eb Nr. 12.289 Zitting 27 januari 1984 Mr. Mok Conclusie inzake: A.ANNITOU tegen
(1980), p. 79 kan ik een dergelijke bedoeling niet terugvinden. Kamerst. 7163, nr. 3, p. 12/
- Zie ook ed. S & J, 86, p.
- Afd. rechtspraak R.v.S. 26 juni 1978, RV 1978, 24 (p. 70). Zie ook Rekers, Gids vreemdelingenrecht (losbl.) C II-6 en Vreemdelingencirculaire 1982, A 4/3.3.:’’Aan vreemdelingen die niet beschikken over de voor hen vereist m.v.v. wordt in beginsel geen vergunning tot verblijf verleend (…). Dat is echter niet in alle opzichten. Zo ontgaat het mij waarom, zoals bij implicatie wordt gesteld, een vreemdeling zich in een procedure voor de administratieve rechter n.a.v. een verzoek om een m.v.v. niet door een Nederlandse advocaat zou kunnen laten bijstaan. Afd. rechtspraak R.vS. 20 november 1979, RV 1979,
- Vreemdelingencirculaire 1982, A 4/3.
- en 5.6.2.
- HR 25 april 1980, NJ 1981, 416 (Sögüt/Staat), m.n. M. Scheltema. Vgl. de m.v.t. op het ontwerp-Vw., t.a.p., p. 16 (ed. S & J), 86, p.
- Zie c.o.m. in die zaak sub 2.2., 2e alinea. Vgl. HR 25 juni 1982, NJ 1983, 194, m.n. W.H. Heemskerk, ad middel II. Zie ook de conclusie van mijn ambtgenoot Leijten sub 3 en de noot sub 2.