← Nederland

ECLI:NL:PHR:1985:AG5126

na . Rekest nr. 6966 Krankzinnigenwet Parket, 2 oktober 1985 Mr. Meijers Conclusie inzake: [verzoeker] Edelhoogachtbaar College,

  1. Bij beschikking van 16 september 1985 heeft de president van de rechtbank te 's-Gravenhage machtiging verleend tot plaatsing van verzoeker in het psychiatrisch centrum Het [gasthuis] te [plaats].
  2. Het beroep in cassatie is niet gericht tegen deze beschikking, maar tegen de beschikking van de president van genoemde rechtbank van 28 augustus 1985, waarbij de president de voortzetting van verzoekers inbewaringstelling heeft bevolen.
  3. Het middel bevat de klacht dat de president ten onrechte de voortzetting van de inbewaringstelling heeft bevolen, aangezien tot de inbewaringstelling van verzoeker op 10 augustus 1985 is besloten door de burgemeester van Vlaardingen, terwijl op laatstgenoemde datum verzoeker zich niet meer in die gemeente bevond.
  4. Ik meen dat het middel buiten bespreking moet blijven, omdat verzoeker bij het tegen de beschikking van 26 augustus 1985 gerichte beroep in cassatie geen belang heeft.
  5. Verzoeker verblijft immers sedert 16 september 1985 in een krankzinnigengesticht op grond van de machtiging, bedoeld in art. 17 KW, door de president van de rechtbank op laatstgenoemde datum op vordering van de officier van justitie verleend.
  6. De machtiging ex art. 17 KW vormt een zelfstandige titel tot plaatsing van een patiënt in een krankzinnigengesticht. De in art. 17 KW bedoelde beschikking van de kantonrechter of de president staat los van het besluit van de bevoegde burgemeester tot inbewaringstelling (art. 35b KW) en van het daarop aansluitende bevel van de president tot voortzetting van die inbewaringstelling (art. 351 KW).
  7. In het stelsel van de KW is de plaatsing op grond van een in art. 17 bedoelde beschikking regel, de inbewaringstelling krachtens besluit van de burgemeester uitzondering. De bevoegdheid van de laatste bestaat immers slechts "(i)ndien ten aanzien van iemand een ernstig vermoeden bestaat, dat hij ten gevolge van krankzinnigheid een zo onmiddellijk dreigend gevaar oplevert voor zichzelf, voor anderen of voor de openbare orde, dat een beschikking, als bedoeld in artikel 17, eerste lid, niet kan worden afgewacht" (art. 35b). Ook in het ontwerp-BOPZ heeft de spoedopneming (art. 25) het karakter van een noodmaatregel; verg. memorie van toelichting, zitting 1970-1971, 11.270, nr. 3, blz.
  8. De beschikking op grond van art. 17 KW is dan ook "niet te beschouwen als een beschikking die de beslissing tot voortzetting van de inbewaringstelling op grond van art. 35i Krankzinnigenwet verlengt of daarop voortbouwt. Wel kan omgekeerd deze beschikking van belang zijn met betrekking tot de termijn, gedurende welke een uitgesproken inbewaringstelling voortduurt (art. 35j Krankzinnigenwet)", aldus mijn ambtgenoot Ten Kate in zijn conclusie voor HR 22 juli 1983, NJ 1985,
  9. In het onder
  10. genoemde arrest van Uw Raad wordt het zelfstandig karakter van de vordering van de officier van justitie, gegrond op art. 13 KW, - en daarmee het zelfstandig karakter van de beschikking, bedoeld in art. 17 KW -, bevestigd.
  11. Het middel neemt overigens terecht het standpunt in dat tot het nemen van het in art. 35b KW bedoelde besluit alleen bevoegd is de burgemeester van de gemeente waar degene op wie het besluit betrekking heeft zich bevindt. In deze zin ook art. 25, lid 1, van het. ontwerp-BOPZ.
  12. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep. Parket, 2 oktober
  13. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.