A.T.Nr.
(2)wordt betoogd, dat de tekst van de wet geen ander conclusie toelaat dan dat slechts wijzigingsvoorstellen die géén consequenties hebben voor de huurprijs, c.q. voor de bijkomende kosten, en mogelijk ook wijzigingsvoorstellen waarbij de consequenties ten aanzien van de huurprijs c.q. de bijkomende kosten als geheel van verwaarloosbaar gering belang zijn, een grond van ontruiming als bedoeld in art. 1623e lid 1 sub 4e BW kunnen opleveren.Ik kan het daarmee niet eens zijn. Ik ben sceptisch ten opzichte van de langzamerhand wat argwanender bekeken idee van de "Freirechtler" in hun vele vertakkingen, dat iedere tekst die betekenis kan hebben, die haar in een bepaald geval aanvaardbaar maakt. Maar anderzijds onderschrijf ik wel de gedachte dat welhaast geen tekst slechts één betekenis aan zich vasthecht en dat die zich in de woorden der wet als het ware als onontkoombaar presenteert. Mede gelet op de reden van de wetswijziging en in beschouwing nemend dat de bepaling toch nog enige zin moet overhouden na de eliminatie, lijkt mij heel aannemelijk dat
- a)nú niet meer (langs deze weg) een wijziging (verhoging) van de huur of de bijkomende kosten kan worden doorgevoerd, ook al zou die redelijk zijn, met als rechtstreeks en enig doel van dit aanbod die verhoging te verkrijgen zonder dat daar iets tegenover staat, althans zonder dat dit andere het eigenlijke doel is van het nieuwe aanbod.
- b)wijziging van met name de huurprijs, de bijkomende kosten of het geheel der betalingsverplichtingen als gevolg van aangeboden wijziging in het huurgenot in ieder geval toepassing van deze opzeggingsgrond niet steeds, uitsluit. Zie onder meer, Saelman: Huur en Verhuur, 1984, blz. 51: "Naar redelijkheid is wel toelaatbaar te achten een aanbod dat niet rechtstreeks de prijs betreft, maar waaruit als voor de hand liggend gevolg verandering van de prijs voortvloeit".
- c)wijziging van die betalingsverplichtingen, die niet in haar geheel redelijk te verantwoorden gevolg zijn van gewijzigd aanbod van huurgenot (er sluipt wat "pure" huurverhoging in mee) geen grond oplevert tot opzegging.
- d)ook in het geval, bedoeld onder b, uiteindelijk geen opzeggingsgrond aanwezig is als het aanbod, hoewel de verhoging der betalingsverplichting gelet op het gewijzigd aanbod van huurgenot alleen uit dien hoofde geheel te rechtvaardigen is, voor de huurder niet redelijk is te achten gelet op zijn betalingscapaciteit enz.. Het aanbod zou bijv. betreffen een hele dure nieuwe ketel met installatie als gevolg waarvan de betalingsverplichting verdubbeld werd. Dat kan gelet op de kosten van de voorziening, volstrekt redelijk zijn (en geen enkele sluipende huurverhoging meenemen), toch zal dit waarschijnlijk geen redelijk aanbod zijn. In dit geval zijn de condities vermeld onder c en d niet aanwezig, althans daarop is geen beroep gedaan. Het is zeer wel mogelijk dat een zuinig energie gebruiker (bijv. f 160,-- per maand) nu in het geheel goedkoper af is dan vroeger (f 187,50 tegen f 200,-- per maand). Geenszins is gebleken dat de verhoging der bijkomende kosten niet gerechtvaardigd wordt door de vervanging van de centrale verwarmingsketel èn verzoekers wilden wel in het huuraanbod toestemmen als bij hen een andere (duurdere) ketel werd geplaatst. Dat (dat aanbod) niet redelijk was wordt in het tweede en het derde onderdeel van het middel (3 en 4) betoogd maar m.i. niet terecht. Deze afweging, waarbij de rechtbank inderdaad de faktoren die voor het standpunt van [verweerster] pleiten heeft laten prevaleren boven de door verzoekers aangevoerde is van feitelijke aard en kan in cassatie niet getoetst worden. Dat aan de belangen van de huurder slechts bij aanwezigheid van klemmende, althans zwaarwegende belangen aan de zijde van de huurder voorbij mag worden gegaan, zal wel juist zijn in de gevallen dat de belangen van de huurder ook klemmend, zwaarwegend zijn. Het gaat natuurlijk veel te ver wanneer wordt volgehouden dit in cassatie getoetst kan worden of het prefereren, als één - of tweeling -, van een andere ketel (hoogrendementsketel) zulk een gewichtig belang uitmaakt, dat de verhuurder niet het hele blok huizen van andere ketels zou mogen voorzien. Wat in het derde onderdeel van het middel naar voren wordt gebracht, stuit eveneens op het voorgaande af. Huurders zijn bijzonder fel op hun strepen blijven staan (bijna had ik gezegd, dat ze erg lastig zijn) en dat mag. Maar ze moeten niet al te verwonderd zijn als het aanbod van verhuurster, dat ontkoppeling van de centrale verwarmingsketel inhoudt evenals zij willen maar dan door middel van 20 individuele ketels van hetzelfde merk, niet - na afweging - wordt gekenschetst door de rechter als een ander dan een "redelijk aanbod" in de zin van art. 1623e lid 1 onder 4e BW. Ik acht het middel dan ook niet aannemelijk.Wellicht zal nu een nieuwe laatste termijn voor aanvaarding van het aanbod en een nieuwe (voorwaardelijke) datum van ontruiming door de Hoge Raad moeten worden vastgesteld. Omtrent de proceskosten beslist de HR - zo hij daarover een beslissing wil geven - naar hem best dunkt. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,