V. Nr.
(1859)de waardebepaling naar de verkoopwaarde ontleend. De memorie van toelichting (nr. 3, blz. 6, linkerkolom, 3e al.) gaf o.m. te kennen: "Dat de fabrieken, magazijnen en bergplaatsen bij de bepaling van hunne verkoopwaarde in verband met hunne bestemming, dus als onderdeelen van het bedrijf, moeten worden geschat, lijdt bij den ondergetekende geen twijfel. Deze waarde is toch een factor voor de beoordeeling van het vermogen van den aangever, m.a.w. van de draagkracht, die uit het bezit daarvan voortvloeit." "Naar aanleiding hiervan werd door sommigen aangevoerd, dat met die omschrijving geen voor toepassing vatbaar begrip wordt aangegeven. Eene oude schuur kan als onderdeel van een bedrijf eene hooge waarde hebben, omdat zij voor de uitoefening daarvan niet gemist kan worden, terwijl toch de verkoopwaarde zeer gering is. Gaat men eerstbedoelde waarde als maatstaf nemen, dan zou men in lijnrechten strijd komen met de draagkrachttheorie. Ook zou dan de waarde van de hier bedoelde gebouwen veel hooger geschat worden wanneer het bedrijf goed dan wanneer het slecht gaat. Met de uitkomsten van het bedrijf rekening houdende bij de waardebepaling, zou men eene extra-bedrijfsbelasting in de vermogensbelasting opnemen. Andere leden waren eveneens van meening, dat bij de bepaling der verkoopwaarde de toestand van het bedrijf niet in aanmerking mag komen. Zij voerden hiervoor aan, dat het bedrijf kan achteruitgaan of ophouden kan loonend te zijn, wanneer het gebouw in andere handen overgaat. Deze leden zouden de liquidatiewaarde, dat is de waarde; die men voor het gebouw bij verkoop zou kunnen verkrijgen, als maatstaf willen bezigen. ...Toen naar aanleiding van deze beschouwing werd aangevoerd, dat bij de waardebepaling met het bedrijf in het geheel geen rekening mag worden gehouden, omdat niet het bedrijf, maar de eigenaar van het gebouw moet worden belast, antwoordde men, dat het niet zou aangaan de waardebepaling los te maken van elk verband met het bedrijf. Waardeering van werktuigen, magazijnsopstanden enz. in verband met het in het gebouw uitgeoefende bedrijf, is echter niet hetzelfde als het in rekening brengen van den toestand, waarin dat bedrijf op het oogenblik der waardeering verkeert, en dus de waarde te doen afhangen van den bloei, de clientèle, enz. van het bedrijf. Hiermede rekening te houden, zou ook de Minister, naar de meening dezer leden, wel niet bedoeld hebben." (voorlopig verslag, nr. 5, blz. 30, linkerkolom, laatste al., rechterkolom, 2e al.) De memorie van antwoord (nr. 6) luidde: "Wat betreft de schatting van fabrieken, magazijnen en bergplaatsen, heeft de ondergetekende met de opmerking (in de) Memorie van Toelichting willen te kennen geven, dat niet de waarde van deze gebouwen, afgezien van de bestemming welke zij hebben, moet worden genomen, maar dat zij als deel van het geheel en daarmede in verband moeten worden geschat. Met de uitkomsten van het bedrijf zal daarbij geen rekening worden gehouden. Evenmin heeft de in een winkelhuis uitgeoefende nering, welke niet voortvloeit uit de ligging, invloed op zijne waarde." (blz. 34, rechterkolom, 10e al.) In de stukken bestond verder onzekerheid over de betekenis die de verwijzing naar de Successiewet had voor de bevoegdheden van de belastingadministratie ten opzichte van de door de aangever verrichte schattingen. Daarom werd bij nota van wijziging (nr. 10) in art. 7 VB '92 een eigen regeling van de waarderingsmaatstaven opgenomen: voor onroerende zaken naar de verkoopwaarde (onder A); voor alle niet afzonderlijk genoemde zaken "naar hare geldswaarde, in verband met hare bestemming, voor zoover deze op de waarde invloed heeft (onder E). In de Eerste Kamer werd het wetsontwerp verworpen (Handelingen Eerste Kamer, 1914-1915, blz. 306, rechterkolom). Het vervolgens ingediende wetsontwerp (Bijlagen Tweede Kamer, 1915-1916 - 205, nr. 2) was, voor zover thans aan de orde, gelijkluidend aan het voorafgegane, in zijn gewijzigde redactie. Ook de memorie van toelichting was goeddeels gelijkluidend; de hiervoor geciteerde passage is daarin letterlijk terug te vinden (nr. 3, blz. 7, rechterkolom, 7e al.). Inmiddels werd ook gewerkt aan de Wet van 18 augustus 1916, Staatsblad 411, tot heffing van buitengewone belastingen ter gedeeltelijke bestrijding der kosten van den oorlogstoestand (verdedigingsbelasting I). Art. 8 dier wet bevatte op het stuk van de waardebepaling wederom gelijkluidende voorschriften. Naar aanleiding van een daartoe strekkende vraag (voorlopig verslag, Handelingen Eerste Kamer, 1915-1916, blz. 531, rechterkolom, laatste al.) werd in de memorie van antwoord gezegd: "De meening dat voor de toepassing van artikel 8 ... een leidraad zal worden gevonden in de schriftelijke en mondelinge behandeling van artikel 7 der wet op de Vermogensbelasting, gelijk die in de zitting 1914/1915 in de Tweede Kamer werd vastgesteld, wordt gaarne beaamd." (blz. 550, linkerkolom, 6e al.) Van de jurisprudentie, onder vigeur van de aldus tot stand gekomen bepalingen (later ook nog in de belasting van de dode hand en de vermogensaanwasbelasting) ontstaan, noem ik H.R. 15 november 1922, B. 3153, over vee en paarden: "dat de bestemming in de oogen van den wetgever kan veroorzaken, dat de verkoopwaarde niet samenvalt met de in art. 7E bedoelde geldswaarde; dat de wetgever dan ook, blijkens de geschiedenis van het artikel, zeer bepaald het oog heeft gehad op een geval waarin zekere zaken (de machines in eene ingang zijnde fabriek) in verband met hare bestemming een hoogere waarde hebben dan bij verkoop, doch het omgekeerde evenzeer denkbaar is, en wanneer die omstandigheid in een bepaald geval zich voordoet, daarmede alsdan bij de schatting behoort rekening te worden gehouden". In gelijke zin (zij het veel stringenter ten aanzien van de stelplicht) H.R. 16 mei 1956, B.N.B. 1956/215: "dat de geldswaarde van een zaak, als bedoeld in art. 7, onder 1e, letter E, van de Wet op de vermogensbelasting 1892, ook indien deze behoort tot een bedrijfsvermogen in het algemeen niet lager zal zijn dan het door de verkoopwaarde uitgedrukte bedrag, waarvoor de belastingplichtige die zaak kan verkopen, en dat de belastingplichtige, die er zich op beroept, dat dit in een gegeven geval anders is, omdat, hoewel de desbetreffende zaak niet een rendement afwerpt, dat aan haar verkoopwaarde beantwoordt, bepaalde redenen zich tegen verkoop verzetten, deze redenen zal hebben te stellen en aannemelijk te maken". Tot een lagere waardering werd uitdrukkelijk beslist door H.R. 14 april 1954, B.N.B. 1954/182 met noot H. J. Hellema, voor geval de eigenares van een schip dit uit fatsoensoverwegingen niet kon opvorderen van de gebruiker (in gelijke zin de na-oorlogse jurisprudentie over geldvorderingen: H.R. 17 mei 1950, B. 8821; 13 oktober 1954, B.N.B. 1954/337). De letters A en E waren tegelijkertijd aan de orde in H.R. 6 oktober 1937, B. 6497: de beslissing van de raad van beroep, die bij de waardering van vaste goederen, machines en de gebruiksinventaris in aanmerking had genomen, dat het een bloeiend bedrijf betrof, werd in cassatie bevestigd. Zie over onroerende zaken nog P.J.A. Adriani, De wetten op de vermogensbelasting en verdedigingsbelasting I, 4e druk, 1935, blz.
- Bij de voorbereiding van de Successiewet 1956 vond men aanleiding de problematiek nader te regelen. In de memorie van toelichting bij het wetsontwerp (Bijlagen Tweede Kamer, 1948 - 915, nr. 3) werd opgemerkt: "Een tot het vermogen van een erflater behorende "goodwill", welke aan de erfgenamen toevalt, werd ...in strijd met de economische werkelijkheid buiten het bereik van de heffing geplaatst. heeft gemeend, voor de toekomst aan (deze opvatting) elke rechtsgrondslag te moeten ontnemen door in artikel 21 bij de schattingsvoorschriften het begrip "zaak" implicite te verruimen" (blz. 2, 2e al.). In art. 21, onder I, g, van het ontwerp (nr. 2) werd daartoe een waarderingsvoorschrift gegeven voor alle niet afzonderlijk genoemde "zaken en andere vermogenswaarden, geen zaken zijnde in de zin van het Burgerlijk Wetboek, zoals b.v. goodwill". In het voorlopig verslag (1949-1950, nr. 4) maakte "Het merendeel der commissie (voor de de ondergetekende Belastingen) ... voorshans bezwaar tegen de heffing van successierecht van de waarde van een krachtens erfrecht overgegane goodwill" (par. 2, 2e al.). In de memorie van antwoord (1953-1954, nr. 5) komen de bewindslieden "terug van het voorstel inzake de belasting van de goodwill. Zij achten evenwel termen aanwezig tot het opnemen van een bepaling welke de mogelijkheid uitsluit dat de erfgenamen de waardering van de zaken die tot een bedrijfs- of beroepsvermogen behoren zouden doen plaatsvinden met verwaarlozing van het feit dat die zaken deel uitmaken van evenbedoeld vermogen" (blz. 4, 1e al.). Bij nota van wijzigingen (nr. 6, onder XV, 3 en 4) werd de redactie van art. 21, onder I, g, beperkt tot "zaken, alsmede vergunningen en aanspraken, welke geen zaken zijn in de zin van het Burgerlijk Wetboek" en werd in art. 21, onder I, een nieuwe tweede alinea toegevoegd: "Indien zaken behoren tot een beroeps- of bedrijfsvermogen, wordt het geheel dier zaken ten minste gesteld op de prijs, welke een gegadigde, die voornemens zou zijn het beroep of bedrijf voort te zetten, voor de overneming van die zaken zou moeten besteden." (Ik vestig er de aandacht op, dat in het vervolg van de parlementaire behandeling deze alinea. meermalen is aangeduid als de tweede alinea van letter g; uit de redactie van de nota van wijzigingen blijkt echter ondubbelzinnig, dat het de tweede alinea is van het gehele onderdeel I.) Blijkens het verslag (nr. 10, punt 10) werd nog gevraagd: "Wordt in deze bepaling niet tevens de goodwill belast?", waarop het antwoord luidde, "dat het ontworpen voorschrift beoogt, bij de waardebepaling de economische realiteit zo goed mogelijk te benaderen door rekening te houden met het feit, dat de nagelaten zaken tot een bedrijf behoren, dus als een bijeenbehorend complex zijn te beschouwen. Belast wordt dan het bedrag, dat de waarde van het complex ten sterfdage voorstelt." Tijdens de mondelinge behandeling werd uitvoerig ingegaan op de verhouding van de begrippen "goodwill" en "complex", Handelingen, 1955-1956, blz. 674, 686, 693, 827, 833 en 837, maar ik moge er voor een ogenblik van afzien die discussie te releveren om daarop hierna nog terug te komen. Ik vermeld slechts, dat in de gedachtenwisseling tussen de heer Lucas en staatssecretaris Van den Berge (blz. 693, linkerkolom, 4e al., en 827, rechterkolom) de functie van de bepaling werd aangeduid als te "belasten de waarde van de goederen in going concern". De wetsgeschiedenis van de huidige wet vangt aan met de indiening van het ontwerp van wet op de vermogensbelasting 1958 (Bijlagen, 1958-1959 - 5380, nr. 4). Art. 9, leden 1 en 2, luidt: "
- De bezittingen en de schulden worden in aanmerking genomen naar de waarde welke daaraan in het economische verkeer kan worden toegekend.
- Bezittingen behorende tot wat in het economische verkeer als een eenheid pleegt te worden beschouwd, worden in aanmerking genomen met inachtneming van die omstandigheid." Volgens de memorie van toelichting (nr. 5) "kan voor de ontworpen belastingregeling voor het heden zeer wel worden aanvaard, dat - evenals onder de bestaande wet - slechts bezittingen en schulden in aanmerking komen, die in civielrechtelijke zin als zaken en schulden worden beschouwd. Een complex van goederen en rechten kan, naar thans algemeen wordt geleerd, niet als een zelfstandig rechtsobject worden aanvaard. Dit laatste zou kunnen leiden tot de opvatting dat elke bezitting geschat moet worden zonder rekening te houden met de functionele samenhang van zulk een bezitting met andere in aanmerking te nemen vermogensbestanddelen. De realiteit eist echter dat bij de waardering van bezittingen en schulden rekening wordt gehouden met alle economische factoren die zich ten aanzien van de in aanmerking te nemen vermogensbestanddelen voordoen. Zo zal de meerdere draagkracht welke het bestaan van een economische eenheid met zich brengt, in de waardering van de afzonderlijke tot die eenheid behorende vermogensbestanddelen tot uitdrukking dienen te komen. Deze gedachte welke een integrerend bestanddeel uitmaakt van het bovenomschreven criterium is belichaamd in het tweede lid van de voorgestelde bepaling." (blz. 10, rechterkolom, laatste al., - 11, 1e al.) Naar aanleiding van vragen in het voorlopig verslag (1961-1962, nr. 18, Artikel 4) welke mede op de goodwill betrekking hadden, gaf de memorie van antwoord (1962-1963, nr. 21) te kennen: "Te dezen aanzien moge in herinnering worden gebracht de rol welke de vraag of goodwill als zodanig al dan niet moet worden betrokken in een belasting naar het vermogen, heeft gespeeld bij de totstandkoming van de Successiewet
- ... de Regering (heeft) toen volstaan met een bepaling - overeenkomende met artikel 9, tweede lid, van het onderhavige wetsontwerp - krachtens welke de waardering van zaken behorende tot een bedrijfs- of beroepsvermogen moet plaats vinden naar de going-concern-waarde . Reeds uit een oogpunt van eenheid van het belastingrecht achten de ondergetekenden het niet wenselijk op dit gebied voor de vermogenbelasting uitdrukkelijk een ander standpunt in de wet neer te leggen dan voor het successierecht is ingenomen." (blz. 5, rechterkolom, 4e al.); "Daarbij komt nog dat de goodwill, voor zover hij is verbonden aan een bepaalde zaak, in het algemeen een verhogende invloed zal hebben op de waarde van die zaak en reeds uit dien hoofde bij de waardebepaling van het vermogen in aanmerking wordt genomen. Daarnaast bewerkstelligt artikel 9, tweede lid, van het wetsontwerp, dat een complex van zaken moet worden geschat naar de going-concern-waarde waarin ook reeds een bepaalde vorm van goodwill kan zijn begrepen." (blz. 6, 1e al.) ; "Het is duidelijk dat bij de waardebepaling van niet ter beurze genoteerde aandelen van een n.v. de tot die vennootschap behorende goodwill een rol zal kunnen spelen. Zoals hierboven is opgemerkt, sluit de omstandigheid dat de goodwill bij eenmanszaken en vennootschappen onder firma niet als afzonderlijke zaak in de belasting wordt betrokken, niet uit, dat hij toch invloed kan hebben op de waarde van de tot het bedrijfsvermogen behorende zaken, hetzij afzonderlijk, hetzij als eenheid bezien." (3e al.) Ook deze formulering leidde, zoals te verwachten was, tot een nadere gedachtenwisseling over de verhouding tussen "goodwill" en "complex" (eindverslag, 1963-1964, nr. 30, punt 9, laatste vraag). Voor het onderhavige geschilpunt geeft deze lange en gecompliceerde geschiedenis een diffuus licht. In de wetsgeschiedenis van 1958 - 1964 is weliswaar gesproken over "meerdere draagkracht" (memorie van toelichting), maar blijkens het woord "Zo" is dat als voorbeeld gedacht. En waar in de memorie van antwoord sprake is van "een verhogende invloed", is dat in een betoog waarin de aanwezigheid van goodwill voorop staat. Daar staat tegenover, dat in de referte aan de Successiewet 1956 juist de woorden "ten minste" uit art. 21, onder I, 2e al., Successiewet 1956 (SW '56) weggelaten worden. Naar mijn oordeel geeft deze wetsgeschiedenis onvoldoende aanknopingspunten voor een beperkende uitlegging van de algemeen luidende tekst van art. 9
(2)VB '64: "Dit betekent dat de vrijwel altijd hogere waarde die in een economische eenheid ligt opgesloten bij de waardering van de afzonderlijke tot die eenheid behorende vermogensbestanddelen tot uitdrukking dient te komen." De toelichting houdt dus rekening met de mogelijkheid, dat de waarde in een concreet geval niet hoger is. Wat betekent dit alles nu voor het onderhavige geval? De onroerende goederen te [Q] en [R] behoren tot het vermogen van de vennootschap onder firma; het onroerend goed te [Z] is eigendom van de belanghebbende en wordt door hem voor de toepassing van de inkomstenbelasting voor het woongedeelte als prive-vermogen, voor het overige als ondernemingsvermogen aangemerkt. De belanghebbende heeft blijkens de uitspraak van het Hof gesteld, dat bij de schatting van de onroerende goederen, in gebruik bij de onderneming, rekening gehouden moet worden met de geringe rentabiliteit van de onderneming, o.m. omdat "aangezien de vennoten voor hun inkomen van het bedrijf afhankelijk zijn en het bedrijf voor 25 medewerkers een broodwinning biedt, er geen kans is - ook niet in een verwijderde toekomst - dat de onroerende goederen vrij zouden kunnen worden aangeboden". Van het standpunt van de inspecteur vermeldt het Hof in zijn uitspraak slechts, dat zijns inziens de bestemming van de goederen buiten beschouwing gelaten moet worden - nu het Hof voor het onderhavige geval tot dezelfde slotsom kwam, kwam het aan hetgeen de inspecteur overigens gesteld had, niet toe -, Uit het vertoogschrift (met name blz. 5, 2e al. ) blijkt echter, dat de inspecteur ook voor geval schatting met inachtneming van de bestemming geschiedt, de juistheid van de door de belanghebbende naar voren gebrachte cijfers heeft bestreden. Dit blijkt nog duidelijker uit de nota van de inspecteur van 27 december 1973, die voor Uw Raad kenbaar is doordat het Hof haar onder de aanduiding "pleitnota" in de uitspraak heeft geïnsereerd. Over dit geschilpunt heeft het Hof geen beslissing genomen, nu het in 's Hofs rechtskundige opvatting van art. 9 VB '64 niet aan de orde kwam. Indien Uw Raad met mij van oordeel is, dat deze rechtskundige opvatting onjuist is, zal alsnog een feitelijk onderzoek moeten volgen. Daarbij zal zonder twijfel aangenomen moeten worden, dat de onroerende goederen te [Q] en [R] behoren tot het complex, zijnde de onderneming van de vennootschap onder firma. Men kan betwijfelen, of dit ook geldt voor het onroerend goed te [Z]. Mij dunkt, dat daarvoor de etikettering, zoals deze voor de toepassing van de inkomstenbelasting heeft plaats gevonden - privé-vermogen voor het woongedeelte, buitenvennootschappelijk ondernemingsvermogen voor het overige -, niet doorslaggevend is. Veeleer zal men zich bij de schatting moeten afvragen, wat bij verkoop van het onroerend goed te [Z] - aan de beste koper - bedongen zou kunnen worden, indien het ondernemingsgedeelte in gebruik zou blijven bij de onderneming - ook indien deze zou zijn overgegaan op een ander, die voornemens zou zijn de onderneming voort te zetten -. Vermoedelijk is deze veronderstelling geheel of nagenoeg geheel gelijk aan die welke de ambtelijke deskundigen met betrekking tot het ondernemingsgedeelte van het onroerend goed te [Z] hebben gemaakt. Voor wat het woongedeelte betreft, is het van belang, dat de inspecteur na zijn betoog (vertoogschrift, blz. 4, "Toelichting standpunt inspecteur", 1e al.), uitmondend in: "De bestemming welke het onroerend goed gekregen heeft is in het algemeen niet van belang.", vervolgt: "Een van de uitzonderingen hierop is de voortgaande bewoning door de eigenaar van een huis. De woning- schaarste kan dan een waardedrukkende invloed uitoefenen. Deze inbreuk op het objectieve waardebegrip verliest aan invloed, nu de woningschaarste afneemt. Te [Z] b.v. is in feite van echte woningnood geen sprake meer, zeker niet in de prijsklasse, waarin belanghebbendes woning met aanhorigheden thuis hoort. Dat met deze factor desniettegenstaande toch rekening is ge- houden, mag belanghebbende geen reden tot klagen geven." Met betrekking tot het woongedeelte heeft de inspecteur dus wel enig bezwaar tegen zijn eigen schatting, maar dit leidt hem tot geen andere slotsom dan dat de belanghebbende niet mag klagen. Ik lees hieruit, dat over de schatting van het woongedeelte geen rechtsstrijd bestaat. (Indien het Hof na verwijzing hierover anders oordeelt, zal het waarschijnlijk, conform de vaste jurisprudentie van de gerechtshoven, de partijen volgen in hun opvatting, dat de waarde van een bewoonde woning als zodanig geschat moet worden, en de staatssecretaris zal vermoedelijk daartegen, conform zijn gewoonte, geen beroep in cassatie instellen. Aangezien ik het onaannemelijk acht, dat Uw Raad zich in de onderhavige zaak in dit stadium over deze kwestie zal willen uitlaten, moge ik er ook mijnerzijds van afzien zulks te doen. Ik volsta met verwijzing naar J. van Slooten, Weekblad voor Privaatrecht, Notaris-ambt en Registratie 5257 d.d. 6 april 1974, jaargang 105, blz.
- ) Op grond van een en ander meen ik, dat het geding na verwijzing beperkt kan blijven tot de onroerende goederen te [Q] en [R]. Bij de uitwerking van hetgeen ik hiervoor omschreef als regel c, ben ik er tot dusver van uitgegaan, dat de stellingen van de belanghebbende omtrent de onderrentabiliteit van de onderneming en omtrent de sociale positie van haar werknemers, indien juist bevonden, zouden kunnen leiden tot een lagere waardering van de onroerende goederen. Ik moet thans nog aandacht vragen voor de mogelijkheid, dat rechtskundige beschouwingen over de verhouding tussen "goodwill" en "complex" tot een andere zienswijze leiden. De gedachtenwisseling over dit onderwerp bij de totstandkoming van de Successiewet 1956 en de Wet op de vermogensbelasting 1964 levert de volgende constateringen op:
- goodwill als zodanig is onbelast;
- de behandeling van het ondernemingsvermogen als complex heeft niet de strekking de gehele goodwill daartoe te rekenen, maar een gedeelte van de goodwill kan aldus wel in de belasting betrokken worden;
- daarbij wordt de goodwill zelf echterweer niet beschouwd als één van de in onderling verband te waarderen "zaken". Indien men nu in aanmerking neemt, dat niemand bepleit heeft de persoonlijke, onoverdraagbare goodwill tot het vermogen te rekenen en dat de overige goodwill kort tevoren door de Burgerlijke Kamer van Uw Raad (9 maart 1951, N.J. 1952, no. 46 met noot Ph.A.N. Houwing) was omschreven als de waarde die zaken in haar geheel hebben, uitgaande boven de waarde van de afzonderlijke zaken, dan moet men naar mijn mening met H. Schuttevaer - wiens betrokkenheid bij het oorspronkelijke ontwerp voor de Successiewet 1956 een publiek geheim is - deze constateringen als tegenstrijdig en/of onbegrijpelijk afwijzen (De Nederlandse Successiewetgeving, 1967, i.h.b. blz. 83). Niettemin is de toepasser van de Wet op de vermogensbelasting 1964 gebonden aan enerzijds de vrijstelling van goodwill (art. 8, lid 1, onder c, VB '64) en anderzijds de waardebepaling als complex (art. 9, lid 2, VB '64). Ik kom dan tot de uitlegging, dat het complex dat gevormd wordt door het ondernemingsvermogen, gewaardeerd moet worden op de waarde die het, als één geheel, in het economische verkeer heeft. Waar men nu de "belichaamde" goodwill noodzakelijkerwijs overdraagt als men het complex, overdraagt, en omgekeerd de goodwill zonder het complex niet kan overdragen, is in het algemeen de goodwill in deze waarde begrepen. De vrijstelling blijft dan slechts van betekenis voor de onoverdraagbare goodwill en - als dat denkbaar is - voor goodwill die wel overdraagbaar is, maar niet belichaamd in "zaken" in de zin der wet. (Ik meen, dat deze opvatting conform is aan hetgeen Schuttevaer, a.w., blz. 82 en 250, leert voor de toepassing van de Successiewet 1956) Ter voorkoming van misverstand merk ik op, dat in mijn opvatting de "belichaamde" goodwill niet iets anders is dan "relaties, stand en organisatie" (H.R. 5 april 1933, B. 5404), noch iets anders dan "de winstcapaciteit boven een normaal rendement van het vermogen en boven een normale beloning van de arbeid" (H.R. 20 mei 1953, B.N.B. 1953/190 met noot Smeets). Deze onderscheiden omschrijvingen bezien de goodwill telkens onder een ander aspect; voor het waardeprobleem behoeft dat geen verschil te maken: relaties, stand en organisatie resp. extra-winstcapaciteit draagt men aan een ander over door hem alle tot het ondernemingsvermogen behorende zaken over te dragen; in zijn tegenprestatie zal dan ook de waarde daarvan begrepen zijn. Ik meen dan ook, dat de gestelde onderrentabiliteit - ook als men deze een negatieve goodwill, een badwill of een illwill noemt - door haar negatieve invloed op de waarde inderdaad het belastbare vermogen zou kunnen verminderen. Zie over de verhouding tussen "goodwill" en "complex" voorts Geppaart, a.w., blz. 165; A.J. van Soest, Belastingen, 12e druk door P. den Boer, F.W.G.M. van Brunschot en J. van Soest, 1974, blz. 290 v. en
- Indien men in de wetstoepassing aan art. 8, lid 1, onder c, VB '64 een ruimere inhoud zou geven dan ik hierboven deed, en op die grond bij de waardebepaling van een complex een overrentabiliteit buiten aanmerking zou laten (anders dan het arrest van 6 oktober 1937), dan zou men het consequent kunnen achten ook een onderrentabiliteit buiten beschouwing te laten. Ik acht deze consequentie intussen niet zeer dwingend; in art. 8 VB '64 (dat in tegenstelling tot art. 7 VB '64 alleen over bezittingen, niet tevens over schulden spreekt) is een aantal uitdrukkelijke vrijstellingen van positieve vermogensbestand- delen opgenomen. Het is voor het denken lichter de gekapitaliseerde overrentabiliteit als een afzonderlijk activum te denken, en dat dan vrij te stellen, dan een onderrentabiliteit los te denken van de bestanddelen van het ondernemingsvermogen. Maar zelfs als men daarin slaagt en in de onderrentabiliteit een soort schuld zou zien, dan nog wordt deze schuld niet door art. 8 VB '64 beheerst. Het middel gegrond bevindende, concludeer ik tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot verwijzing van de zaak naar een ander gerechtshof, ter verdere behandeling in meervoudige kamer met inachtneming van het arrest van Uw Raad. Parket, 28 oktober
- De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden