v.R. Nr. 6515 rek. Ned. Ant. Zitting 30 november
(150)aan renteneurose gewijd. Hij constateert dat hier de adequatieleer te kort schiet en meent dat het in strijd met zin en strekking van de schadevergoeding is deze toe te kennen, wanneer zij juist de schadeverwekkende toestand doet voortduren. Wat overblijft zijn moeilijkheden van praktische aard: heeft men te doen met renteneurose? Bloembergen is op dit stuk bestreden door Hommes, maar dat geldt slechts de stelling over de adequatietheorie en, naar het mij voorkomt, niet de slotsom. Deze laatste is ook onderschreven door Van Wassenaer en Van Schellen. Ten slotte noem ik een rechtspraak-overzicht van Brunner, waarin deze verdedigt dat renteneurose enigszins vergelijkbaar is met het geval dat aan de orde was in het arrest-(vader)Versluis. b. Causaliteit. Verscheidene van de hiervoor genoemde publicaties gaan over causaliteit in het algemeen, m.n. het genoemde boek (proefschrift) van Van Schellen. In enkele recente conclusies van het openbaar ministerie bij uw Raad zijn overzichten gegeven van rechtspraak en literatuur over causaliteit: ik veroorloof mij hiernaar te verwijzen met de toevoeging dat speciaal beschouwingen van Schut mij voor de onderhavige zaak van belang lijken. 3.4.
- Opvattingen in enkele andere landen. Ook in België is het begrip renteneurose bekend. Vanquickenborne vermeldt dat de Belgische rechter, evenals zijn Duitse collega, schadevergoeding aan de renteneuroticus doorgaans weigert, hoewel dit onverenigbaar lijkt met de in België officieel gehuldigde equivalentietheorie. Op de Duitse rechtspraak is te onzent de aandacht gevestigd door Köster en Bloembergen in de hun hiervoor al genoemde beschouwingen. De kern van de Duitse rechtspraak is gebaseerd op de zin van de schadevergoeding en op de billijkheid. Onomstreden is deze rechtspraak overigens niet. In Zwitserland staat het Eidgenössische Versicherungsgericht op het standpunt dat geen causaal verband bestaat tussen een ongeval en Begehrungsneurose (waar renteneurose toe gerekend wordt). Het Bundesgericht komt echter doorgaans tot het tegengestelde resultaat, op grond van de leer van de adequate veroorzaking. In het Engelse recht wordt schadevergoeding wegens ‘’compensation neurosis’’ niet geheel afgewezen. De gelaedeerde moet echter voor schadebeperking zorgen en zijn claim zo snel mogelijk indienen. De pleiter voor verweerders heeft nog gewezen op een rechtsvergelijkende beschouwing van Honoré, waaruit blijkt dat het algemene beginsel ‘’the tortfeasor takes his victim as he finds him’’ uitzondering kan lijden in geval van ‘’compensation neurosis’’.
- Behandeling van de cassatiemiddelen. 4.
- Middel I, onderdelen 1-
- Na een inleiding in de eerste vier onderdelen stelt onderdeel 5 van middel I dat het oordeel van het hof, volgens welk renteneurose kan worden aangemerkt als een omstandigheid die niet aan de veroorzaker van een ongeval als het onderhavige kan worden toegerekend onjuist en in ieder geval niet naar de eisen van de wet met redenen omkleed is. Het hier bestreden oordeel is van feitelijke aard. De eventuele onjuistheid daarvan kan in cassatie slechts aan de orde komen, voor zover het op een onjuiste rechtsopvatting is gebaseerd. Die onjuiste rechtsopvatting zou dan te zoeken moeten zijn in het gehanteerde begrip causaliteit. Naar mijn mening is daarvan geen sprake. Zoals reeds bleek heeft het hof zich in tegendeel vrijwel letterlijk gebaseerd op de rechtspraak van uw Raad, te weten het in noot 3 genoemde arrest uit
- Beziet men de rechtspraak en rechtsleer over causaliteit, waarnaar hierboven (onder 3.4) is verwezen meer in het algemeen, dan zie ik ook geen aanleiding voor de gevolgtrekking dat het hof van een onjuist begrip oorzakelijk verband is uitgegaan. Overigens heeft het hof, anders dan het middel stelt, niet gesproken over ‘’een ongeval als het onderhavige’’; het heeft zijn oordeel beperkt tot het onderhavige ongeval. Voorts meen ik dat het hof zijn beslissing, door te verwijzen naar tot de gedingstukken behorende, volgens het hof naar de kern eensluidende, medische rapporten, voldoende heeft gemotiveerd. 4.
- Middel I, onderdelen 6 en
- In deze onderdelen zijn twee klachten te onderscheiden. In de eerste plaats wordt het hof verweten niet te hebben vermeld wat het verstaat onder renteneurose. Ik merk op dat het bestreden vonnis niet steunt op het gebruik van het begrip renteneurose. Dit begrip wordt slechts tussen haakjes gehanteerd in een samenvatting van de bevindingen van de artsen. Uit het hierboven onder 3.2 gestelde blijkt dat het begrip renteneurose voldoende bekend is om in zodanig verband te worden gebruikt. In de tweede plaats wordt erover geklaagd dat niet is vastgesteld dat renteneurose niet is te verklaren uit de fysieke of psychische constitutie van [eiser], respectievelijk aan te merken zou zijn als een opzettelijk, doelbewust of verwijtbaar gedrag. Zou het hof met renteneurose bedoeld hebben dat sprake is van een doelbewust gedrag, dan is dit onjuist. In het bestreden vonnis kan ik niet lezen dat het hof renteneurose heeft aangemerkt als doelbewust gedrag. Onderdeel 7 mist daarom, ook wat de daarin vervatte motiveringsklacht betreft, feitelijke grondslag. Uit het verband kan men wel afleiden dat het hof renteneurose heeft opgevat als samenhangend met de psychische (niet de fysieke) constitutie van [eiser]. Het gaat hier echter niet om een risico- of schade vergrotende eigenschap van de gelaedeerde (zoals een dunne schedel), doch om een de genezing belemmerende omstandigheid. Daarvan heeft het hof kunnen besluiten dat deze niet aan verweerders kon worden toegerekend. 4.3 Middel II, onderdelen 1 en
- De hier bedoelde onderdelen komen overeen met onderdeel 6 van middel I, doch hebben betrekking op de in het bestreden vonnis eveneens gebruikte termen aggravatie en querulerende gedragingen (zie daarover hierboven onder 3.3). Ook deze termen heeft het hof uit de medische rapporten geput en kennelijk opgevat als, met de psychische constitutie van [eiser] samenhangende, de genezing belemmerende omstandigheden in de hierboven bedoelde zin. Het hof heeft niet gezegd dat geen sprake is van lichamelijk of geestelijk nadeel, doch slechts vastgesteld dat het voortduren van zulk nadeel niet aan de verweerders kan worden toegerekend. M.i. is dit, anders dan in het middel wordt verdedigd, niet onbegrijpelijk. 4.
- Middel II, onderdeel
- Dit middel sluit aan bij onderdeel 7 van middel I en mist naar mijn oordeel om dezelfde reden als laatstgenoemd onderdeel feitelijke grondslag. 4.
- Middel III. Dit middel heeft betrekking op de door het hof in de laatste alinea van r.o. 5 gebezigde overweging ‘’gelet op het zeer geringe letsel door appellant ondervonden als gevolg van de hem (…..) toegediende klappen’’. Het middel noemt dit oordeel onjuist en onbegrijpelijk (waarmee het wel zal bedoelen: onjuist of onbegrijpelijk, aangezien onbegrijpelijkheid de kwalificatie als onjuist uitsluit). Ik meen dat de vraag naar de eventuele juistheid van de genoemde overweging van het hof in cassatie niet aan de orde komt, gezien het feitelijk karakter daarvan. Belangrijker lijkt mij de klacht over onbegrijpelijkheid die gerelateerd wordt aan de omstandigheid dat genezing nog niet heeft plaatsgevonden. De steller van het middel ziet m.i. over het hoofd dat de woorden ‘’als gevolg van de (…..) toegediende klappen’’ een beperkend karakter hebben. Het hof doelt hier op het letsel waarvan is vastgesteld dat het een gevolg is van de klappen, namelijk een licht-bloedend schaafwondje op het achterhoofd, c.q. schrammetje op het achterhoofd (vonnis van het gerecht in eerste aanleg, r.o. 3, sub b, c en d). De door [eiser] ingestelde eis tot schadevergoeding had op dat wondje echter geen betrekking.
- Conclusie. Het voorgaande leidt tot de slotsom dat de cassatiemiddelen in al hun onderdelen falen, zodat mijn conclusie strekt tot verwerping van het beroep met veroordeling van eiser in de cassatiekosten. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, Conclusie van antwoord in prima voor verweerders in cassatie (p. 1). O.m. initieel verzoekschrift, p. 1, sub
- Vrijwel letterlijk ontleend aan HR 9 juni 1972, NJ 1972, 360, m.n. G.J. Scholten. P.C. Kuiper, Neurosenleer, 5e dr. 1980, p. 215; E.A.D.A. Carp, De Neurosen, 3e dr. 1947, p. ½; Desmond Curran, Psychological Medicine, 9e dr. 1980, p.
- Resp. H.R.M. de Haan en W.A.L. Dekker, Groot Woordenboek der Geneeskunde en Pinkhof-Hilfman, Geneeskundig Woordenboek. A.J.O. van Wassenaer van Catwijck, Eigen schuld, diss. R.U. Leiden 1971, p. 216, voetnoot 13.Zie voorts: H.K. Köster, Causaliteit en voorzienbaarheid, inaug. Rede U.v.A. 1963, p. 22 en de in subpar. 3.4.
- genoemde literatuur. G.A. Ladee in Grote Winkler Prins Encyclopedie, 8e dr. 1980, dl. 6, p. 407 l.k.: zie ook idem ibidem dl. 24, p. 539 r.k. T.a.p., dl. 20, p. 383 r.k. Dit arrest is ook geannoteerd door P.A. Stein in A.Ae. 1972, p. 568 e.v. en door H.F. van den Haak in Verkeersrecht 1973, p.
- Ook geannoteerd door W.C.L. van der Grinten in A.Ae. 1976, p. 55 en door C.J.H. Brunner in V.R. 1975, p.
- HR 8 juni 1971, NJ 1972, 90, m.n. C. Bronkhorst en HR 12 september 1978, NJ 1979, 60, m.n. Th. W. van Veen ad vierde middel; zie ook c.o.m. ad vierde middel met de opmerking dat op p. 159, l.k. in de voorlaatste regel i.p.v. ‘’een’’ gelezen moet worden: geen. A.R. Bloembergen, Schadevergoeding bij onrechtmatige daad, diss. R.U. Utrecht 1965, p. 212-
- H.J. (van Eikema) Hommes in WPNR 5003, 1968, p.
- T.a.p. (noot 6), p.
- J. van Schellen, Juridische causaliteit, 1972, p.
- Zie ook dezelfde auteur in Non sine causa (G.J. Scholten-bundel), 1979, p. 350 (nr. 37 en noot 50). C.J.H. Brunner in Verkeersrecht 1981, p. 210, over renteneurose p. 216 r.k. HR 2 november 1979, NJ 1980, 77, m.n. G.J. Scholten. Bij HR 25 maart 1983, NJ 1984, 629, p. 2187 r.k. (zie ook de noot van Brunner onder dit arrest ad 1); voorts bij HR 8 april 1983, N.J. 1984, 717 en bij HR 24 februari 1984, NJ 1984, 415 (noot 6). G.H.A. Schut in R.M.Themis 1978, p. 380 e.v.; idem. Onrechtmatige daad (Studiepockets privaatrecht 21), 1981, p. 30 e.v. Zie voorts: Asser-Hartkamp, De verbintenis in het algemeen volgens het NBW (Asser-serie 4-I*), p. 316 e.v. Marc Vanquickenborne, De oorzakelijkheid in het recht van de burgerlijke aansprakelijkheid, p. 492-4 (nrs. 845/6). Entscheidungen des Bundesgerichtshofes in Zivilsachen, Urteil vom
- Februar 1956, 20.20, S. 137: zie i.h.b. p.
- H. Langen, Schadensersatz, 1979, p.
- Zie voorts J. von Staudingers Kommentar zum Bürgerlichen Gesetzbuch, erläutert von D. Medicus und K. Schmidt, 1983, Par. 249, Randnr. 56; Karl Larenz, Lehrbuch des Schuldrechts, I – Allgemeiner Teil, S. 499 (kleine letters). Karl Oftinger, Schweizerisches Haftpflichtrecht,
- Auflage 1975, S. 187/8 (voetnoot 90). John G. Fleming, The Law of Torts, 6th edition 1983, p. 182, voetnoot 36, met verwijzing naar de uitspraak in de zaak James/Woodall Duckham uit 1969, gepubliceerd in Weekly Law Reports, July 4, 1969, p.
- A.M. Honoré in André Tunc (Chief Editor), Internation Encyclopedia of Comparative Law, XI (Torts), 1983, Part I, Chapter 7, nr. 183 (p. 130/1).