L. Nr. 11491 Zittng 26 oktober
(1979)p. 118-119 met de aldaar vermelde jurisprudentie. Als ik mij niet vergis heeft het hof daarbij in het midden gelaten of ten deze rechtens sprake is van dwaling in de zelfstandigheid der zaak, dan wel - zoals in het bekende Marktcafé-arrest, HR 10 juni 1932, NJ 1933 p. 5 m.n. E.M.M. - slechts van teleurgestelde toekomstverwachtingen. In cassatie moet er dan ook veronderstellenderwijs van uitgegaan worden dat het hof dwaling in de zelfstandigheid der zaak, in de zin van art. 1358 BW, aanwezig heeft geoordeeld. Het komt mij voor dat onderdeel b terecht klaagt over gebrekkige motivering van 's hofs oordeel dat [eiser] zich niet op dwaling kan beroepen. Hij heeft inderdaad, zoals het onderdeel aanvoert, gesteld dat de Gemeente op het moment van acceptatie van het in de bereidverklaring vervatte aanbod tot verkoop reeds wist, dat het pand niet gesloopt zou worden en dat de Gemeente [eiser] dienaangaande had dienen te informeren; vergelijke de memorie van grieven p. 6 en 8 en de door [eiser] bij akte in het geding gebrachte pleitnota in hoger beroep p. 9-
- Het hof had, dunkt me, aan deze essentiële stellingen van [eiser] niet zonder meer voorbij mogen gaan, omdat ze voor de beoordeling van de gegrondheid van het beroep op dwaling van betekenis zijn. [eiser] heeft immers kennelijk bedoeld te stellen dat de Gemeente reeds voor het tot stand komen van de litigieuze koopovereenkomst - door of na het raadsbesluit dd 26 oktober 1970 houdende aanvaarding van [eiser] aanbod - wist van het niet-doorgaan van de sloop en [eiser] daaromtrent had dienen te informeren alvorens zijn aanbod, dat hij in dat stadium nog steeds kon intrekken, te aanvaarden. Een dergelijke, uit de goede trouw voortvloeiende informatieplicht - ertoe strekkende te voorkomen dat de wederpartij, [eiser], zijn aanbod handhaaft onder invloed van onjuiste voorstellingen betreffende omstandigheden die voor hem de eigenlijke grond voor het sluiten van de overeenkomst opleverden (HR 30 mei 1924, NJ 1924, p. 835 en HR 28 februari 1930, NJ 1930 p. 1258 m.n. E.M.M.) - kan inderdaad blijken te bestaan (zie HR 25 april 1947, NJ 1947, 270 m.n. E.M.M .; HR 19 juni 1959, NJ 1960, 59 met de noot van H.B., met name onder 7; HR 30 november 1973, NJ 1974, 97; Toel. ontwerp NBW p. 755-756 ad art. 6.5.2.11 van het oorspronkelijke ontwerp; art. 6.5.2.11 lid 1 sub b gewijzigd ontwerp en de Memorie van antwoord p.208-209, waarover H. Drion in WPNR 5361 (jrg 1976) p. 572). Zo'n informatieplicht veronderstelt dat [eiser], na het ontvangen van de informatie, de gelegenheid krijgt zich te beraden over al dan niet tijdig intrekken van zijn aanbod voordat dat door de Gemeente wordt geaccepteerd. Het zwijgen door de Gemeente waar spreken plicht was, kan het risico van de dwaling verplaatsen van [eiser] naar de Gemeente. Naar ik meen moet gegrondbevinding van de onderhavige klacht leiden tot vernietiging van het aangevallen arrest en tot verwijzing. Het onderdeel bevat vervolgens de grief dat het hof ten onrechte niet althans onvoldoende gemotiveerd heeft beslist op de stelling van [eiser] dat het in 1970 ter plaatse vigerende voorbereidingsbesluit ex art. 21 Wet op de ruimtelijke ordening partijen - en dus ook [eiser] - de zekerheid gaf dat het pand zou worden gesloopt. Het komt mij voor dat deze grief feitelijke grondslag mist voor zover daarin wordt miskend, dat het hof op bedoelde stelling klaarblijkelijk wel heeft beslist, nl. door die te verwerpen, en wel in de overweging dat het [eiser] bekend moest zijn dat zodanige besluiten voor wijziging vatbaar zijn. Daarmee heeft het hof immers de door [eiser] ingeroepen "zekerheid" van de hand gewezen. De motivering door het hof van deze verwerping, nl. dat zodanige besluiten voor wijziging vatbaar zijn, behoefde als zuiver rechtsoordeel geen nadere motivering. Wat betreft het mogen vertrouwen op voorbereidingsbesluiten als het ten processe bedoelde, zie HR 11 juni 1976, Bouwrecht 1976 p. 771 met de noot van Crince Le Roy, met name onder 3 en 4, en diens bewerking van de losbladige "Ruimtelijke ordening", aant. 1, 5 en 8 op art. 21 Wet op de r.o. Hetgeen het onderdeel hieraan toevoegt omtrent "de essentie van de dwalingsregeling" doet aan het vorenstaande niet af. Op p. 5 van de cassatiedagvaarding klaagt het onderdeel over een onjuiste interpretatie door het hof van het begrip dwaling, althans over een onvoldoende motivering van zijn beslissing dienaangaande, welke klacht wordt toegelicht met een viertal onder 1 tot en met 4 weergegeven stellingen. Naar mijn mening is de onder 4 vermelde stelling juist en doeltreffend op grond van het door mij betoogde inzake de reeds gegrond bevonden motiveringsklacht. De stelling onder 3 verliest m.i. uit het oog dat het hof klaarblijkelijk is uitgegaan van de juiste opvatting dat een afzonderlijk belang van de Gemeente bij nakoming door [eiser] van zijn leveringsverplichting rechtens niet is vereist; het belang, aldus de eigendom van het verkochte pand te kunnen verwerven, is voldoende. Voor het overige meen ik de stellingen van onderdeel b - dat mitsdien ten dele gegrond voorkomt - te kunnen laten rusten. Ook op de onderdelen c en d zou in beginsel niet behoeven te worden beslist, nu immers onderdeel b doel treft, Niettemin zal ik, zij het betrekkelijk kort, op die onderdelen ingaan. Onderdeel c herhaalt het reeds in appèl gedane beroep op rechtsverwerking. Het hof heeft het volgende overwogen: "[eiser] heeft gesteld dat hem eerst op 2 februari 1973 een aanmaning is gestuurd de onderhavige overeenkomst na te komen, zulks nadat hijzelf aan de Gemeente had gevraagd een deel van het onderhavige pand als bedrijfsruimte te mogen gebruiken. De Gemeente heeft evenwel gesteld, en zulks is door [eiser] niet weersproken, dat zij bij brieven van 6 november en 11 december 1970 aan [eiser] heeft verzocht een notaris aan te wijzen, - welke brieven niet zijn beantwoord -, dat zij nadien herhaaldelijk tevergeefs heeft getracht contact met [eiser] te krijgen en haar aangetekend schrijven van 2 februari 1973 door [eiser] niet is geaccepteerd. In die omstandigheden is van rechtsverwerking geen sprake." Kennelijk heeft het hof - als iudex facti [eiser] desbetreffende derde appèlgrief in het licht van de memorie van grieven, p. 8 e.v., uitleggende - het beroep op rechtsverwerking aldus verstaan dat de Gemeente (volgen [eiser]) tussen december 1970 en februari 1973 heeft stilgezeten en aldus bij [eiser] het vertrouwen heeft gewekt dat de Gemeente op nakoming van de koopvereenkomst geen prijs meer stelde. De stelling dat de Gemeente heeft stilgezeten, heeft het hof in de geciteerde rechtsoverwegingen gemotiveerd verworpen. Het hof heeft daarmee tevens tot uiting gebracht dat het risico van de mislukking van de pogingen van de Gemeente om contact met [eiser] te krijgen, bij laatst- genoemde lag, zodat het door hem ingeroepen vertrouwen onvoldoende basis had en zijn investeringen, gedaan in dat vertrouwen, eveneens voor zijn eigen rekening en risico moeten blijven. Ik leid dat mede af uit 's hofs overweging omtrent de waardestijging van het huis, " ... dat deze waardestijging zijn beslag heeft gekregen in een periode waarin hijzelf nalatig was aan de uitvoering van de overeenkomst mede te werken." Het hof achtte [eiser] "nalatig", klaarblijkelijk in het tijdvak december 1970 - februari
- Zie over rechtsverwerking en negatief belang mijn conclusie voor HR 5 april 1978, NJO 1978, 5, p. 15-16, en de daarin genoemde rechtspraak en literatuur. Het onderdeel kan, als ik het goed zie, niet tot cassatie leiden. Naar ik meen is onderdeel d voor zover het de reeds gegrond bevonden klacht van onderdeel b herformuleert, eveneens gegrond. Voorts roept onderdeel d analogie met art. 61 Onteigeningswet in. Dat beroep is door het hof impliciet verworpen in de rechtsoverwegingen die onmiddellijk volgen op de in de aanvang van de bespreking van onderdeel c geciteerde passages uit 's hofs arrest. Het standpunt van het hof dat art. 61 voornoemd ten deze niet analogisch toepasselijk is, lijkt mij juist. De ratio van die wetsbepaling is, de onteigende te beschermen tegen onnodige en voortijdige onteigening, zie NJO 1978 p. 16 rechts. Daarvan is geen sprake bij "minnelijke onteigening", d.w.z. vrijwillige verkoop door de eigenaar aan de zich als a.s. onteigenaar presenterende instantie, met het oog op diens bestaande voornemens tot onteigening. De verkoper bij minnelijke onteigening wil een procedure voorkomen en contracteert om die reden vrijwillig met de wederpartij. De zodoende tot stand gekomen verkoopovereenkomst heeft als zodanig geen bijzondere kenmerken en is slechts aantastbaar met de voor koopovereenkomsten in het algemeen door de wet aangereikte wapens, zoals die van de wilsgebreken. Een extra "rechtsmiddel" in de vorm van analogische toepassing van art.61 OW., zou daarbij m.i. niet aanpassen. Het onderdeel klaagt over onbegrijpelijkheid van 's hofs overweging dat ook andere oirbare motieven de Gemeente ertoe kunnen leiden om in " ... een gebied waar een voorbereidingsbesluit van toepassing is", de eigendom van woningen te verkrijgen. Ten processe is, aldus deze klacht, gesteld noch gebleken dat het in 1970 vigerende voorbereidingsbesluit, al dan niet in gewijzigde vorm, in 1973 c.q. ten tijde van 's hofs arrest, nog van kracht was, en evenmin dat voor het litigieuze pand toen een ander (nieuw) voorbereidingsbesluit gold. Deze klacht verliest uit het oog dat het hof zich kennelijk heeft gebaseerd op de stelling van de Gemeente in haar repliek in eerste aanleg, onder 3 (slot), dat " .... telkenjare een nieuw voorbereidingsbesluit met betrekking tot dat gebied (wordt) genomen." In hoger beroep is over dit punt geen discussie geweest, zodat het hof tot nadere motivering niet was gehouden. Over de door het hof bedoelde "oirbare motieven" behoefde het hof zich, dunkt me, niet nader uit te laten nu immers hetgeen [eiser] had aangevoerd ter adstructie van zijn stelling, dat de Gemeente geen oirbare motieven had, in het bestreden arrest uitdrukkelijk is behandeld en verworpen. Het betreft hier het verwijt dat de Gemeente slechts winst beoogt te maken met haar nakomingsvordering. Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat de - veronderstellenderwijs aanwezig geachte - wens van de Gemeente om winst te maken, d.w.z. door het verwerven van de eigendom te profiteren van inmiddels ingetreden waardestijgingen, op zichzelf niet oirbaar is. Dat oordeel en de daarvoor gegeven motivering lijkt me juist. Niet valt in te zien waarom de Gemeente niet, net als iedere willekeurige koper, de eigen belangen - materiële daaronder begrepen - binnen de grenzen van redelijkheid en beginselen van behoorlijk bestuur zou mogen behartigen door te insisteren op levering in de door het hof geschetste omstandigheden. De Gemeente behoeft als privaatrechtelijke koper niet een afzonderlijk belang om haar recht op nakoming, opleverende eigendomsverwerving, te realiseren. Derhalve is voor dat recht niet fataal dat de Gemeente het litigieuze pand niet meer nodig heeft om de bestaande plannen voor het Oranjeplein te verwerkelijken. Naar mijn inzicht mist onderdeel d voor het overige zelfstandige betekenis. Gegrondbevinding van de onderdelen b en d (beide ten dele) brengt mij tot de conclusie dat 's hofs arrest worde vernietigd en de zaak ter verdere behandeling en afdoening, met inachtneming van het door de Hoge Raad te wijzen arrest, worde verwezen naar een ander hof, zulks met verwijzing van verweerster in cassatie (de Gemeente) in de op de voorziening gevallen kosten. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,