A.T./v.R. Nr. 22.937 Derde Kamer B Successierecht Parket, 5 november
(1976). b De commerciële activiteiten bevorderen als zodanig de ideële doelstelling, maar zijn daar niet onlosmakelijk mee verbonden. De rechtspersoon realiseert haar ideële doelstelling mede door andere activiteiten en zou dat eventueel ook zonder de commerciële activiteiten kunnen doen. Voorbeeld: een instelling heeft ten doel hulp aan de derde wereld en haar activiteiten bestaan onder meer uit de verkoop van uit de derde wereld afkomstige koffie en rietsuiker. c Door de commerciële activiteiten als zodanig wordt de ideële doelstelling verwezenlijkt. Doelstelling en commerciële activiteit zijn onlosmakelijk met elkaar verbonden. Voorbeeld: een opinievormend weekblad, althans volgens Hof Arnhem 8 juni 1977, BNB 1978/280, FED IB'64: Art. 47: 42, VN 1978 blz.
- Zie daarover nader punt 2.
- 2.9 In de gevallen bedoeld in het vorige punt onder a, behoeven de commerciële activiteiten m.i. niet in de weg te staan aan de conclusie dat de rechtspersoon een algemeen maatschappelijk belang beoogt. De commerciële activiteiten raken de ideële doelstelling niet wezenlijk. De vraag wanneer een activiteit commercieel van aard is (bijv. is het in concurrentie treden voldoende dan wel moet een winstoogmerk worden verlangd), is hier naar mijn mening niet van belang. In de regel zal er een winstoogmerk zijn, want bij verlies zou men de activiteiten, in het belang van de ideële doelstelling, moeten staken. Volledigheidshalve merk ik op, dat als men de commerciële activiteiten in een afzonderlijke rechtspersoon, bijv. een B.V., zou onderbrengen, die B.V. dan - uiteraard - niet het algemeen belang beoogt. Er is een zelfstandige rechtspersoon ontstaan met een eigen, commercieel, doel. 2.10 In de onder b van punt 2.8 bedoelde gevallen helpen de commerciële activiteiten de ideële doelstelling verwezenlijken, maar die verwezenlijking staat of valt niet met de commerciële activiteiten. Ook in deze gevallen zou ik willen aannemen, dat het commerciële karakter van de activiteiten niet aan de doelstelling ten algemenen nutte afdoet en dat dus ook hier de vraag wat onder commerciële activiteiten moet worden verstaan geen belang heeft. Zie het eerdergenoemde voorbeeld van de instelling tot hulp aan de derde wereld of om een ander voorbeeld te noemen: als het Leger des Heils zou trachten het blad De Strijdkreet boven de kostprijs te verkopen (aangenomen dat dit daardoor een commerciële activiteit zou worden), zou zulks niet aanstonds twijfel bij mij oproepen aangaande de doelstelling van het Leger. Vgl. voorts Hof Amsterdam 16 maart 1977, FED IB' 64: Art. 47:36 aant. J.W. Zwemmer. 2.11 Als de commerciële activiteiten als zodanig de verwezenlijking vormen van de ideële doelstelling (zie onder c van punt 2.8) dan zou deze commerciële factor wellicht kunnen beletten dat de rechtspersoon in de zin der wet een algemeen maatschappelijk belang beoogt. Of deze gevallen zich in de praktijk ook werkelijk zullen voordoen betwijfel ik. In het algemeen zal gelden, dat als de (vrijwel) enige activiteit van een rechtspersoon van commerciële aard is, reeds om die reden de rechtspersoon geen algemeen maatschappelijk belang beoogt, wat er zij van de formulering van de statutaire doelstelling; vgl. eerdergenoemd arrest BNB 1979/
- Het geval Hof Arnhem BNB 1978/280 kan ons in dit opzicht m.i. weinig leren. Met betrekking tot de casus van die uitspraak zelf kan men stellen, dat het bezit van een vrije en gevarieerde pers een groot maatschappelijk belang is, maar dat daarmee nog niet elke uitgeverij van een dag- of weekblad een instelling ten algemenen nutte is. Het primaire doel van de uitgeverij is het produceren en distribueren van het blad. Omgekeerd, als enkele idealisten ter verspreiding van hun ideeën voor eigen rekening een blad uitgeven, zal dit in het algemeen geen commerciële activiteit zijn. Zij zullen vermoedelijk niet met anderen in concurrentie treden en/of geen winst beogen. De door het Hof Arnhem t.a.p. gegeven voorbeelden zijn evenmin erg gelukkig. Het Hof Arnhem spreekt van "een commercieel opgezet lichaam dat een kerkelijk, charitatief ..... enz. belang dient ....". In de eerste plaats is de vraag wat het Hof bedoelt met "commercieel opgezet". Ik zou mij kunnen voorstellen, dat een bepaald kerkelijk weekblad commercieel is opgezet, bijv. in de zin dat gestreefd wordt naar een kostendekkende abonnementsprijs en naar een (afhankelijk van de grootte van de oplage) efficiënte organisatiestructuur. Maar zegt dat iets over het karakter van het desbetreffende kerkgenootschap? Als het Hof met het woord "lichaam" bedoelt een zelfstandig lichaam, dan geldt daarvoor het gestelde in punt 2.9 slot. Het Hof noemt voorts nog als voorbeeld de openbare nutsbedrijven. Ook dit voorbeeld is m.i. weinig ter zake. Men kan oordelen, dat het in het algemeen belang is, dat de gas-, water- en electriciteitsvoorziening in handen is van openbare lichamen. De primaire doelstelling van een bepaald openbaar nutsbedrijf is echter het produceren en/of distribueren van drinkwater, gas en electriciteit, m.a.w. het voorzien in stoffelijke behoeften. 2.12 Gaan we uit van de situatie, waarin de statutaire doelstelling van algemeen nut is of kan zijn, maar de (enige of vrijwel enige) feitelijke werkzaamheid van commerciële aard is en dat om die reden niet kan worden gezegd dat de rechtspersoon een algemeen maatschappelijk belang beoogt, dan wordt, anders dan in de gevallen, besproken in de punten 2.9 en 2.10 hiervóór, van belang vast te stellen wanneer van een bepaalde activiteit gezegd kan worden dat zij van commerciële aard is. Moet daarvoor een ruime omschrijving gelden zoals de omschrijving voor de omzetbelasting van het begrip bedrijf (en beroep), t.w. een organisatie van kapitaal en arbeid, welke erop gericht is om in een duurzaam streven door deelneming aan het maatschappelijk (ruil)verkeer, maatschappelijke behoeften te bevredigen (vgl. J. Reugebrink, Omzetbelasting 4e druk, 1985, blz. 79 e.v. ) of moet de eis van een winstoogmerk of, ruimer geformuleerd, het oogmerk van het behalen van materiële voordelen, worden gesteld? Ik ben geneigd tot het laatste. Het gaat om de doelstelling, het beogen. Als de rechtspersoon in concurrentie treedt met (andere) ondernemingen is dat niet het doel van de activiteit, maar slechts een feitelijke consequentie van die activiteit. Zie bijv. ook artikel 6 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 juncto het Vrijstellingsbesluit vennootschapsbelasting (KB van 20 augustus 1971, Stb. 559), waarin de vrijstelling uitdrukkelijk in verband wordt gebracht met streven naar winst. Zie voorts met betrekking tot de grondbelasting HR 7 januari 1959, BNB 1959/69, PW 16946, dat blijkens PW 17006 door de administratie ook voor de toepassing van artikel 24, I, alinea 4, Sw. tot richtsnoer is genomen. 2.13 Mocht Uw Raad vanuit de in punt 2.6 geschetste opvatting tot verwijzing besluiten, dan zou het naar mijn mening aanbeveling verdienen in de verwijzingsopdracht aan te geven in welke gevallen naar het oordeel van Uw Raad de commerciële activiteiten aan het beogen van een algemeen maatschappelijk belang in de weg staan en wat onder commerciële activiteiten moet worden verstaan. 2.14 Zoals reeds opgemerkt zou naar het mij voorkomt verwijzing slechts zin hebben als naar het oordeel van Uw Raad de doelstelling van de Stichting, anders dan het Hof heeft geoordeeld, in beginsel ten algemenen nutte strekt of kan strekken. Met het oog daarop en tevens voor het geval Uw Raad geen verwijzing nodig oordeelt (d.w.z. in de gedachtengang van de punten 2.3 tot en met 2.5) ga ik nog nader in op het door Hof ingenomen standpunt. 3 Jurisprudentie en litteratuur. 3.1 In de conclusie van mijn ambtgenoot Mok voor HR 2 maart 1983, BNB 1983/176, nt. Van Brunschot, P.W. 19104, en in de namens belanghebbende in cassatie overgelegde pleitnota wordt uitvoerig melding gemaakt van de op dit gebied bestaande jurisprudentie en litteratuur. Ik hoef daaraan nauwelijks iets toe te voegen. 3.2 De uitspraak van het Hof lijkt in de lijn te liggen van de beslissingen met betrekking tot de sportverenigingen, zie HR 13 mei 1970, BNB 1970/132, P.W. 18073, Hof 's-Hertogenbosch 1 december 1978, BNB 1980/32, P. W. 18783, FED Succ. 1956: Art. 24:19, aant. R.M. Lievaart en HR 17 december 1980, BNB 1981/28, P.W.
- 3.3 Bij de Wet van 8 november 1984, Stb. 545 werd de omschrijving van de in het algemeen belang werkzame rechtspersonen in artikel 24, I, alinea 4 (thans artikel 24, lid 4) in overeenstemming gebracht met die van artikel 47 Wet IB 1964, t.w. : "kerkelijke, charitatieve, culturele, wetenschappelijke of het algemeen nut beogende instelling(en)." De MvT (Tweede Kamer, zitting 1981, 17041, nr. 3, blz. 17) zegt dienaangaande, dat de beide omschrijvingen inhoudelijk niet van elkaar verschillen. M.i. had het dan de voorkeur verdiend om in de Wet IB 1964 de omschrijving van de Successiewet 1956 over te nemen en niet omgekeerd, of althans de omschrijving te doen luiden "of andere het algemeen nut beogende instellingen". De omschrijving wekt thans de indruk dat kerkelijke, charitatieve, culturele en wetenschappelijke instellingen niet het algemeen nut beogen, welke indruk dus niet juist is, gelet op vorenbedoelde wijziging van de vroegere algemeen luidende formulering in de Successiewet 1956 en de daarop gegeven toelichting. Zie in deze zin reeds W. Scholten WFR 4224