← Nederland

ECLI:NL:PHR:1979:3

L./ v.R. Nr. 11.513 Zitting 12 oktober

  1. Mr. ten Kate. Conclusie inzake: [de vrouw] tegen: [de man] . Edelhoogachtbare Heren, De man (verweerder in cassatie) heeft bij dagvaarding van 18 juli 1975 een vordering tot echtscheiding tegen de vrouw (eiseres tot cassatie) ingesteld. Op vordering van de vrouw werd de man veroordeeld hangende het geding voorlopig f 950, -- voor het levensonderhoud van de vrouw te betalen, uit welk bedrag f 150, -- bestemd was voor rente en aflossing van de hypothecaire schuld, waarvoor de voorlopig aan de vrouw ter bewoning toegewezen en haar in eigendom toebehorende echtelijke woning was verbonden. Bij vonnis van 7 april 1977 heeft de Rechtbank de echtscheiding van dit op 8 september 1966 gesloten huwelijk uitgesproken. De Rechtbank bepaalde tevens op de desbetreffende bij c.v.a. gedane vordering tot betaling van een bijdrage in het levensonderhoud ad f 1600, -- per maand, dat deze bijdrage f 1150, -- per maand zou zijn. De vrouw was toen 55 jaar oud. Tot uitgangspunt van deze beslissing nam de Rechtbank onder meer dat enerzijds de vrouw een W.A.O .- uitkering genoot van netto f 440,93 per maand en anderzijds de man uit arbeid een salaris had van netto f 2.803,95 per maand (overeenstemmende met f 4.935,05 bruto per maand blijkens de verklaring van de man, opgenomen in het P .- V. van comp.pp. Rb. ), welk netto-bedrag was verkregen na aftrek van onder meer de pensioenpremie en de premie van de ziektekostenverzekering, doch bij welk netto-bedrag nog opgeteld moest worden een vakantietoeslag van 7% en een decemberuitkering van 22% van het jaarsalaris. De uitgesproken echtscheiding is op 25 juli 1977 in de registers van de Burgerlijke Stand ingeschreven (r.o. 4 arrest). De vrouw kwam echter bij dagvaarding van 5 juli 1977 in appel van de alimentatiebeslissing en vorderde met vermeerdering van eis de bepaling van de alimentatiebijdrage op f 1.700, -- per maand. De man antwoordde op 16 februari 1978 en appelleerde zijnerzijds incidenteel. Hij stelde de bijdrage op ten hoogste f 700, -- per maand. Hij beriep zich onder meer op de nieuwe omstandigheid dat hij op 1 januari 1978 was gepensioneerd. Bij het thans in cassatie bestreden arrest van 19 januari 1979 stelde het Hof vast dat de man, die inmiddels 66 jaar was geworden, een niet waardevast pensioen van f 3.490,25 per maand bruto genoot (blijkens brief van het pensioenfonds van 10 november 1978, overgelegd bij memorandum in appel dat overigens wellicht geen gedingstuk is, wordt op het pensioen geen vakantie- en geen decembertoeslag betaald), vermeerderd met een A.O.W .- uitkering van f 898,50 bruto per maand en een daaraan verbonden vakantietoeslag van f 706,44 per jaar. Deze gegevens, die in hoofdzaak overeenstemmen met die welke in de mem.v.antw. p. 2 en 3 door de man zijn verstrekt, ontleent het Hof aan het P .- V. van de door het Hof gehouden comp. van partijen, Vervolgens constateert het Hof in zijn arrest: "In totaal krijgt de man een bedrag van f 2069, -- per maand in handen". In het voormelde P .- V. van comp. pp. luidde de zin iets anders: "Al met al ontvang ik na aftrek van belasting een bedrag van f 2069, -- per maand netto". Dit verschil in tekst is begrijpelijk, als men de verklaring van de man in het P .- V. legt naast diens betoog in de mem.v. antw. p.
  2. Het blijkt dan, dat dit bedrag de uitkomst is - ik verwaarloos enkele kleine cijfermatige verschillen, die in dit verband niet relevant zijn - van de vermindering van het bruto-maandinkomen van de man met de fiscaal aftrekbare posten - waaronder de ingevolge de voorlopige beslissing door de indexering tot f 1.127,28 per maand opgelopen alimentatiebijdrage ten behoeve van de vrouw - en vervolgens met de over het aldus resterende bedrag verschuldigde inkomstenbelasting. Genoemde f 2.069, -- per maand is mitsdien geen netto-salaris in de gebruikelijke zin des woord en zoals door het Hof elders in zijn arrest gebruikt, doch het bedrag dat de man voor zijn bestedingen, waaronder begrepen de voldoening van bestaande schulden, na verrekening van de bestaande alimentatieplicht maandelijks ter beschikking bleef. Het Hof drukt dit uit door in plaats van "netto-bedrag" te spreken over het "bedrag dat de man in handen kreeg". De alimentatie werd ook blijkens de overgelegde pensioenstroken - waarvan het overigens de vraag is of zij tot de gedingstukken behoren - reeds aanstonds op de maandelijkse pensioenuitkering aan de man ingehouden. Zoals het Hof aldus de reële inkomstensituatie van de man op het ogenblik van het arrest heeft bezien, zo heeft het Hof dit ook aan de keerzijde gedaan ten aanzien van de vrouw. Daar vermeldt het Hof immers in zijn arrest: "De vrouw ontvangt van de man een voorlopige alimentatie van f 1127,28 per maand", waarvan f 150, -- is bestemd als hier reeds eerder vermeld. Dat het Hof ter bepaling van de alimentatieplicht na echtscheiding naast de als uitgangspunt vooropgestelde bruto-inkomsten van de man in beschouwing neemt de inkomstensituatie van de man en die van de vrouw, zoals die in feite waren na verrekening van de lopende voorlopige bijdrage, is niet onbegrijpelijk. Deze voorlopige alimentatie benaderde immers ten tijde van de beslissing van het Hof de situatie, waartoe de veroordeling van de Rechtbank zou leiden. Bovendien kon op deze wijze ook duidelijker in het licht gesteld worden, welke invloed een andere bepaling van de bijdrage in het levensonderhoud na echtscheiding op de financiële situatie van elk van de partijen zou hebben. Met betrekking tot de situatie van de man had het Hof daartoe te meer reden, omdat de man aan de hand van dit naar de bestaande voorlopige toestand berekende, hem resterende maandelijkse bedrag van zijn pensioen in de mem. v.antw. p. 3 nader toegelicht had betoogd, dat hij bij de door de Rechtbank vastgestelde alimentatieplicht geen enkele relevante reserve meer voor onvoorziene uitgaven overhield. Een en ander wordt ook duidelijk, wanneer men de zich bij de appelstukken (dossier Mr. Korthals Altes) bevindende "memoranda" leest, doch van deze stukken blijkt niet - zoals ik hier reeds eerder zei, dat ze onderdeel uitmaken van het P .- V. van comp. pp. Hof of anderszins in het geding zijn gebracht, terwijl ze evenmin in het bestreden arrest zijn ingelast. Ingevolge art. 419 lid 2 Rv. kan derhalve voor het vinden van de feitelijke grondslag van het cassatiemiddel niet op deze stukken worden gelet. Uit het voorgaande volgt dat het cassatiemiddel, dat in hoofdzaak op een verkeerde lezing van het arrest berust, in zijn verschillende onderdelen niet kan slagen. De gedachtengang van het Hof is in het licht van de stukken ook niet onbegrijpelijk. De motiveringsplicht bestaat alleen tegenover de stellingen van partijen. Ter zijde zij aangetekend, dat het verschil tussen de beslissing van het Hof en die van de Rechtbank - welk verschil overigens niet tot een bijzondere motiveringsplicht voor het Hof leidt, nu het Hof door het appel tot een zelfstandige afweging van de feiten en omstandigheden werd geroepen - niet onverklaarbaar is, als men let op de bovenvermelde inkomsten-teruggang voor de man door zijn pensionering na het vonnis van de Rechtbank en voorts ziet dat het Hof uitgaat van een A.B.P .- uitkering voor de vrouw van f 637,79 per maand netto, waar de Rechtbank nog als uitgangspunt had een netto W.A.0 .- uitkering van f 440,93 per maand. Het cassatiemiddel ongegrond bevindende, concludeer ik tot verwerping van het beroep met compensatie van de kosten in dier voege dat elke partij haar eigen kosten zal dragen, nu het hier een uit het echtscheidingsgeding van partijen voortvloeiend geschil betreft. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.