JL Nr. 20.808 Derde Kamer A Pleidooi 6 januari 1982 Parket, 2 maart
(15)de ondernemer slechts in aftrek kan brengen de belasting betrekking hebbend op de levering van goederen welke door andere ondernemers aan hem in rekening is gebracht; dat nu in het onderhavige geval vaststaat dat de auto niet aan belanghebbende doch aan haar genoemde vennoot persoonlijk in rekening is gebracht de inspecteur terecht de in geschil zijnde aftrek ..... heeft geweigerd". Naar het mij voorkomt, kan deze overweging de beslissing niet dragen. Nu voor de heffing van de omzetbelasting combinaties zonder rechtspersoonlijkheid als ondernemer aangemerkt worden, kan men te haren opzichte niet strikt vasthouden aan een wettelijke terminologie die gebaseerd is op de vormen waarin personen aan het rechtsverkeer deelnemen. De relaties die zulke combinaties hebben met andere ondernemers, zullen afhankelijk van de omstandigheden nu eens op naam van de combinatie dan weer op andere wijze te name gesteld worden. In die situatie zal naar redelijkheid en met het oog op de strekking van de belasting naar de toegevoegde waarde beoordeeld moeten worden, of de relaties aan de als ondernemer aangemerkte combinatie toegerekend moeten worden of niet. Evenals nu, naar ik hiervóór onder V uiteen zetten, geen doorslaggevende betekenis gehecht mag worden aan een onderscheid tussen aanschaffing door de - geen rechtspersoonlijkheid bezittende - maat- of vennootschap enerzijds en aanschaffing door een afzonderlijke vennoot of firmant anderzijds, mag ook geen doorslaggevende betekenis gehecht worden aan de tenaamstelling van de door de leverancier ingediende rekening. De formeelrechtelijke voorschriften zullen waarborgen, dat de aanspraak op aftrek van voorbelasting in de administratie van de als ondernemer aangemerkte maatschap nagegaan kan worden, maar daarmede moet dan ook worden volstaan. Derhalve zal reeds op deze grond, die ik lees in middel 3, 's Hofs uitspraak vernietigd moeten worden. VII. De fiscale eenheid. De middelen 1 en 2 gaan er van uit, dat het ondernemerschap van de belanghebbende berust niet op art. 7, lid 1, O.B.'68 jo. art. 7, lid 2, aanhef en letter a, O.B.'68, tekst 1978, maar op art. 7, lid 4, O.B.'68, tekst
- Naar art. 4, lid 4, 2e al., Zesde richtlijn van de Raad van de Europese Gemeenschappen "kan elke Lid-Staat personen die ..... juridisch gezien wel zelfstandig zijn, doch financieel, economisch en organisatorisch nauw met elkaar verbonden zijn, te zamen als één belastingplichtige aanmerken". Art. 7, lid 4, 0.B.'68, tekst 1978, houdt in: "Natuurlijke personen en lichamen die in financieel, organisatorisch en economisch opzicht zodanig zijn verweven, dat zij een eenheid vormen, worden als één ondernemer aangemerkt." De desbetreffende Memorie van toelichting, 1977- 1978 - 14.887, nr. 3, blz. 19, 3e al., hield in: "De formulering stemt overeen met het in de jurisprudentie ontwikkelde leerstuk van de fiscale eenheid." In de Nota naar aanleiding van het eindverslag, 1978-1979, nr. 8, blz. 7, werd gesteld "dat het hier niet gaat om een verandering in de huidige praktijk. Misverstanden over de gevolgen van de voorgestelde wetswijziging lijken ons hiermede uitgesloten." Staatssecretaris Nooteboom, Handelingen, blz. 2049, rechterkolom, 2e al., zei: "De bewoordingen waaronder de fiscale eenheid in de jurisprudentie werd geconstateerd zijn exact overgenomen in de wet." Uit de geschiedenis van art. 7, lid 4, 0.B.'68, tekst 1978 blijkt, dat het voorschrift uitsluitend ziet op hetgeen traditioneel een fiscale eenheid wordt genoemd, dat wil zeggen (J. Tiggelman, "De fiscale eenheid", Belastingbeschouwingen, juni 1961, O.B.'18): "wanneer een ondernemer een andere ondernemer beheerst in financieel, economisch en organisatorisch opzicht". Dat doet zich alleen voor bij combinaties van niet- natuurlijke personen onderling en bij combinaties van een of meer niet-natuurlijke personen met een - beheersende - natuurlijke persoon. Nu kan de belanghebbende toegegeven worden, dat de tekst van art. 7, lid 4, 0.B.'68, tekst 1978, zich wel zou lenen voor een meer extensieve interpretatie dan uit de geschiedenis volgt, en ik zou daarin dan ook wel mee willen gaan indien daardoor de strekking van de belasting naar de toegevoegde waarde beter tot haar recht kwam. Ik liet echter, naar ik meen, hiervoor onder V en VI zien, dat deze extensieve interpretatie daarvoor niet nodig is, aangezien ook bij het ondernemerschap van de maatschap uit hoofde van art. 7, lid 1, O.B.'68 jo. art. 7, lid 2, aanhef en letter a, O.B.'68, tekst 1978, met behulp van een redelijke, teleologische, uitlegging van de wet, in het bijzonder van art. 15, lid 1, 0.B.'68, een gelijk resultaat wordt bereikt. Ik zou er daarom aan willen vasthouden art. 7, lid 4, 0.B.'68, tekst 1978, overeenkomstig zijn geschiedenis niet extensief uit te leggen. Derhalve moeten de middelen 1 en 2 falen. VIII. Resolutietoepassing of wetstoepassing. Het Hof heeft overwogen (5e - 6e al., blz. 9 v.), "dat belanghebbende terecht gebruik gemaakt heeft van de mogelijkheid om op de voet van de in de resolutie van 9 april 1970 getroffen regeling op haar aangifte de omzetbelasting in aftrek te brengen welke geacht kan worden te zijn begrepen in de door belanghebbende aan de vennoot [A] betaalde kostenvergoeding terzake van het gebruik - ten behoeve van de maatschap - van de hem in eigendom behorende personenauto; dat deze wijze van handelen van belanghebbende evenwel strijdig is met belanghebbendes in dit geding naar voren gebrachte opvatting dat aanspraak op aftrek bestaat van de omzetbelasting welke door een garagebedrijf aan genoemde vennoot in rekening is gebracht terzake van de levering van een personenauto waarvan genoemde vennoot persoonlijk en niet de maatschap de eigendom heeft verkregen". Het is mij niet ten volle duidelijk, welke strijdigheid het Hof op het oog heeft. Mocht het doelen op de gedragslijn die de maatschap tot en met januari 1979 gevolgd heeft, dan zou zulks alleen tot consequenties voor de omzetbelasting over februari 1979 kunnen leiden, indien de tegemoetkomende resolutie zou impliceren dat daartegenover later zekere nadelen moeten worden aanvaard. Daarvan nu is niets gebleken. Met name zal men mogen aannemen, dat de kostenvergoedingen die [A] tot en met januari 1979 heeft getoucheerd geen betrekking hadden op de auto die hij in februari 1979 heeft aangeschaft. Mocht het Hof doelen op de berekening van de omzetbelasting over februari 1979, dan zou van strijdigheid slechts in zoverre sprake kunnen zijn als de maatschap op kostenvergoeding aan [A] over februari 1979 met betrekking tot de nieuwe auto de regeling van de resolutie zou hebben toegepast en thans aftrek van de volle voorbelasting op de nieuwe auto verlangt. Maar in dat geval zou de strijdigheid alleen kunnen leiden tot verrekening van hetgeen reeds afgetrokken is, niet tot afwijzing van de volle aftrek. De belanghebbende voert in middel 4, letter b, evenwel aan, dat van dubbele aftrek niet blijkt, en in middel 4, letter c, dat het Hof buiten de rechtsstrijd is getreden aangezien de Inspecteur de gevraagde teruggave tot een bedrag van f 3.658,20, voor wat de berekening betreft, niet heeft bestreden. Uit de stukken van het geding blijkt inderdaad niet van zodanige bestrijding. Ik meen derhalve, dat middel 4 terecht is voorgedragen. IX. Conclusie. De middelen 3 en 4 gegrond bevindende, concludeer ik tot vernietiging van de bestreden uitspraak, tot vernietiging van de uitspraak van de Inspecteur en tot teruggaaf van omzetbelasting tot een bedrag van f 3.658,
- De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,