ebNr. 11 882Zitting 2 april 1982 Mr. ten Kate Conclusie inzake: [eiser] tegen VERENIGING [verweerster] Edelhoogachtbaar College, Op 27 februari 1979 huurde [eiser] (eiser tot cassatie) een woning van de Vereniging (verweerster in cassatie) tegen laatstelijk ƒ 845,95 per maand. Bij brief van 18 augustus 1979 deelt [eiser] mee deze huur per 1 september te willen beëindigen. De Vereniging wijst bij brief van 21 augustus 1979 erop dat de huurverplichtingen tot en met 31 maart 1980 doorlopen, maar dat ze bereid is aan eerdere beëindiging mee te werken, indien een aaneengesloten opvolging kan worden bereikt (prod. 1 mem.v. antw.). [eiser] betaalde echter vanaf 1 september 1979 geen huur meer, zodat per eind februari 1980 een huurachterstand van ƒ 5.907,65 bestond. [eiser] verhuurde de woning onder - aldus zijn mem.v.antw. p. 1 - aan [betrokkene 1] tegen dezelfde huurprijs (eerste al. c.v.dupl.). De huur werd slechts over de maand oktober betaald. [eiser] stelde t.a.p. voorts dat overeengekomen was dat [betrokkene 1] de woning uiterlijk 31 maart 1980 ontruimd moest opleveren, tenzij hij met de Vereniging een huurovereenkomst zou hebben gesloten. Bij brief van 23 november 1979 (prod. 2 mem.v.antw.) verzette de Vereniging zich tegen onderhuur of ingebruikgeving om niet als in de huurovereenkomst zonder haar voorafgaande toestemming verboden. Een poging van de Vereniging tot een huurovereenkomst met [betrokkene 1] te komen, is gestrand. Intussen schijnt ook [betrokkene 1] zich niet meer in de woning te bevinden, doch schijnen derden daar te verblijven. Bij c.v.a. stelde [eiser] dat de huurovereenkomst als afgesproken op 31 maart 1980 is geëindigd, Bij c.v.repl. stelde de Vereniging daarop: "Reeds op grond van gedaagdes wanprestatie behoort de huur ontbonden verklaard te worden doch in ieder geval heeft kennelijk ook gedaagde ingestemd met een van de huur per 31 maart 1980". Bij de toelichting in de mem.v.gr. op grief I heeft de Vereniging zich ertegen verzet, dat zij hiermee 31 maart 1980 als beëindigingsdatum zag, zoals de Kantonrechter vaststelde. De Rechtbank gaat echter ook van deze datum uit. Bij de dit geding inleidende dagvaarding van 19 februari 1980 vorderde de Vereniging ontbinding van de met [eiser] gesloten huurovereenkomst wegens wanbetaling en wegens het afstaan van het gebruik van de woning aan derden in strijd met het huurcontract. De Kantonrechter te Amsterdam achtte bij zijn vonnis van 11 augustus 1980 de vordering tot ontbinding niet-ontvankelijk, nu de overeenkomst reeds per ultimo maart 1980 tussen partijen was beëindigd. Verwijzende naar art. 1623k lid 2 BW voor wat betreft [betrokkene 1] , wiens onderhuurovereenkomst wellicht per 31 maart 1980 is geëindigd, wijst de Kantonrechter de vordering tot ontruiming af. De betaling van de huurachterstand wordt tot 1 april 1980 toegewezen. Het appel van de Vereniging heeft succes. De Rechtbank te Amsterdam wijst bij vonnis van 4 maart 1981 op grond van wanbetaling de vordering tot ontbinding met ontruiming "met al het zijne en al de zijnen" alsnog toe en daarbij vanaf 1 april 1980 de vordering tot betaling van het huurbedrag voor iedere maand dat nog niet ontruimd is. Voor wat betreft de huurachterstand wordt het vonnis van de Kantonrechter bekrachtigd. [eiser] komt nu in cassatie, Voor wat betreft onderdeel a van het middel dient te worden gesteld dat de verhuurder, die met wanprestatie van zijn huurder wordt geconfronteerd naast opzegging de vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst ter beschikking heeft. Men zie art. 1623n BW, waarin de toepasselijkheid van de artt. 1302 en 1303 BW, zij het onder rechterlijke contrôle, wordt gehandhaafd. De vraag, of een verhuurder, die de huur met zijn huurder beëindigd heeft, bij een vordering tot ontbinding belang heeft, is in haar algemeenheid niet te beantwoorden. Veelal zal het zinloos zijn, zoals Meijers dit als verklaring aangaf ten aanzien van de arbeidsovereenkomst, waarbij zich in dit opzicht te vergelijken problemen in verband met art. 1639x BW kunnen voordoen. Vgl. concl. p. 711 l.k. vóór HR 12 december 1980, NJ 1981 no. 202 (P.A.S.). De Rechtbank motiveert haar toewijzing door in navolging van voormeld arrest op de terugwerkende kracht van de ontbinding te wijzen. Dit heeft in ieder geval in zoverre overtuigende kracht, dat aldus een eerder tijdstip van beëindiging kan komen vast te staan. En nu de ontbinding bij wanprestatie is toegelaten, zou ik menen dat deze weg dan ook opgegaan mag worden, ook al zouden dezelfde doeleinden langs andere wegen evenzeer en wellicht zelfs doelmatiger bereikt kunnen worden. Daarbij komt dat bv, voor de vordering tot ontbinding het voorschrift uit art. 1623c lid 4 niet geldt, als zal het wellicht verstandig zijn zekerheidshalve in verband met het navolgende toch de overlegging van een verklaring van de Huurcommissie als in dat artikellid bedoeld te vragen. Het onderdeel zou ik reeds hierom ongegrond achten. Ik moet voormelde, met "ook al" ingeleide, toevoeging nog toelichten. Indien partijen de datum van beëindiging van de huur overeengekomen zijn en aldus hun verplichtingen over en weer nader hebben afgepaald, zal een ontbinding van de huurovereenkomst met schadevergoeding in de afwikkeling van de verhoudingen geen wezenlijke wijziging brengen. Voor zover er huurachterstand bestaat, zal deze niet als nakoming van de huurovereenkomst doch op basis van schadevergoeding als gevolg van de ontbinding verschuldigd zijn. De datum van beëindiging van de overeenkomst is ook ná ontbinding niet zonder belang, omdat in ieder geval tot die datum huur gevorderd kon worden en deze vordering als gevolg van de ontbinding verloren is gegaan en tot schadevergoeding aanleiding geeft. Of ook over de periode daarna vergoeding verschuldigd is, hangt van de omstandigheid af, of het oorspronkelijk gehuurde na die datum ontruimd ter beschikking is gesteld. Als dat niet is gebeurd, kan dit in het licht van de beëindigde huurovereenkomst wanprestatie opleveren, die tot schadevergoeding verplicht. Men zie hierover verder naar aanleiding van onderdeel e. Nu het in casu om een zelfstandige woning gaat, waarin (mogelijkerwijs) een onderhuurder is achtergebleven aan wie het gebruik van de woning door de huurder is afgestaan, speelt in het kader van de vraag naar het "belang" de kwestie, of art. 1623k BW ook bij ontbinding van de huurovereenkomst van toepassing is. Omstreden is namelijk, of de bescherming die art. 1623k BW de onderhuurder "in geval van beëindiging van de huurovereenkomst tussen huurder en verhuurder" biedt namelijk voortzetting door de verhuurder van de lopende onderhuur als huur met hem óók het geval betreft dat de huurovereenkomst door ontbinding eindigt, zoals in casu. Aangezien in de volgende onderdelen onder meer over verkeerde toepassing van art. 1623k BW wordt geklaagd, zal deze vraag eerst moeten worden beantwoord. In de M.v.A. bij de desbetreffende wet van 21 juni 1979, S. 330 (Zitting 1978-1979 - 14.249, stuk nr. 6, p. 2) komt tot uitdrukking dat bij onderhuur van een zelfstandige woning in tegenstelling tot die van een onzelfstandige woning de onderhuurder in beginsel steeds kan blijven als de hoofdhuur tot een einde komt. Dit is een voorziening, die bij de (Eerste) Nota van wijzigingen (stuk nr. 7) werd getroffen. Bij de in deze Nota op p. 9 bij het desbetreffende art. 1623j (nu: k) gegeven toelichting wordt nog eens uitdrukkelijk aangetekend dat dit ook voor onbevoegde onderhuur van de zelfstandige woning geldt. Vgl. voorts: Nadere M.v.A. (stuk nr. 11), p. 19/20; M.v.A. Eerste Kamer (stuk nr. 113a), p. 4 bij art. 1623c, p. 10 bij art. 1623k. Het gaat om kering van misbruik, met name aan zijde van de verhuurder. De wetgever kiest tot dat doel bewust een onbeperkte, ruime tekst in de wet. Ter voorkoming van misbruik van de zijde van de huurder worden vervolgens bij Tweede Nota van Wijzigingen (stuk nr, 12) in het voorgestelde art, 1623j, (nu:k) een aantal voorzieningen in lid 2 getroffen. Vgl, Nadere M.v.A. (stuk nr. 11), p. 19 en Tweede Nota van Wijzigingen (stuk nr. 12), p, 26. Tevens wordt (men zie art. 1623k, nu: n, in de Tweede Nota van Wijzigingen, stuk nr, 12) de weg van de ontbinding onder rechterlijke contrôle gebracht om te verzekeren dat deze weg slechts wordt opgegaan bij tekortkomingen van de huurder van zodanige ernst, dat hem het woonrecht ontzegd moet worden (Nadere M.v.A., stuk nr. 11, p. 3). Vgl. M.v.A. Eerste Kamer (stuk nr. 113a), p. 11 bij art. 1623n. Overigens keert dit de mogelijkheid van misbruik niet, omdat de huurder ten behoeve van de verhuurder zeer wel een situatie van ernstige wanprestatie zijnerzijds - bv. door het betalen van huur na te laten - kan creëren. Bij de mondelinge behandeling in de Eerste Kamer komt weer de mogelijkheid van misbruik aan zijde van de huurder, die immers ook onbevoegd met rechtsgevolg kan onderverhuren, aan de orde. Naar het mij voorkomt, is in dat verband de ontbinding van de huurovereenkomst afgezet tegen de afweging op basis van art. 1623e BW en is de daarnaast bestaande bescherming uit art. 1623k BW van de onderhuurder van een zelfstandige woning meer op de achtergrond gebleven, ofschoon bij de inleiding van dit debat dit artikel werd geciteerd. Vgl, Hand. I juni 1979, p. 1135 l.k., p. 1142 r.k., p. 1146 m.k., p. 1146 r.k,, p. 1148/l149. Gelet op dit een en ander, in het bijzonder op de beoogde bescherming van de onderhuurder van een zelfstandige woning bij het einde van de hoofdhuur, en gezien de omstandigheid dat in de tekst van het artikel aanhaking ontbreekt, welke duidelijk in andere richting wijst, meen ik dat zowel beëindiging van de huur door ontbinding als die door opzegging onder art. 1623k lid 1 BV valt. In dezelfde zin: Bockwinkel, NJB 1979, p. 883 l.k.; Hartkamp, Ruesink en Tomlow, NJB 1980, p. 574 r.k., p. 575, die in "Recht voor de huurder"
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.