Nr. 67757 Zitting van 6 mei 1975 Mr. Remmelink. Conclusie inzake: [requirant] . Edelhoogachtbare Heren. Deze zaak is het vervolg van die waarop betrekking heeft het arrest van Uw Raad van 28 mei 1974, N.J. 1974, no 331 met noot van Van Veen. Destijds was requirant door de Rechtbank te Amsterdam die daarbij een veroordelend vonnis van de Kantonrechter vernietigde in appel veroordeeld terzake van overtreding van een parkeerverbod, hoewel hij zich erop had beroepen, dat hij niet had geparkeerd in de zin der wet (art. 86 R.V.V.), omdat hij enkele kentekenbewijzen had moeten ophalen of afgeven, mitsdien aldaar had gestaan om goederen te laden of te lossen, wordende deze situatie door de wet van “parkeren” uitgezonderd. Ik heb onder verwijzing naar Nederlandse en Duitse jurisprudentie en literatuur en met een beroep op algemeen spraakgebruik en ratio legis gesteld, dat m.i. het wegbrengen of ophalen van kentekenbewijzen niet onder bedoeld laden of lossen valt, omdat dat slechts geacht kan worden betrekking te hebben op goederen van “enige” omvang of gewicht, m.a.w. goederen waarvoor het parkeren inderdaad geïndiceerd zou kunnen zijn. In deze geest ook Van Veen in diens noot. Uw Raad is aan een beslissing omtrent dit punt echter niet toegekomen doordien het arrest gecasseerd werd vanwege “onwettige” bewijsvoering “onder de streep”. De zaak werd verwezen naar het Amsterdamse Hof, dat het vonnis des Kantonrechters bevestigde en, zonder in bewijsvoering onder de streep te vervallen, op de hierboven reeds vermelde gronden (algemeen spraakgebruik en ratio legis) het namens requirant gevoerde reeds genoemde verweer verwierp. Requirant, die zich tegen dit arrest van beroep in cassatie heeft voorzien, persisteert echter in zijn enige cassatiemiddel bij zijn opvatting, zich daarbij nog beroepende op het begrip goed in het burgerlijk recht. Nogmaals, het komt mij onder verwijzing naar het reeds eerder betoogde voor, dat dit binnen het kader van deze verkeersregeling niet zo is en herinner er aan, dat begrippen uit het burgerlijk recht in andere rechtsdelen, met name ook in het strafrecht, niet klakkeloos behoeven te worden overgenomen. Wij zien dat in de jurisprudentie van Uw Raad inzake diefstal en verduistering. Ik noem hier alleen het befaamde electriciteitsarrest: H.R. 23 MEI 1921, N.J. 1921, p. 564, W
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.