JL Nr. 5582 Request Huur Parket, 11 december
(1980), nr. 5.2, p. 47, in verband met § 4 van Hoofdstuk 3, p. 38 - 40, p.
- Het enkele feit dat verhuurder en huurder elkaar (dan wel alleen de eerste de tweede) niet kunnen verdragen is mitsdien geen ontruimingsgrond op basis van art. 1623e lid 1 onder a B.W.. Wel schuilt hier nog een meer beperkte gedachte op andere grondslag, die evenwel niet aan het cassatiemiddel ten grondslag ligt mede gezien de daarbij gegeven toelichting, en die door verweerders in cassatie ook niet daarin is gelezen. Het komt mij namelijk voor dat, gelet op de door de Huurwet gestimuleerde rechtsontwikkeling van hetgeen tussen partijen in de huurbeschermingsfase gold en de invloed dat dit volgens de wetsgeschiedenis op de betekenis van de huidige bepalingen als art. 1623e B.W. heeft, partijen in hun huurverhouding zich jegens elkaar (en ook hun medebewoners) van gedrag dienen te onthouden dat onnodig aanstootgevend voor de wederpartij is, dat ze kortom met elkaar (en ook jegens de andere medebewoners) bij de uitvoering te goeder trouw van het contract rekening dienen te houden, ook in die zin dat men zich ertoe inzet elkaar te verdragen. Daarin vindt het criterium “het gedrag zoals een goed huurder betaamt” zijn verdere afbakening. Men zal zich bij deze beoordeling echter niet van het gedrag van de huurder kunnen verwijderen. Het mag ook niet om futiliteiten, een enkele misslag gaan. Er moet een in de verhouding van partijen ernstiger gedraging zijn, maar weer niet zo ernstig dat dit ook een vordering tot ontbinding op grond van wanprestatie zou rechtvaardigen. Dit volgt uit de wetsgeschiedenis van de Wet 15 juni 1972, S.
- Men zie het reeds eerder genoemde arrest van Uw Raad, H.R. 4 juli 1978, N.J. 1978, no. 645, met gegevens in de conclusie. Het blijkt niet dat de Rechtbank dit een en ander uit het oog verloren heeft. Ze ontkent met recht dat de gerelateerde rechtspraak omtrent art. 18 Huurwet op het omstreden punt nog zonder meer zelfstandige betekenis zou hebben. Zoals gezegd heeft die rechtspraak dit slechts indirect in voormeld verband. De Rechtbank constateert voorts uitsluitend en met recht dat een slechte verhouding en daaruit voortvloeiende of daarmee samenhangende spanningen en irritaties, ontstemming en ergernis niet voldoende zijn een op opzegging volgend verzoek tot het vaststellen van het tijdstip waartegen de opgezegde huur eindigt, te dragen. De gestelde gedragingen, voor zover reeds als vaststaand aanvaard, heeft de Rechtbank stuk voor stuk en tot slot nog eens tezamen tegen de achtergrond van de huurverhouding - met uiteraard hetgeen deze meebrengt - getoetst en te licht bevonden tegenover de verlangde ernstige maatregel van huurbeëindiging met als gevolg ontruiming. Gelet op de feitelijke vaststellingen door de Rechtbank en de eenvoudige overzichtelijkheid van de als vaststaand overgebleven gedragingen zal Uw Raad, zo nodig, ook zelf kunnen vaststellen, dat de Rechtbank met haar toetsing in dit geval in ieder geval ook binnen de norm als voormeld omschreven is gebleven. Het cassatiemiddel zal aldus in beide onderdelen falen. Voor wat onderdeel 2 betreft, komt daarbij dat tegen rechtsoordelen niet met motiveringsklachten kan worden opgekomen. Vgl. onder meer H.R. 27 april 1979, N.J. 1980, no.351 (E.A.A.L.), laatste overweging. Ik concludeer derhalve tot verwerping van het verzoek tot cassatie met een beslissing omtrent de kosten naar Uw Raad vermeent te behoren. De wederzijds gedane verzoeken tot de kosteloze procedure in cassatie te worden toegelaten zijn m.i. toewijsbaar. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,