← Nederland

ECLI:NL:PHR:1979:AH8594

L. Nr. 11 377 Zitting 5 januari 1979. Mr. Berger. Conclusie inzake: WILLEM DREESHUIS / B. U. M. A. Edelhoogachtbare Heren, In het onderhavig geding gaat het om de vraag of muziek ten gehore gebracht in die ruimten van een bejaardentehuis, waar bejaarden gemeenschappelijk plegen te vertoeven - recreatieruimten, eet- en conversatiezalen - is muziek ten gehore gebracht in familie-, vrienden- of daaraan gelijk te stellen kring, zodat muziek in gemelde ruimten ten gehoren gebracht valt onder die gevallen genoemd in art. 12 van de Auteurswet 1912, waarvoor geen auteursrecht is verschuldigd. Met name op grond van de parlementaire geschiedenis van de Wet van 27 oktober 1972 tot herziening van de Auteurswet 1912 (Stb. 579) is zowel de Rechtbank als het Hof tot de beslissing gekomen, dat het ten gehore brengen van muziek in de gemeenschappelijke ruimten van een bejaardentehuis niet valt onder de uitzondering van het tweede lid van art. 12 van de Auteurswet. De aan deze beslissing tot grondslag gelegde gedeelten uit de Kamerstukken zal ik hier niet herhalen; zij zijn uitvoerig weergegeven in het vonnis van de Rechtbank en het arrest van het Hof. In het kort zal ik de lotgevallen van de hier aan de orde zijnde wetsbepaling in het licht stellen. In aansluiting van art. 1 van de Auteurswet 1912, luidende: " Het auteursrecht is het uitsluitend recht van den maker van een werk van letterkunde, wetenschap of kunst, of van diens rechtverkrijgenden, om dit openbaar te maken en te verveelvoudigen, behoudens de beperkingen, bij de wet gesteld", bepaalde art. 12: Onder de openbaarmaking van een werk van letterkunde, wetenschap of kunst wordt mede verstaan: 1º. de openbaarmaking van eene verveelvoudiging van het geheel of een gedeelte van het werk; 2º. de verbreiding van het geheel of een gedeelte van het werk of van eene verveelvoudiging daarvan, zoolang het niet in druk verschenen is; 3º. de voordracht, op- of uitvoering of voorstelling in het openbaar van het geheel of een gedeelte van het werk of van eene verveelvoudiging daarvan. "Onder eene voordracht, op- of uitvoering of voorstelling in het openbaar wordt mede verstaan eene in besloten kring, welke tegen betaling toegankelijk is, ook al geschiedt die betaling door de voldoening van eene contributie of op andere wijze. Hetzelfde geldt van eene tentoonstelling in het openbaar." Daar het onderhavig geschil uitsluitend betrekking heeft op de eerste zin van het tweede lid van art.12 zal ik mij in het onderstaande daartoe beperken. In het ontwerp van de voormelde Wet van 27 oktober 1972 werd deze bepaling gewijzigd in: " Onder een voordracht, op- of uitvoering of voorstelling in het openbaar, wordt mede begrepen die in besloten kring, tenzij deze zich beperkt tot de familie-, vrienden- of kennissenkring of uitsluitend dient tot het onderwijs of een ander wetenschappelijk doel en voor de toegang tot de voordracht, op- of uitvoering of voorstelling geen betaling, in welke vorm ook, geschiedt." Tijdens een openbaar gehoor van de vaste Commissie voor Justitie van de Tweede Kamer (Bijl. Hand. IIde K. zi. 1968-1969/ 7877, 7889 (R 446), nr.8, bldz.4) werd door BUMA en STEMRA bezwaar gemaakt tegen de uitzondering voor de 'kennissenkring' en werd van die zijde als redaktie van de betreffende bepaling gesuggereerd : " Onder een voordracht, op- of uitvoering of voorstelling in het openbaar wordt mede begrepen die in besloten kring met uitzondering van de huishoudelijke, familie- of daaraan gelijk te stelling kring." Langs de weg van een uiteindelijk door de regering overgenomen amendement Roethof c.s. is de bepaling tenslotte als volgt in de wet opgenomen: " Onder een voordracht, op- of uitvoering of voorstelling in het openbaar wordt mede begrepen die in besloten kring, tenzij deze zich beperkt tot de familie-, vrienden- of daaraan gelijk te stellen kring en voor de toegang tot de voordracht, op- of uitvoering of voorstelling geen betaling, in welke vorm ook, geschiedt." In het bestreden arrest nu heeft het Hof overwogen: " Overwegende dat uit de hiervoor vermelde geschiedenis van de totstandkoming van de onderhavige bepaling blijkt: dat de wetgever de bedoeling had de totdien bestaande vrijstelling van auteursrechtelijke bescherming voor voordrachten, op- of uitvoeringen of voorstellingen in besloten kring aanmerkelijk te beperken; dat hij daarbij ter bepaling welke voordrachten, op- of uitvoeringen of voorstellingen als niet openbare dienen te gelden als maatstaf heeft gebezigd de band, die de toehoorders/ bezoekers verbindt; dat hij, om geen afbreuk te doen aan zijn evengemelde bedoeling, niet heeft willen vrij stellen van genoemde bescherming de voordracht, op- of uitvoering of voorstelling in een kring van personen die niet door een familie- of vriendschapsband zijn verbonden maar slechts kennissen van elkaar zijn; dat met verwijdering van het woord "kennissen" uit het wetsontwerp daarin de woorden "daaraan gelijk te stellen" zijn opgenomen om buiten twijfel te doen zijn dat niet als openbaar heeft te gelden een voordracht, op- of uitvoering of Voorstelling die wel in een familie- of vriendenkring wordt gehouden of gegeven maar niet ten huize van een der familie of vrienden; Overwegende dat, gelet op het voorgaande, moet worden geoordeeld dat als niet openbaar in de zin van artikel 12 voormeld is aan te merken - amateuristische activiteiten, die hier niet aan de orde zijn, (wellicht) daargelaten - alleen een zonder betaling toegankelijke voordracht, op- of uitvoering of voorstelling in een besloten kring, gevormd door personen tussen wie een familie- of vriendschapsband bestaat; Overwegende dat appellante niet heeft gesteld dat de bejaarden, die vertoeven in de hiervoor bedoelde gemeenschapsruimten van haar bejaardenhuizen telkens allen door een familie- of vriend- schapsband zijn verbonden; dat zij wel heeft gesteld dat de bewoners van haar tehuizen 'bewogen door gevoelens van sympathie, vriendschap, of aangetrokken door de daar heersende sfeer zich in de gemeenschappelijke ruimten begeven' maar daarmee tot uitdrukking heeft gebracht dat niet allen, die in zodanige ruimte vertoeven, tot een vriendenkring kunnen worden gerekend. " Het Hof heeft er aldus blijk van gegeven open oog te hebben gehad voor de bedoeling van de wetgever de in art. 12, tweede lid, genoemde 'besloten kring' tegenover de bestaande regeling aanmerkelijk te beperken. Het Hof heeft - in overeenstemming met een uitlating ter zake in de memorie van antwoord - vooropgesteld, dat voor de vraag of van een besloten kring kan worden gesproken de band tussen de aanwezigen bepalend is (zie ook: Komen en Verkade 'Supplement bij het Compendium van het Auteursrecht' -1973- bldz.12). Nu in casu, naar het Hof heeft vastgesteld, deze band niet kan worden aangemerkt als een familie- of vriendschapsband, is voor de in art. 12, tweede lid, bedoelde uitzondering geen plaats. In het eerste middel wordt het Hof verweten, dat het op grond van de parlementaire geschiedenis tot zijn beslissing is gekomen, terwijl uit de Kamerstukken niet blijkt, dat de wetgever bij de vaststelling van de hier bedoelde bepaling de bedoeling heeft gehad onder de geformuleerde vrijstelling van auteursrechten niet de onderhavige casuspositie te begrijpen. Toegegeven kan worden, dat in de Kamerstukken de muziek ten gehore gebracht in de gemeenschappelijke ruimten van een bejaardentehuis niet met zoveel woorden is vermeld, maar in de memorie van toelichting is wel sprake van "concerten, door openbare instellingen of ondernemingen aangeboden aan een groot aantal genodigden, ofwel mechanische muziekuitvoeringen in bedrijfsruimten, cantines, e.d." als voorbeelden waarbij de ratio van het auteursrecht zich ertegen verzet deze buiten de werkingssfeer van dit recht te stellen (m.v.t. Bijl. Hand. IIde K. zi. 1964-1965/7877). Maar als de ratio van het auteursrecht zich ertegen verzet in de als voorbeeld gegeven gevallen deze buiten de werkingssfeer van dit recht te stellen - ook al zal zich bij het handhaven van het muziekauteursrecht de door de geëerde pleitster voor de eiseres tot cassatie zo genoemde collectivistische tendenz manifesteren - vermag ik niet in te zien dat zulks in het onderhavige geval anders zou moeten zijn. Dat de wetgever niet over de bejaardentehuizen heeft gesproken, verhinderde m.i. het Hof niet langs de weg van de historische en teleologische interpretatie tot de beslissing te komen, dat in het onderhavige geval de uitzonderingsbepaling van art.12, tweede lid, niet van toepassing is, In ieder geval heeft het Hof het recht niet geschonden door met toepassing van deze methoden tot zijn beslissing te komen. Het eerste middel is dus ongegrond te bevinden. Als zo vaak bieden bedoelde methoden de enige weg de toepasselijkheid van een wetsbepaling vast te stellen, hetgeen temeer geldt voor een wetsbepaling als de onderhavige. Ook aan de hand van de wetsgeschiedenis blijft het moeilijk een grens te trekken (zie: Komen en Verkade t.a.p.). Die moeilijkheid ligt in de bepaling zelf. Zoals in Pfeffer-Gerbrandy 'Kort commentaar op de Auteurswet 1912' (1973, bldz. 117) terecht wordt opgemerkt, wordt in art. 12, tweede lid, tot uitvoering in het openbaar gestempeld wat het niet is, waar er immers de uitvoering in besloten kring onder wordt gebracht. Wanneer die besloten kring weer wordt beperkt tot de familie- of vriendenkring, waaruit de kennissen doelbewust zijn verwijderd, doch waarin ook door andere banden verbondenen zich op grond van de toevoeging 'of daaraan gelijk te stellen kring' zouden mogen bevinden dan is de moeilijkheid van het trekken van een grens gegeven, temeer wanneer men daarbij nog in aanmerking neemt, zoals het Hof ook heeft gedaan, dat voormelde toevoeging is opgenomen niet om de besloten kring van art. 12, tweede lid, buiten de familie- of vriendenkring uit te breiden maar om die kring ook buitenshuis van de uitzonderingsbepaling te doen profiteren. In het tweede middel van cassatie nu wordt er over geklaagd, dat het Hof niet heeft onderzocht of de woorden der wet verenigbaar zijn met de opvatting, dat "daarmee gelijk te stellen kring" niet alleen omvat de familie- of vriendenkring, buitenshuis vertoevend, doch mede die kring van personen omvat, die gedragen door eenzelfde levens- en/of wereldbeschouwing of godsdienstige overtuiging medebewoners zijn geworden van een bejaardentehuis, dat voor hen de vervanging vormt van de familie- en/of vrienden- kring. Vooropgesteld zij andermaal dat bij de wetgever in 1972 expliciet de bedoeling heeft voorgezeten, de beperking van de werkingssfeer van het auteursrecht tot de kleinst mogelijke proporties terug te dringen. "De wetgever ging hierbij van de gedachte uit 'dat in beginsel de auteur tegen elk ongeautoriseerd gebruik dat van zijn werk gemaakt wordt, beschermd behoort te zijn, behoudens wanneer een sociale noodzaak of behoefte bestaat, zijn recht dienaangaande bij de wet te beperken' (M.v.T. Ontw. 7877)", aldus: Pfeffer-Gerbrandy, t.a.p .. Op deze gedachte stoelt de hier aan de orde zijnde bepaling. Maar dan ontkomt men bij haar toepassing ook niet aan een zo strikt mogelijke interpretering van haar merkwaardige bewoordingen. Gezien tegen deze achtergrond kon het Hof, naar het mij voorkomt, in het onderhavig geval tot de beslissing komen, dat als niet openbaar in de zin van artikel 12 voormeld is aan te merken - amateuristische activiteiten, die hier niet aan de orde zijn, (wellicht) daargelaten - alleen een zonder betaling toegankelijke voordracht, op- of uitvoering of voorstelling in een besloten kring, gevormd door personen tussen wie een familie- of vriendschapsband bestaat. Welnu, naar het Hof feitelijk heeft vastgesteld, bestaan er tussen de bewoners van het hier in het geding zijnde bejaardentehuis, wanneer zij in de gemeenschappelijke ruimten, waar door de auteurswet beschermde muziek ten gehore wordt gebracht, vertoeven, geen familie- of vriendschapsbanden, weshalve die muziek niet ten gehore wordt gebracht in een familie- of vriendenkring. In het middel wordt, naar mijn mening, uit het oog verloren, dat de motieven, die er toe geleid hebben, dat bejaarden medebewoners zijn geworden van een bejaardentehuis (een zelfde levens- en/of wereldbeschouwing of godsdienstige overtuiging) te dezen irrelevant zijn. Bepalend is, zoals gezegd, de band tussen de bij de muziekuitvoering aanwezigen. Die band is in casu niet meer dan het door een samenloop van omstandigheden medebewoner zijn van hetzelfde bejaardentehuis, maar daaraan is verwantschap noch vriendschap inhaerent noch een zodanige band, die aan die van verwantschap of vriendschap gelijk is te stellen. Dat, zoals in het middel tevens wordt gesteld, de kring van medebewoners van een bejaardentehuis voor hen de vervanging vormt van de familie- en/of vriendenkring is te dezen evenmin ter zake, omdat, naar het Hof feitelijk heeft vastgesteld, niet alle bewoners van het tehuis, die in een gemeenschappelijke ruimte vertoeven, tot een vriendenkring kunnen worden gerekend. M.a.w. de mogelijkheid is niet uitgesloten, dat de bewoners van een bejaardentehuis hun medebewoners zien als een vervanging van hun familie- en/of vriendenkring, maar dit brengt nog niet mede, dat, wanneer zij in de gemeenschappelijke ruimten vertoeven, tussen allen daar aanwezigen een zodanige band bestaat, dat van een familie-, vrienden- of een daaraan gelijk te stellen kring in de zin der wet kan worden gesproken. Duidelijk is m.i. dat de wetgever reëele familie- en vriendschapsbanden of wat daar voor kan doorgaan op het oog heeft gehad, banden waardoor alle aanwezigen zich gebonden voelen. Het tweede middel moet derhalve falen. In het derde middel van cassatie wordt er over geklaagd, dat het Hof niet, naar aanleiding van hetgeen in de memorie van toe- lichting is betoogd, "dat het begrip "openbare uitvoering", welke aan toestemming van de auteur onderworpen is, behoort te worden geïnterpreteerd vanuit de tegenpool "de privé-kring", op grond daarvan heeft overwogen, dat bejaarden tezamen verblijvende in de gemeenschapsruimten van hun tehuis, verblijven in hun privé-kring. In de eerste plaats zal dit middel niet kunnen slagen, omdat het Hof, zijn oordeel motiverend, daarbij niet behoefde in te gaan op alle argumenten, welke voor een andersluidend oordeel zouden kunnen worden aangevoerd. In de tweede plaats zou, naar mijn mening, 's Hofs oordeel niet anders hebben geluid, wanneer het op vorenbedoelde passage van de memorie van toelichting zou zijn ingegaan. Het Hof zou daarbij dan tevens hebben gelet op hetgeen aan het boven weergegeven citaat ontbreekt, nl. "waarbij dan wordt aangenomen, dat alle uitvoeringen e.d. toestemming van de auteur behoeven, behalve die, welke geschieden in de familie- of daarmede gelijk te stellen kring." Vastgesteld zijnde dat tussen alle bewoners van het bejaardentehuis van eiseres tot cassatie geen familie- of vriendschapsbanden bestaan, ligt het voor de hand - voormeld citaat in aanmerking nemend - dat de bewoner van een bejaardentehuis, die zich vanuit zijn privévertrek naar een van de gemeenschappelijke ruimten van het bejaardentehuis begeeft zijn "privé- kring" verlaat. Juist gezien vanuit de tegenpool "de privé-kring" zal het ten gehore brengen van muziek in de gemeenschappelijke ruimten van een bejaardentehuis veeleer aan te merken zijn als een openbare uitvoering zoals bedoeld in art. 12 tweede lid, van de Auteurswet. Ook het derde middel zal niet tot cassatie kunnen leiden. Ik moge concluderen tot verwerping van het beroep met de veroordeling van eiseres tot cassatie in de kosten op de voorziening gevallen. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.