JL Nr. 11.899 Zitting 7 mei 1982 Mr. Biegman-Hartogh Conclusie inzake: [eiseres] tegen GEMEENTE VALBURG Edelhoogachtbaar College, Deze zaak betreft precontractuele verhoudingen in de bouw. Eiseres tot cassatie [eiseres] heeft op verzoek van de gemeentesecretaris van Valburg een offerte ingediend voor de bouw van een overdekt zwembad. Vervolgens heeft [eiseres] op verzoek van de gemeente - maar op eigen kosten - adviezen van verschillende deskundigen ingewonnen en een herziene offerte overgelegd die was aangepast aan het programma van eisen van de gemeente en die een prijs van f 1.300.000, -- aangaf. De bouw van het zwembad is gegund aan een aannemer, die zich eerst na het indienen van de offertes van [eiseres] bij de gemeente heeft aangemeld en wiens plan f 156.000, -- goedkoper was dan dat van [eiseres] (zie uitvoeriger omtrent de feiten het vonnis van de Rechtbank, rov. 3 t/m 7 op p. 3 - 5). [eiseres] vorderde primair: de gemeente te veroordelen tot nakoming van de volgens haar op 9 januari 1975 tot stand gekomen aannemingsovereenkomst; subsidiair deze overeenkomst te ontbinden met schadevergoeding voor de gemaakte voorbereidingskosten ad f 60.000, -- plus f 70.000, -- voor gederfde winst, in totaal dus f 130.000, --; meer subsidiair tot vergoeding van genoemde schade op grond van onrechtmatig handelen c.q. wanprestatie. De gemeente ontkende dat een overeenkomst tot stand was gekomen. De vordering tot nakoming is bij c.v.r. ingetrokken, daar het zwembad inmiddels reeds door de andere aannemer was gebouwd. De Rechtbank heeft de gemeente veroordeeld tot betaling van schadevergoeding ten bedrage van f 130.000, --. Het Hof stelde vast dat tussen partijen geen overeenkomst tot stand was gekomen, maar dat op 9 januari 1975 een precontractuele verhouding is ontstaan; het was van oordeel dat een vordering wegens gederfde winst op de grondslag van de goede trouw in een precontractuele verhouding niet toewijsbaar was, maar in casu evenmin de vordering tot vergoeding van kosten nu deze waren gemaakt vóór 9 januari 1975, en het Hof wees de vordering van [eiseres] af. Tegen deze beslissing richt zich het uit zes onderdelen bestaande cassatiemiddel. Alvorens deze te behandelen enkele opmerkingen over precontractuele verhoudingen in het algemeen. Ons recht gaat uit van het beginsel van contractsvrijheid, hetgeen met zich brengt dat men eveneens vrijheid moet hebben om met iemand te onderhandelen en na verloop van tijd toch met een ander te contracteren zonder aansprakelijk te zijn voor door de eerstgenoemde onderhandelingspartner vergeefs gemaakte kosten. Er zijn echter omstandigheden dat een gedraging van een partij tijdens de onderhandelingen of bij het afbreken er van zodanig in strijd is met ongeschreven normen dat hij aan de ander schadeloosstelling verschuldigd wordt. Zo'n situatie kan zich met name voordoen bij onderhandelingen om te komen tot een overeenkomst van aanneming van werk, waarbij de aannemer kosten maakt voor tekeningen en berekeningen en soms ook reeds voor voorbereidingswerkzaamheden. Dan rijzen vragen - die uiteraard onderling nauw samenhangen - als: welke zijn dan die omstandigheden of gedragingen die een aanbesteder in spe aansprakelijk kunnen maken voor kosten van zijn precontractuele partner, wat is daarbij de juridische grondslag voor een verplichting tot schadevergoeding, en welke schade komt voor vergoeding in aanmerking? Zie over deze vragen in het algemeen: H. Drion, Preadvies Vereniging voor de vergelijkende studie van het recht van België en Nederland, 1967-1968 p. 265 e.v., thans ook gepubliceerd in: Geschriften van H. Drion, Kluwer 1982, p. 231 e.v., G.H.A. Schut, Rechtshandeling, overeenkomst en verbintenis, Studiepocket privaatrecht 1980 p. 40 e.v. en voorts O.D. VI (Martens) no. 35; over precontractuele verhoudingen in de bouw: H.A. Groen en M.A. van Wijngaarden, B.R. 1970 p. 723 e.v., mijn artikel in hetzelfde blad 1972 p. 157 e.v .; over de precontractuele fase bij contracten met de overheid: Contractenrecht VIII (J. Spier) no. 20 e.v. en over contractsweigering door de overheid: O.D. VII (J.H.W. de Planque) no. 283c. Het NBW heeft van een bijzondere regeling van precontractuele verhoudingen niet willen weten, zie Parlementaire Geschiedenis Boek 6 p. 878/879; de wetgever is van oordeel dat in het algemeen een ieder vrij behoort te zijn offertes of nadere informatie te vragen zonder gevaar te lopen voor de kosten te worden aangesproken; slechts in bijzondere omstandigheden kan op grond van ongeschreven betamelijkheidsregels een aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad bestaan. Na het bekende arrest HR 18 april 1969 NJ 1969, 336 G.J.S. (gemeente Katwijk tegen De Vroom q.q. ) zijn sinds kort vier arresten gewezen over precontractuele verhoudingen: BR 16 januari 1981 NJ 1981, 426 C.J.H.B. (verhuur garagebedrijf), HR 13februari 1981 NJ 1981, 456 C.J.H.B. (ruil van grond); HR 26 juni 1981 NJ 1981, 493 P.A.S. (werving personeel) en HR 15 mei 1981 NJ 1982, 85 C.J.H.B. (koop van aandelen). Het meeste overeenkomst met het onderhavige geval voor wat betreft de omstandigheden vertoont (na dat van 1969) het arrest van 13 februari 1981, waarbij werd beslist dat de gemeente aansprakelijk was op grond van onrechtmatige daad, nu B &VW in strijd met een op hen rustende zorgvuldigheidsplicht hebben gehandeld door een (voorlopige) overeenkomst van ruil van grond niet aan de Raad voor te leggen. In de door H. Drion (a.w. p. 268) genoemde groepering van gevallen die in precontractuele verhoudingen in strijd met ongeschreven normen kunnen zijn, zou het onderhavige geval kunnen worden ondergebracht bij de groep van gevallen van misbruik maken van tijdens onderhandelingen verkregen gegevens (de Rechtbank zinspeelt hierop in rov. 10, 2de en 4de alinea), zowel als onder de groep van doorgaans met onderhandelen en het op kosten jagen van de aannemer terwijl (althans een lid van) de "zwembadcommissie" eigenlijk voornemens is met een ander in zee te gaan. Het Hof heeft zich over de omstandigheden van het geval echter in het geheel niet uitgelaten; het heeft uitsluitend vastgesteld dat geen overeenkomst van aanneming van werk was tot stand gekomen. Wel werd beantwoord de vraag naar de grondslag van een mogelijke vordering, die blijkens rov. 12 door de Rechtbank in het midden was gelaten, hetgeen echter van minder belang is, nu ongeschreven normen van goede trouw bij precontractuele verhoudingen niet te onderscheiden zijn van de zorgvuldigheidsnormen bij onrechtmatige daad, zie H. Drion a.w. p. 279, Schut a.w. p. 43 en C.J.H.B. in zijn noot bij NJ 1981, 426. Het eerste onderdeel klaagt over onbegrijpelijkheid van 's Hofs vaststelling (rov. 2) dat geen van beide partijen in hoger beroep hebben aangevochten het oordeel van de Rechtbank dat géén overeenkomst tot aanneming van werk was tot stand gekomen, en het betoogt dat het Hof naar dit feit, dat door [eiseres] als primaire grondslag van haar vordering was gebezigd, alsnog een onderzoek had behoren in te stellen. Het is vaste rechtspraak dat de uitleg door de appelrechter van zowel de uitspraak van de rechter in prima als de daartegen door partijen gerichte grieven, feitelijk en dus in beginsel in cassatie onaantastbaar is. Dat in dit geval de Rechtbank van oordeel was dat geen overeenkomst tot stand was gekomen, heeft het Hof m.i. duidelijk en begrijpelijk gemotiveerd door te verwijzen naar rov. 10 en 12 van het vonnis en naar het niet uitspreken van de gevorderde ontbinding. De raadsman van [eiseres] heeft trouwens te kennen gegeven in zoverre wel met 's Hofs oordeel mee te gaan, evenals met 's Hofs overweging dat tegen deze beslissing van de Rechtbank geen, althans geen uitdrukkelijk als zodanig geformuleerde, grief is opgeworpen. Niettemin betoogt hij dat, nu het debat tussen partijen in belangrijke mate is toegespitst op de vraag van het al dan niet tot stand komen van de overeenkomst, het Hof hiernaar ook zonder dat incidenteel appel was ingesteld, een onderzoek had dienen in te stellen. In dit onderdeel lees ik zowel een processuele als een motiveringsklacht, en ik zal met de laatste beginnen. De aangevoerde grieven in hoger beroep, en het daartegen bij memorie van antwoord betoogde richtten zich tegen een aantal woordelijk aangeduide (onderdelen van) rechtsoverwegingen van de Rechtbank, opgesomd in rov. 1 van het Hof. De door eiser tot cassatie in dit verband met name genoemde grieven betreffen resp. grief VI: het (al dan niet) aan zich houden door de Raad van de gunning; grief VIII: het vervallen van het vrijblijvend karakter van de onderhandelingen; en grief IX: de telegrammen met prijsverlaging die [eiseres] op 21 januari 1975 nog aan de gemeente zond. Bij memorie van antwoord betoogt [eiseres] sub 1, dat zij "haar stellingen handhaaft, voor zover zij daarop niet uitdrukkelijk terugkomt" en sub 6: "PBO (= [eiseres]) heeft in de procedure in prima diverse gronden opgesomd voor de gevorderde veroordeling. Gemakshalve zet PBO deze grondslagen nog eens op een rijtje: a) B & W van de gemeente hebben op 9
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.