na .- Nr. 69.307 Zitting 6 december
- Mr. Remmelink. Conclusie inzake: [de opgeëiste persoon]. Edelhoogachtbare Heren, In deze zaak waarin de Rechtbank de door de Duitse Bondsrepubliek gevraagde uitlevering van gerequireerde ontoelaatbaar heeft verklaard tegen welke uitspraak de Officier van Justitie zich van beroep in cassatie heeft voorzien is door Z.E.A. één middel tot cassatie voorgesteld, waarin hij in beide onderdelen (a en b) erover klaagt, dat de Rechtbank ondanks de omstandigheid, dat de betrokken Duitse beslissingen, resp. een vonnis van het Landgericht München I van 1 juli 1969 en een "besluit" van het Landgericht Kempten (Allgäu) van 12 oktober 1970, vergezeld waren van een verklaring van resp. een rechter van het Amtsgericht München en de voorzitter van de Eerste Strafkamer van het Landgericht Kempten, waarin werd gesteld, dat de beslissingen rechtsgeldig en uitvoerbaar waren, de executabiliteit niet heeft aanvaard, en mitsdien op deze grond de overgelegde stukken voor toelaatbaarheid-verklaring van de uitlevering ongenoegzaam heeft geacht. Het komt mij voor, dat de Heer Requirant hierin gelijk heeft. Ook ik meen, dat de Nederlandse rechter zich bij een dergelijke door de Duitse justitie afgegeven verklaring moeten neerleggen, en het niet de taak van de Nederlandse rechter is om aan de hand van een trouwens toch altijd moeilijk en riskant onderzoek te controleren, of deze verklaring wel juist is. In deze lijn liggen ook de arresten van Uw Raad welke de Officier bereids heeft genoemd. Ik verwijs hier nog speciaal naar Uw arrest van 7 december 1976, no. 68484, DD 77.039, waarin ook sprake is van een fotocopie van een vonnis en een daarbijgaande verklaring, in casu van het Schöffengericht, waaruit blijkt, dat het vonnis rechtsgeldig en uitvoerbaar is verklaard. En in H.R. 22 juli 1974, N.J. 1974, no. 483 gaat Uw Raad eveneens accoord met de aan de voet van een vonnis aangebrachte aantekening van de hoofdgriffier, dat de betreffende beslissing is "exécutoire". Zie ook nog H.R. 9 november 1976, N.J. 1977 no.
- In uitleveringszaken strekkende tot vervolging dient de rechter zich ook te onthouden van een onderzoek naar de mérites van de tot grondslag dienende buitenlandse justitiële beslissing. Vgl. H.R. 31 augustus 1972, N.J. 1973, no. 122 en 5 december 1972, N.J. 1973, no.
- Ik neem aan, nu zij haar uitspraak speciaal heeft doen steunen op het h.i. niet voldoende blijken van de mogelijkheid van tenuitvoerlegging van de Duitse beslissingen, dat de Rechtbank van mening is geweest, dat de toelaatbaarheid van de uitlevering beoordeeld moet worden aan de hand van het Europees Uitleveringsverdrag (E. U.V. ), waaraan sinds 1 januari 1977 (vgl. Trb. 1977, no. 20) ook de Bondsrepubliek is gebonden, en niet naar het vóórdien, dus ook nog ten tijde van het binnenkomen het verzoek tot uitlevering (18 mei 1976), gegolden hebbende Nederlands-Duitse Uitleveringsverdrag van 1897 (S 211). In dit laatste verdrag wordt nl. van de executabiliteit niet speciaal melding gemaakt; er wordt slechts gesproken over "een vonnis tot veroordeling" (art. 7). Het komt mij met de Officier voor, dat, nu het verdrag geen overgangsregeling bevat, en de Bondsrepubliek bij haar toetreding ook geen voorbehoud van deze strekking heeft gemaakt inderdaad geopteerd moet worden voor onmiddellijke toepasselijkheid van het E.U.V. Vgl. ook art. 28 lid 1 E.U.V., alsmede Trb. 1977 no. 20, p.
- Dat lijkt mij te zijn in de geest van deze volkenrechtelijke overeenkomsten, waarbij doorslaggevend moet zijn het moment, waarop tot uitlevering (rechtshulp) moet worden overgegaan, in casu dus het moment, waarop de rechter zijn regering hieromtrent moet adviseren. Vgl. ook Van Veen in diens noot onder Hof Den Haag 31 januari 1974, N.J. 1974, no. 303 (uitlevering naar Zweden van Pauksch), die wijst op de tekst van het arrest van Uw Raad (inzake Pauksch), H.R. 16 januari 1973, N.J. 1973, no. 281, waar Uw Raad, voormeld beginsel belijdend, niet slechts sprak van de tijd van het verzoek tot uitlevering, als beslissend voor de vaststelling welke norm voor de strafbaarheid moet worden aangehouden, maar ook van de tijd van de beslissing over de uitlevering. Zie eveneens voor een dergelijke, m.i. significante terminologie H.R. 1 juli 1977, no. 69006, DD 77.250, N.J. 1977, no. 601, wederom inzake Pauksch. Tenslotte wijs ik met de Officier op de beschouwingen omtrent dit topic in de M.v.A. van het ontwerp U.W. (Bijl. H. 2e K. 1965/66 no. 8054, p. 2). De Rechtbank heeft derhalve in onze opvatting in strijd met wat het verdrag hieromtrent bepaalt (art. 12 lid 2 onder a), en waarop art. 28 lid 2 en art. 18 lid 3 onder a UW aansluiten, ten onrechte de uitlevering wegens ongenoegzaamheid van de hiervoor bedoelde stukken ontoelaatbaar verklaard, althans haar uitspraak dienaangaande onvoldoende met redenen omkleed. Ik concludeer mitsdien, dat Uw Raad het middel gegrond achtend de uitspraak waarvan beroep zal vernietigen en doende wat de Rechtbank had behoren te doen, vaststellende, dat aan de vereisten gesteld in wet en E. U.V. is voldaan, gezien de artt. 1, 2 en 12 van dit verdrag de gevraagde uitlevering toelaatbaar zal verklaren, althans dat Uw Raad na bedoelde vernietiging, teneinde te kunnen doen wat de Rechtbank had behoren te doen, zal bepalen, dat requirant op een door hem te bepalen dag en uur zal worden opgeroepen teneinde omtrent de aanvrage tot uitlevering opnieuw te worden gehoord. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,
🔗 Naar officiële bron
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.