naNr. 78.765 UZitting 14 mei 1985 Mr. Remmelink.Conclusie inzake:[de opgeëiste persoon] Edelhoogachtbare Heren, In deze zaak waarin de Rechtbank de vervolgingsuitlevering van requirant aan de VS op grond van het Uitleveringsverdrag Nederland-VS, Trb. 1980 no. 111 (i.w.tr. 15 september 1983) toelaatbaar heeft geoordeeld terzake van (kort gezegd) ontucht met personen beneden de leeftijd van 16 jaar, tegen welke uitspraak hij zich van beroep in cassatie heeft voorzien, is namens hem één middel van cassatie voorgesteld waarin hij erover klaagt dat de Rechtbank zijn beroep op ontoelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering (omdat hij in de VS zou worden onderworpen aan een onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing, zijn privéleven niet zou worden eerbiedigd en vanwege zijn geaardheid gediscrimineerd zou worden zodat de uitlevering met de artt. 3, 8 en 14 van voormeld verdrag in strijd zou zijn) zou hebben verworpen op ongenoegzame gronden. De Rechtbank heeft gesteld dat niet aannemelijk is geworden, dat requirant zou worden vervolgd en gestraft voor iets anders dan de handelingen die hem worden verweten blijkens het verzoek tot uitlevering, terwijl requirant door een vroegere veroordeling voor soortgelijke feiten de strafbaarheid daarvan met inbegrip van de daarop bedreigde straf kende. Met name acht de Rechtbank het niet aannemelijk, dat hij zal worden vervolgd alleen op grond van zijn eventueel behoren tot die groep van de Amerikaanse bevolking in de zin van art. 14 EVRM die de door hem gemanifesteerde sexuele hier relevante sexuele geaardheid heeft, noch acht de Rechtbank het aannemelijk dat de eventueel op te leggen straffen daar zullen worden geëxecuteerd op een wijze strijdig met voormeld art.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.