art. 1639 o lid 1 B.W. alsmede op het doen vaststaan van de formele geldigheid van het ontslag bij het ontbreken van de toestemming van de directeur van het Gewestelijk Arbeidsbureau. Dit neemt evenwel niet weg dat naar mijn mening in de onderhavige problematiek dit geval iets afstaat van de hierboven eerst gereleveerde rechtspraak van Uw Raad betreffende de opgewekte schijn van afstand van recht, ook al is daarmede dit geval nog niet op één lijn komen te staan met dat betreffende de overeenkomst onder bezwarende titel. In ieder geval verdient reeds hier de aandacht dat bij ontslag, anders dan gemeenlijk bij afstand, rechten en verplichtingen van weerszijden vervallen. Voorts speelt hier nog een ander niet te verwaarlozen verschil. Bij de vraag naar de geldigheid van een in een ogenblik van verstandsverbijstering door de werknemer genomen ontslag wegens door hem daarbij opgewekt vertrouwen is in niet geringe mate zijn belang ook voor zijn persoon en gezin betrokken, redenen waarom onder meer een ontslag naar de algemene regels niet al te licht gegeven kan worden. Trouwens ook voor de werkgever kunnen hier niet geringe belangen op het spel staan. Tegen een dergelijke achtergrond past het m.i. niet dat, processuele moeilijkheden daargelaten, omtrent de al dan niet bestaande mogelijkheid de nietigheid in te roepen niet van stonde af aan zekerheid zou bestaan. In het arbeidsrecht kent de wet daarom ook telkens korte termijnen. Ter verduidelijking veroorloof ik mij een zijstap. Bij de vraag of de borg nadeel heeft geleden doordat door toedoen van de schuldeiser het niet meer mogelijk is dat de borg treedt in de rechten, hypotheken en voorrechten die de schuldeiser had (art. 1885 B.W. ), besliste Uw Raad (H.R. 14 april 1972, N.J. 1972 no. 295 - G.J.S. ) dat voor de beantwoording daarvan de omstandigheden ten tijde van de handeling van de schuldeiser beslissend zijn en daaromtrent niet tot later gewacht kan worden, omdat het niet met de rechtszekerheid strookt gedurende kortere of langere tijd onzekerheid te laten bestaan of de borg door deze benadeling ontslagen is of niet. Ik meen dat in de weliswaar enigszins anders liggende onderhavige rechtsvraag plaats is voor een soortgelijke gedachtengang. Daarin past evenwel de eis van negatief belang niet, voor zover deze afhankelijk is van de omstandigheid of intussen door de wederpartij op het opgewekte vertrouwen is gehandeld of anderszins in haar nadeel is gereageerd. Vgl. Scholten in zijn noot N.J. 1967 no.
  2. Er zij ook op gelet dat deze eis hier door geheel buiten de context staande omstandigheden tot verschillende uitkomsten kan leiden. Men denke b.v. aan een teruglopend bedrijf, waarin de ontslagname eigenlijk als geroepen komt. Vervulling van de vacature zal niet volgen; wellicht wel verkoop van een bus of de annulering van enkele geplande bustochten, indien het - zoals in casu - een busbedrijf betreft. Is het bedrijf bloeiend, dan zal een spoedige voorziening in de lijn liggen, waarbij wellicht van voorlopige hulpkrachten gebruik gemaakt wordt. Men kan zich dan echter afvragen of er sprake is van een uit het opgewekte vertrouwen voortgevloeid nadeel, indien de werknemer wegens ziekte toch niet had kunnen komen; juist in casu niet ondenkbaar. Een rol kan ook spelen of andere gegadigden wel of niet moeilijk te vinden zijn. Te dien aanzien kunnen al kosten zijn gemaakt. Ik meen dat van zodanige, door buiten de kwestie staande oorzaken verschillend werkende, omstandigheden niet dient af te hangen of [eiser] beroep op de nietigheid van het door hem genomen ontslag kan doen dan wel niet. Ter afronding van deze gedachte dien ik op te merken het twijfelachtig te achten dat de acceptatie van de ontslagname met onmiddellijke ingang door [verweerster 1] , waarmee zij beroep op het B.B.A. verloren dat hun wellicht anders mogelijk was geweest doch waaromtrent niets is gesteld of gebleken, reeds op zichzelf als een zodanige handeling zou mogen worden gekwalificeerd. Het komt mij voor dat deze handeling in dit kader van meer formele dan materiele betekenis is. In de voormelde rechtspraak van Uw Raad spelen de goede trouw en de omstandigheden een belangrijke rol. De eis van negatief belang wordt slechts als voorbeeld van de omstandigheden genoemd; aan die eis behoeft dus niet altijd voldaan te zijn. Wellicht is de leidraad van de goede trouw mede afgeleid uit de omstandigheid dat partijen telkens in een of andere rechtsverhouding tot elkaar stonden. In casu, waar het om de beëindiging van een arbeidsverhouding gaat, is dit ook duidelijk het geval. Het mede bepalend zijn van de goede trouw is m.i. dan ook een aantrekkelijke gedachte, Naar ik in verband met het eerder gestelde en in navolging van Boek 3 N.B.W. zou menen, behoort deze goede trouw reeds betrokken te worden in de beantwoording van de vraag of de wederpartij op de verklaring, zoals zij uiterlijk luidde, mocht afgaan dan wel niet. Goede trouw veronderstelt geen lijdelijkheid doch een zekere onderzoekplicht. Vgl. art. 3.1.1.12 N.B.W. Op grond hiervan zegt dan ook de Memorie van Antwoord op Boek 3 N.B.W., p. 49: "dat hij die meent dat jegens hem een verklaring van een bepaalde strekking wordt afgelegd, zich eerder zal hebben af te vragen of zijn voorstelling met de werkelijke bedoelingen van de wederpartij overeenkomt, naar mate de verklaring meer in zijn eigen voordeel en ten nadele van de wederpartij schijnt te strekken". Een gedachte die ook te vinden is in H.R. 22 februari 1974 R.v.d.W. 1974 no.
  3. De aantrekkelijkheid van deze gedachte schuilt hierin dat bij een zodanige afweging alle op het moment van de handeling relevante omstandigheden aan de orde kunnen komen, met name ook de vraag hoe nadelig de omstreden rechtshandeling - de geldigheid verondersteld - voor de handelende partij is (vgl. het daaraan in art. 3.2.2 a lid 1 N.B.W. verbonden vermoeden dat de verklaring onder invloed van de (vaststaande stoornis is gedaan, waarover M.v.A. p. 45 en Toelichting Meijers, p. 183) en of de wederpartij dit wist dan wel moest weten. Dit spreekt juist in het onderhavige geval. [eiser] die veertien jaren in dienst was bij de firma [verweerster 1] , verliest op slag zijn werk, zijn recht op loon, zijn bescherming tegen ontslag met name bij ziekte en geldt voor de sociale verzekering bovendien als vrijwillig werkloos. Als dan zulk een ontslagname valt bij een scene tussen werkgever en werknemer, mag extra voorzichtigheid gevergd worden of dit inderdaad wel bedoeld werd (daarbij komt de omstandigheid dat [eiser] zich nog dezelfde avond ziek heeft doen melden). Voormelde gevolgen zullen immers aan de werkgever, naar aangenomen mag worden, niet onbekend geweest zijn. Via de goede trouw komen aldus alle op het ogenblik van ontslagname relevante omstandigheden in aanmerking, gelijk uit de hiervoor besproken rechtspraak van Uw Raad voortvloeit. Hierin kan ook in belangrijke mate de waarschijnlijk in deze rechtspraak gezochte remedie worden gevonden tegen het bezwaar dat het uit billijkheidsoogpunt niet aangaat iemand op grond van zijn vertrouwen in een jegens hem gewekte schijn te beschermen wanneer uitsluitend sprake is van een door hem verkregen voordeel en zijn vertrouwen niet tot enig tegenover dat voordeel staand nadeel heeft geleid. Men bedenke hierbij dat in de materie van het arbeidsrecht, anders dan in het algemeen bij afstand van recht of rechtsverwerking, waarop Houwing W.P.N.R. 3870 nrs. 11 e.v. destijds zijn stellingen toespitste, de beëindiging van een arbeidsovereenkomst door de werknemer ook voor de werkgever - objectief gezien - veelal eerder per saldo een nadeel dan een voordeel brengt. Dit is eerst anders indien de werkgever wegens gebrek aan werk reeds een ontslaggrond zou hebben gezocht. Immateriële kwesties laat ik hierbij in dit verband buiten beschouwing. Overigens sluit het voorgaande niet uit aan latere gedragingen van ieder der partijen vermoedens te ontlenen omtrent de omstandigheden ten tijde van de omstreden handeling. In een geval als het onderhavige is b.v. te denken aan het weer aanbieden van zijn werk of het zich ziek melden van de zijde van de werknemer of aan het nalaten van het aanvragen van een ontslagvergunning aan de directeur van het Gewestelijk Arbeidsbureau van de zijde van de werkgever, die het ontslag zijnerzijds wenst. Zo blijft er één verschil, namelijk dat een later handelen van de werkgever, die zich op de jegens hem gewekte schijn wil beroepen, en daaruit voor hem voortvloeiend nadeel niet als een afzonderlijk criterium in aanmerking komt. Ik zei reeds eerder dit criterium wegens de daaraan verbonden rechtsonzekerheid en het niet passen in de onderhavige materie, waarbij het al dan niet voortbestaan van rechten en verplichtingen aan weerszijden in het geding zijn, niet juist te achten. Bovendien zou dit punt eerst aan de orde kunnen komen indien de werkgever op opgewekt vertrouwen in voormelde zin beroep zou kunnen doen. Ik zie geen goede reden waarom dan een werkgever die wel op een zodanig vertrouwen gehandeld heeft, wel bescherming verdient en een werkgever die dat (nog) niet gedaan heeft, niet. Onder "handelen" meen ik ook te mogen verstaan een niet-handelen, als b.v. in het geval waarin de werkgever geen (nieuw) project heeft geëntameerd of aanvaard en dus de inkomsten daarvan heeft laten lopen, omdat hij afgaande op de ontslagname zich aan het heroriënteren is. Hier kunnen, zoals uiteengezet, zeer verschillende beweegredenen spelen. Een termijn schijnt bovendien niet gegeven. Omtrent de betekenis van de acceptatie van het ontslag mocht ik reeds een aantekening maken. Vorenstaande brengt mee de gegrondheid van de eerste twee alinea's van onderdeel 1 van het middel. De vraag of [verweerder 3] aan de betreffende verklaring van [eiser] , die hij in psychische stoornis aflegde, onder de gegeven omstandigheden de zin mocht toekennen van een ontslagname of ontslagaanvrage, is geen bewijsvraag doch een rechtsvraag (vgl. Toelichting Meijers N.B.W. p. 185), bij de beantwoording waarvan een afweging van alle van belang zijnde omstandigheden tegen de achtergrond van de goede trouw dient plaats te vinden. In het vonnis is hiervan geen teken te vinden. De Rechtbank heeft geoordeeld dat niet bewezen is dat de psychische stoornis op het moment van de handeling aan [verweerder 3] duidelijk was of voldoende duidelijk had moeten zijn. Kennenlijk heeft de Rechtbank hierbij gedacht aan physieke waarneembaarheid. Zou deze gebleken zijn, dan zou inderdaad het inroepen van vertrouwen geen stand hebben kunnen houden. Doch nu dit niet bewezen is, staat daarmede nog niet vast dat deze stoornis niet waarneembaar was. En zou dit hiermede wel vaststaan, dan zou dit slechts een van de omstandigheden zijn, die bij voormelde afweging van belang kunnen zijn. Op zichzelf is deze omstandigheid niet beslissend, behoeft dit althans niet te zijn. Gelet op het toch in beginsel in de vordering besloten liggende belang van [eiser] en de omstandigheden waaronder hij ontslag nam, hadden [verweerster 1] in het kader van hun beroep op opgewekt vertrouwen tegenover het voorshands aanvaarde beroep op psychische stoornis en de daaruit volgende nietigheid feiten en omstandigheden moeten aanvoeren waaruit zou kunnen volgen dat er voor hen geen reden bestond aan de woorden van [eiser] te twijfelen, zoals b.v. dat in feite een zodanig belang niet op het spel stond voor [eiser] (vgl. M.v.A. Boek 3 N.B.W. p. 45) dan wel dat hun dit belang niet bekend was of moest zijn. Door zonder meer op het niet bewezen zijn van waarneembaarheid aan te nemen dat het bij verweer ingeroepen vertrouwen tegenover de uit de psychische stoornis voortvloeiende nietigheid gehonoreerd diende te worden, heeft de Rechtbank mitsdien blijk gegeven van een onjuiste opvatting van dit rechtsbegrip en daarmede het recht geschonden. Zou Uw Raad van oordeel zijn dat uit het vonnis niet blijkt hoe de Rechtbank het begrip "opgewekt vertrouwen" heeft opgevat, dan zou ik gegrond achten de in onderdeel 4 van het middel in verband met het daarin betrokken onderdeel 1 (waarvan thans alinea 2) begrepen betreffende motiveringsklacht. Mocht Uw Raad van oordeel zijn dat, anders dan door mij bepleit, ook in dit geval de eis van negatief belang, zoals hierboven besproken, gesteld moet worden, dan zal om deze reden onderdeel 1 van het middel - nu met de derde alinea - te meer gegrond zijn. In deze lezing is het enkele beroep op opgewekt vertrouwen onvoldoende. Het zich voordoen van negatief belang, bestaande in nadeel veroorzaakt doordat [verweerster 1] op het door [eiser] opgewekte vertrouwen hebben gehandeld - ik tekende hierboven reeds het een en ander daaromtrent aan -, behoort tot de stelplicht van hem die op opgewekt vertrouwen een beroep doet. Vgl. H.R. 12 mei 1972, N.J. 1973 no. 53 (K.W.). Dit ligt ook voor de hand, omdat het hier om feiten en omstandigheden gaat, die in de eerste plaats aan deze partij bekend kunnen zijn. Door het verweer te dien aanzien te honoreren zonder dat de vervulling van dit vereiste is gesteld of gebleken, heeft de Rechtbank het hier bestaande recht dan geschonden. De overige motiveringsklachten uit onderdeel 1 komen bij deze zienswijze niet meer aan de orde. Onderdeel 2 van het middel komt mij ongegrond voor, omdat de omstandigheid dat de psychische stoornis waarneembaar was althans moest zijn, wel degelijk gerekend kan worden tot de stelplicht van [eiser] , met name tegenover het ingeroepen opgewekte vertrouwen. Voor zover het middel met de term "kenbaarheid" van een ruimer begrip uitgaat, met name daarmede doelt op de vraag hoe een redelijk oordelend mens de omstreden verklaring onder de gegeven omstandigheden en gelet op alle daarbij betrokken belangen diende op te vatten, berust het op verkeerde lezing van het vonnis dat, zoals gezegd, van een engere betekenis als vorenbesproken is uitgegaan. De vraag naar dit ruimere begrip is, zoals reeds bij onderdeel 1 gezegd, geen vraag van bewijslast "maar wordt door de rechter als rechtsvraag zelfstandig beslist", aldus de Toelichting Meijers p. 185, die daaraan toevoegt: "Anders staat het met het bewijs der gegeven omstandigheden. Hier moet iedere partij (ik onderstreep) die omstandigheden, die naar zijn mening het antwoord op de vraag in voor hem gunstige zin zal beïnvloeden, stellen en bewijzen; bij gebreke waarvan met het feit door de rechter geen rekening zal worden gehouden". Ik acht deze mening ook voor het geldend recht juist. Onderdeel 3 is met het voorgaande tevens beantwoord en om dezelfde redenen ongegrond. Dat de Rechtbank op grond van een vrijwillig aanvaarde bewijslast - wat daarvan ook overigens zij - aan [eiser] het onderhavige bewijs zou hebben opgedragen, is reeds hierom ongegrond omdat deze redengeving uit de vonnissen van de Rechtbank niet blijkt. Onderdeel 4 alinea 1 kwam reeds in het kader van onderdeel 1 aan de orde en behoeft na hetgeen voorts over de andere onderdelen is opgemerkt, geen nadere bespreking meer. De tweede alinea komt op tegen een feitelijke waardering, waarbij de Rechtbank in het midden laat hoe ernstig de stoornis op het moment van ontslagname was. Deze feitelijke waardering moet aan de Rechtbank overgelaten worden, waarbij aangetekend zij dat de door de Rechtbank gebezigde term "gemoedstoestand" niet ook op uiterlijke tekenen daarvan behoeft te wijzen. Komt Uw Raad tot vernietiging dan zal nog beslist moeten worden over de aard van de psychische stoornis alsmede of er voldoende gronden zijn om het bij verweer ingeroepen opgewekte vertrouwen te honoreren, in welk kader de in de wederzijdse stellingen besloten feiten en omstandigheden nog alle aan de orde kunnen komen. Nu geen der middelen gericht tegen het tussenvonnis kan slagen enerzijds en het beroep tegen het eindvonnis mij gegrond voorkomt anderzijds, concludeer ik tot verwerping van het beroep voor zover het tussenvonnis betreffende en tot vernietiging van het bestreden eindvonnis van 25 oktober 1973 met verwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te 's-Hertogenbosch teneinde de behandeling daarvan voort te zetten en te beslissen met inachtneming van het door Uw Raad te wijzen arrest en met veroordeling van gedaagden ( [verweerster 1] ) in de kosten op het beroep in cassatie gevallen met toepassing van art. 865 Rv. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.