JL Nr. 22.146 Derde Kamer A Pleidooi 2 november 1983 Parket, 19 januari
(1950): 13 met noot Tj.S. Visser; verg. Hof 's-Gravenhage 21 mei 1960, BNB 1961/113; 24 mei 1965, BNB 1966/58 (zie nader hierna onder 9.9); 24 augustus 1976, te kennen uit HR 6 april 1977, BNB 1977/122) wat zwaarder te achten dan de hiervóór onder 6 besproken kans. Ik acht zulks in overeenstemming met het realiteitsaspect van goed koopmansgebruik: de realiteit wordt in geval van een passiefpost wegens verplichtingen niet alleen door de behoorlijke kans op het ontstaan, maar mede door het reeds bestaan van een rechtsverhouding gewaarborgd; in geval van een reserve tot gelijkmatige verdeling van kosten en lasten dient slechts de redelijke verwachting op zichzelf het realiteitsaspect. In het Beroepschrift, onder IV, C, 1, blz. 21, stelde de belanghebbende ‘’een vast en duidelijk voornemen de havenwerknemers die op 31 december 1979 in dienst zijn VUT-uitkeringen te verstrekken als zij vervroegd wensen uit te treden''. De Inspecteur heeft in zijn Vertoogschrift, par. 3, blzz. 9 e.v., de aanwezigheid van het stellige voornemen betwist, voor zover het meer zou inhouden dan het voornemen telkenjare uitvoering te geven aan hetgeen alsdan de uitkomst van de C.A.O.-onderhandelingen zou blijken te zijn. In de Pleitnota zijdens de belanghebbende, die in 's Hofs uitspraak, blz. 1, als ingelast is aangemerkt, is (Ad 5, blzz. 8 e.v.) bij de aanwezigheid van het vereiste stellige voornemen gepersisteerd en voorts gezegd (blz. 10 v.): ‘’In dit voornemen zou alleen in de toekomst wijziging worden gebracht, indien bij een nieuwe CAO een voor de werknemers minder gunstige VUT-regeling zou worden overeengekomen of de VUT-regeling zelfs geheel zou worden afgeschaft. Ultimo 1979 en zelfs thans is evenwel de kans dat tussen de partijen in de haven-CAO bij CAO de VUT- aanspraken van werknemers worden verminderd vrijwel nihil. ... Dat de intentie ... realiteitsgehalte heeft blijkt ... uit het betalen van VUT aan werknemers die 62 jaar worden.'' In de Pleitnota van de Inspecteur, eveneens in 's Hofs uitspraak t.a.p. als ingelast aangemerkt, is gezegd (onder 2, blz. 2): ‘’Partijen hebben ... het recht om bij volgende jaren de regeling ten principale aan de orde te stellen. In de visie van de gemachtigden zou er op het stuk van de arbeidsvoorwaarden geen weg terug bestaan, hetgeen in strijd is met de realiteit.'' Het Hof heeft zich, als ik de uitspraak goed lees, over de waarschijnlijkheid van (al dan niet minder gunstige) V.U.T.-regelingen voor 1980 en volgende jaren niet uitgesproken. Naar het mij voorkomt, brengt een en ander mede, dat zonder nader onderzoek van feitelijke aard niet vaststaat, of er een redelijke verwachting, als voor de vorming van een reserve tot gelijkmatige verdeling van kosten en lasten vereist, bestaat, dat de bedoelde kosten zullen worden gemaakt. 9.
- Het vereiste, dat de kosten opgeroepen worden door de huidige bedrijfsuitoefening, loopt parallel met de toerekening van toekomstige verplichtingen aan de huidige bedrijfsuitoefening. Op grond van het hiervóór onder 7.2 gezegde acht ik aan het vereiste voldaan. 9.
- Aangezien volgens de stellingen van de belanghebbende (zie overweging 2, letter C, blz. 7) een reserve tot gelijkmatige verdeling van kosten en lasten lineair gevormd zou mogen worden, ingaande 1979 en eindigend bij het bereiken van de 62-jarige leeftijd van de betrokken werknemer is van een zo gelijkmatig mogelijke verdeling sprake. Ik ga er daarbij van uit, dat volgens de stellingen van de belanghebbende het voornemen niet eerder dan in 1979 werd opgevat: over hetgeen het experiment 1977-1978 wordt genoemd, bevatten de stukken geen gegevens. Verg. HR 21 oktober 1959, BNB 1959/371, hierna onder 9.9 geciteerd. 9.
- Indien een reserve tot gelijkmatige verdeling van kosten en lasten gevormd mag worden, rijst vervolgens de vraag, hoe het bedrag van de reservering wordt bepaald. HR 21 oktober 1959, BNB 1959/371, betrof een in 1955 opgevat stellig voornemen tot de toekenning van pensioenen. De belanghebbende vormde een reserve, actuarieel uitgerekend, waarbij ‘’is uitgegaan van een jaarlast ten bedrage van een gelijkblijvende dotatie op basis van het aantal nog komende dienstjaren, te rekenen van het jaar 1955 tot de pensioendatum, aldus dat -met de te kweken interest - op laatstgenoemde datum een pensioenreserve zal zijn gekweekt ter grootte van de toekomstige pensioenlast.'' Uw Raad overwoog: ‘’dat ... een gelijkmatige verdeling van de toekomstige pensioenlasten, waarmede belanghebbende voor het eerst bij de vaststelling van haar winst over het jaar 1955 heeft rekening te houden, slechts wordt bereikt door een jaarlijkse voorziening tot bedragen, waaraan het vermoedelijke beloop van haar toekomstige pensioenlasten in hun vollen omvang ten grondslag ligt'', en erkende de opgevoerde voorziening. Hof 's-Gravenhage 21 mei 1960, BNB 1961/113, erkende reservering van het bedrag dat, afgerond, volgens de tarieven van een verzekeringsmaatschappij verschuldigd zou zijn als jaarpremie ter dekking van het voorgenomen pensioen. Hof 's-Gravenhage 24 mei 1965, BNB 1966/58, betrof een geval waarin de belanghebbende wenste te reserveren zonder inachtneming van de vertrekkans. Zij stelde, ‘’dat wanneer dat geval zich zou voordoen de voor een dergelijke werknemer gevormde reserve aan de winst zou worden toegevoegd''. Het Hof deed deze stelling bijdragen tot zijn oordeel, dat van een stellig voornemen niet gebleken was. Hof 's-Gravenhage 17 september 1979, BNB 1980/325, aanvaardde een tijdsevenredige verdeling van het naar het actuele prijspeil te verwachten nominale bedrag van een op vier jaren betrekking hebbende survey. In de wetsgeschiedenis van 1975 is aandacht besteed aan de hoogte van de te reserveren bedragen, ook voor zover de toen aan de orde zijnde wetswijziging er geen betrekking op had. Ik beschouw de desbetreffende passages op dezelfde voet als litteratuur. De Memorie van antwoord, Eerste Kamer, 1975- 1976 – 13.004, nr. 20b, blz. 7, gaat ervan uit, dat bij de vorming van een reserve tot gelijkmatige verdeling van kosten en lasten rekening gehouden moet worden met de interestfactor. A. Nieuwland, W.F.R. 1976/5257, blz. 132, betoogt, ‘’dat in elk geval bij langlopende onderhoudsreserves - perioden van 10, 20 of 30 jaren kunnen in geding zijn - de jaarlijkse toevoeging aan de reserve, evenals bij pensioenreserves, dient te worden berekend met inachtneming van een rentefactor''. Naar het mij voorkomt, past het bij de hiervóór onder 9.6 bepleite heersende leer - voor de vorming van de reserve is geen zekerheid, doch slechts de redelijke verwachting van toekomstige uitgaven vereist -, dat niet de kosten die mogelijkerwijs, doch slechts de kosten die waarschijnlijkerwijs gemaakt zullen worden, in aanmerking worden genomen. Derhalve dient rekening gehouden te worden met de kans op continuering van de V.U.T.-regeling tot gelijke uitkeringen, de overlevingskans, de blijfkans en de deelnamekans. Bovendien brengt een zo juist mogelijke jaartoerekening mede ook de interestfactor in aanmerking te nemen. Het eenvoudsaspect van goed koopmansgebruik kan ertoe leiden de interestfactor te verwaarlozen, als het om een betrekkelijk gering aantal jaren gaat, maar dit gaat niet meer op voor perioden van vele jaren. Ik meen derhalve, dat ook bij de vorming met het oog op toekomstige V.U.T.-uitkeringen van een reserve tot gelijkmatige verdeling van kosten en lasten de hiervóór onder 8 besproken vijf factoren niet verwaarloosd mogen worden.
- De middelen. Middel I, onderdeel a, richt een reeks motiveringsklachten tegen 's Hofs beslissing, dat op de belanghebbende op 31 december 1979 geen verplichtingen uit hoofde van de V.U.T.-regeling drukten jegens haar na 31 december 1917 geboren werknemers. Naar het mij voorkomt, is 's Hofs uitlegging van de op 31 december 1979 bestaande rechtsverhouding tussen de belanghebbende en haar werknemers, inhoudende in het bijzonder dat de regeling uitdrukkelijk beperkt was tot vóór 1 januari 1918 geboren werknemers, van feitelijke aard en behoefte zij, tegen de achtergrond van het zijdens de belanghebbende aangevoerde geen nadere motivering. Ik vestig er in dit verband met name de aandacht op, dat de in 's Hofs uitspraak overgenomen verklaring van Scheepvaart Vereeniging Zuid (overweging 2, blz. 4 v.) wel ingaat op de nawerking per 31 december 1982, maar niet op die per 31 december
- Enige moeite heb ik wel met 's Hofs constatering (t.a.p., blz. 4) ‘’tenzij over een onderdeel een C.A.O. voor een jaar opnieuw wordt onderhandeld, wordt dit ongewijzigd uit de C.A.O. van het vorige jaar in de C.A.O. voor het volgende jaar overgenomen'', naast de overweging (‘’omtrent het geschil'', blz. 9), ‘’dat partijen ervan uitgaan dat C.A.O.-onderhandelingen in beginsel uitsluitend bepaalde tijdvakken ... plegen te betreffen en alle loon- en arbeidsvoorwaarden tot voorwerp hebben''. Ik lees de laatstgeciteerde overweging echter aldus, dat de partijen bij de C.A.O. alle onderdelen aan de orde kunnen, en dan ook zullen, stellen die zij ter bereiking van een evenwichtig geheel van loon- en arbeidsvoorwaarden discutabel achten. Aldus gezien, zijn de beide citaten niet tegenstrijdig. Ik meen dan ook, dat onderdeel a faalt. Middel I, onderdeel b, houdt in: ‘’Uit de gedingstukken blijkt, dat belanghebbende ... de VUT-regeling aldus uitlegt en in de praktijk ook toepaste, dat daaruit juridisch afdwingbare verplichtingen jegens haar na 1 januari 1918 geboren werknemers voortvloeiden.'' Naar het mij voorkomt, zijn de gedingstukken aanzienlijk vager dan het middelonderdeel en zijn zij dan nog niet onweersproken gebleven. Voor zover de belanghebbende betoogt, dat voor de vraag, of er verplichtingen bestaan, de redelijke, subjectieve opvattingen van de belanghebbende beslissend zijn (aldus versta ik de toelichting die de geëerde pleiter voor de belanghebbende bij het middelonderdeel heeft gegeven; zie Pleitnota mr. Van Kalmthout, blzz. 5 e.v.), kan ik haar niet volgen. Er moet objectief vaststaan, dat de relevante rechtsverhouding aanwezig is. Het redelijke, subjectieve inzicht van de ondernemer komt eerst aan de orde bij de beoordeling van de kans, dat daaruit verplichtingen voortvloeien (zie HR 6 februari 1963, BNB 1963/83; 26 juni 1963, BNB 1963/254; 5 maart 1975, BNB 1975/81), en voor die beoordeling heeft het Hof, voor zover het daaraan toe gekomen is, aanvaard, dat de belanghebbende zich niet aan de nawerkende regeling zou (kunnen) onttrekken (zie hiervóór onder 6). Ik meen dan ook, dat ook onderdeel b en daarmede het gehele middel I faalt. Middel II, onderdeel a, is gericht tegen het verband dat het Hof gelegd heeft tussen de beperking van de V.U.T.-regeling tot vóór 1 januari 1918 geboren werknemers en de overweging (t.a.p.), ‘’dat de VUT-regeling het karakter heeft van beloning voor in het jaar 1979 verrichte arbeidsprestaties en mitsdien uitsluitend voor dat jaar een opoffering voor belanghebbende betekent''. Naar het mij voorkomt, is, uitgaande van het oordeel dat de V.U.T.-regeling slechts betrekking had op voóór 1 januari 1918 geboren werknemers, 's Hofs gevolgtrekking voor de hand liggend. De uitkeringen zouden dan immers nagenoeg uitsluitend toekomen aan werknemers die in het jaar 1979 ophielden arbeid te verrichten. Derhalve faalt onderdeel a. Middel II, onderdeel b, bevat een beroep op de wanverhouding tussen de arbeid van een bepaalde werknemer in een bepaald jaar en de V.U.T.- uitkeringen. Deze wanverhouding is evenwel niet aanwezig, indien in een bepaald jaar de V.U.T.-regeling in het leven geroepen wordt en tegelijkertijd beperkt tot de werknemers die in dat jaar de 62-jarige leeftijd bereiken. Dan wordt als het ware de arbeid van die werknemers in het verleden mede gewogen, maar de winstberekening over de voorafgaande jaren kan niet meer herzien worden. Ook onderdeel b faalt. Middel II, onderdeel c, is gericht tegen de uitvoerige cijfermatige beschouwingen van het Hof (t.a.p., blz. 9 v.), die zich blijkens de woorden, ‘’dat het Hof voor dit oordeel een bevestiging vindt'', als ten overvloede gegeven aandienen, maar niettemin blijkens de gevolgtrekking, ‘’dat ... niet aannemelijk is geworden, dat er sprake zou zijn van zodanige met de vervroegde uittreding samenhangende lasten dat deze niet zouden passen binnen het voor een C.A.O. normale percentage van het loon - uitgedrukt in een percentage van de totale werkgeverslasten van een desbetreffend jaar - dat in geld uitgedrukt het voorwerp van C.A.O.- onderhandelingen is'', 's Hofs beslissing, althans voor wat de reserve tot gelijkmatige verdeling van kosten en lasten betreft, draagt. Naar het mij voorkomt, kan de constatering, dat het geheel van loon- en arbeidsvoorwaarden als één pakket wordt gecontracteerd tegenover het geheel van de in het desbetreffende jaar te verrichten arbeid, niet verhinderen, dat voor de winstbepaling verbijzondering plaatsvindt, bij voorbeeld per individuele werknemer. Mij dunkt, dat het de werkgever, minst genomen, vrij staat een systeem van winstbepaling te kiezen dat van een individualistische toerekening uitgaat en niet van een collectieve. Derhalve gaat onderdeel c op. Middel II, onderdeel d, houdt in, dat rekening gehouden mag worden met betalingen, die naar maatschappelijke verwachtingen, gedaan zullen moeten worden aan personen die reeds thans werknemer zijn. Zoals ik hiervóór onder 5.5 uiteenzette, acht ik deze stelling juist. Onderdeel d slaagt. Middel II, onderdeel e, inhoudend, dat de hiervóór onder 8 en 9.9 aangeduide factoren buiten beschouwing mogen blijven, faalt op de t.a.p. aangegeven gronden.
- Conclusie. De onderdelen c en d van middel II gegrond bevindende, concludeer ik tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot verwijzing van het geding naar een ander gerechtshof ter verdere behandeling en beslissing. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, FED. IB '64: Art. 9 : 265 met noot H.S. Pruiksma. FED. IB 1958 (ontwerp): 17 met noot Smeets. Het voorwoord, blz. XIII, meldt de medewerking van J.E. A.M. van Dijck. Verg. Brüll, Objectieve en subjectieve aspecten van het fiscale winstbegrip, 1964, blz. 147 v.; L.G.M. Stevens, Pensioen in de winstsfeer, Fiscale brochures alsvoren, 3.45, 2e druk, 1982, blz.
- FED, IB '64: Art. 13 : 35 met noot J.S. Rijkels. De naamlooze vennootschap, juli/augustus 1976, jaargang 54, blz. 114 met noot H.J. Hofstra. FED, IB : Art. 10