A.T. Nr. 79.012 Zitting 7 januari 1986 Mr. Remmelink Conclusie inzake: [verdachte] Edelhoogachtbare Heren, In deze zaak waarin het Hof requirant, door de Politierechter veroordeeld terzake van "Handelen in strijd met het in art. 3 onder B Opiumwet gegeven verbod", vijfmaal gepleegd tot vijfmaal hechtenis voor de tijd van 2 weken in zijn hoger beroep niet-ontvankelijk heeft verklaard, aangezien het hier vonnissen betreft inzake overtredingen, die krachtens art. 56 lid 4 R.O., niet aan hoger beroep onderworpen zijn, tegen welk arrest hij zich van beroep in cassatie heeft voorzien, zijn namens hem twee middelen van cassatie voorgesteld. In middel 1 wordt aangevoerd, dat het Hof requirant ten onrechte: niet-ontvankelijk heeft verklaard. Daartoe wordt allereerst (onder 1) een beroep gedaan op de wetsgeschiedenis van (kort gezegd) art. 56 R.O., waaruit zou blijken, dat het de wetgever destijds uitsluitend bagatelzaken voor ogen had gehad. Ik wil dat niet al te boud tegenspreken, maar merk wel op, dat daaronder toch wel pittige overtredingen vallen. Ik beperk mij tot de artt. 433 en 434, waar resp. 3 maanden hechtenis en 3 jaar RWI opstaat. En zo zal men nog wel meer voorbeelden kunnen opzoeken. Op de onderhavige overtredingen staat een maand hechtenis (art. 11 lid 1 Opiumwet). Kort gezegd: ik acht dit argument niet sterk. Onder 2 wordt een beroep gedaan op art. 14 lid 5 van het UN-Verdrag, dat ieder die wegens een "crime" is veroordeeld het recht geeft op hoger beroep. Zou men aannemen, dat de onderhavige feiten van voldoende niveau zijn om als zo'n strafbaar feit te worden aangemerkt, dan zou hierop in beginsel een beroep kunnen worden gedaan. Uw Raad heeft echter op 14 april 1981 (niet 1980 zoals in de NJ staat), NJ 1981, no. 401 (niet 410, zoals requirant stelt) uitgemaakt, dat deze bepaling zich niet leent voor rechtstreekse toepassing door de rechter, en daarmee is naar mijn mening de zaak uit: Haga locuta, causa finita. Voor zover van belang, zij ook nog geattendeerd. op de conclusie van het O.M., waar wordt gewezen, op de onaanvaardbaarheid langs jurisprudentiële weg zo'n appèlregeling in het leven te roepen. Ook het Belgische Hof van Cassatie stelde zich op 1 februari 1984, RW 1984/5, p. 1807 negatief op. Onder 3 wordt verwezen naar het fair hearing-beginsel van art. 6 EVRM. Ik zie ook hier evenwel geen draagbare grond voor de stelling van requirant, aangezien het recht op hogere voorziening (hoger beroep; beroep in cassatie) niet in de EVRM is neergelegd, ook niet in art. 6 lid 1. Vgl. Van Dijk-Van Hoof, tweede druk, p. 280, die verwijzen naar een arrest van het Hof van 17 januari 1970 in de Delcourt-zaak, Publ. ECHR, Series A, vol 11
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.