A.T. Nr. 12.683 Zitting 28 februari 1986 Mr. Mok Conclusie inzake: [eiser] tegen
(2)dat hij niet economisch aan Smilde gebonden was, zodat voor hem geen noodzaak bestond in Smilde te wonen (r.o. 15). De belangrijkste vraag in dit verband lijkt mij of het hof van een onjuist criterium is uitgegaan, zoals in onderdeel 3 wordt gesteld. Bij de beoordeling van de vraag of eiser zich in een dwangpositie bevond is van belang dat de voorwaarden in het koopcontract standaardvoorwaarden waren. Er kan van worden uitgegaan dat de gemeente Smilde niet bereid zou zijn geweest om bouwgrond tegen andere voorwaarden te verkopen (zie ook het in noot 4 genoemde raadsbesluit). De raadsman van eiser heeft bij pleidooi in cassatie de zaak geplaatst tegen de achtergrond van het aanhangige wetsvoorstel algemene voorwaarden. Het komt mij evenwel voor dat dit wetsvoorstel, dat uitdrukkelijk beoogt nieuw recht te scheppen en dat nog niet door de Eerste Kamer is goedgekeurd, zich niet leent voor anticiperende toepassing. De stelling volgens welke het hof een onjuist criterium heeft aangelegd baseert [eiser] op de volgende argumenten: a. het hof oordeelt dat de aanvaarding of geldigheid van een onereus beding niet achteraf betwist kan worden, indien men de transactie als zodanig slechts op grond van subjectieve voorkeur en niet op grond van (economische) nood heeft gesloten. De rechtsvraag naar de aanvaarding en geldigheid van een gekend maar onereus beding zou aldus worden beslist door de (feitelijke) vraag of degene die zich lijkt te hebben verbonden, objectief ook zonder de transaktie waarvan het beding deel uitmaakt voort had gekund; b. een objectieve dwangpositie kan in omstandigheden als in casu ook voortvloeien uit sociale gebondenheid. Ad a. Misbruik van omstandigheden in de vorm van misbruik van economische overwicht is wel aangeduid als misbruik van machtspositie of als misbruik van de druk van omstandigheden. De in het middel vervatte stelling komt daarop neer dat het stipuleren van een "onereus beding" misbruik van omstandigheden oplevert, zonder dat de stipulator een machtspositie behoeft te hebben. Dit zou neerkomen op misbruik van de druk van omstandigheden, welke druk bestaat in subjectieve voorkeur van de wederpartij. Die opvatting lijkt mij onhoudbaar. Het is op zichzelf wel juist dat subjectieve omstandigheden aan de zijde van de wederpartij misbruik van omstandigheden kunnen meebrengen, maar subjectieve voorkeur voor het object van een koopovereenkomst hoort daar m.i. als zodanig niet bij. I.v.m. de in het middel gebruikte uitdrukking "onereus beding" merk ik nog op dat benadeling van de wederpartij geen vereiste voor misbruik van omstandigheden is, doch wel een factor waaruit misbruik van omstandigheden mede kan worden afgeleid. Evenwel meen ik dat van een onereus beding, in die zin dat [eiser] daardoor onevenredig benadeeld zou zijn, geen sprake is. Ook al acht men de oplegging van een verplichting tot het nemen en aanhouden van een abonnement op een centraal antennesysteem (mede met het oog op de mogelijkheid dat dit personen treft die in het geheel niet in televisie of radio zijn geïnteresseerd - eiser heeft overigens niet gesteld daartoe te behoren —) niet sympathiek, het is daarom nog niet onereus. Het gaat om een abonnement waartoe miljoenen Nederlanders zich (doorgaans vrijwillig) verbonden hebben. Ook de kosten (enige tientallen guldens per maand) kan men op zichzelf niet als onereus bestempelen, zeker niet t.o.v. iemand als eiser die een stuk bouwgrond voor rond ƒ. 67.000,-- heeft gekocht. Ad b. Dat een dwangpositie in casu zou kunnen voortvloeien uit sociale gebondenheid (aan Smilde) is in de feitelijke instanties niet gesteld, zodat het in cassatie een ongeoorloofd novum oplevert. Overigens is het argument niet relevant aangezien feitelijk vaststaat dat [eiser] reeds een woning in Smilde bezat. Tijdens de procedure is ook gesteld dat eiser, toen hij eenmaal de psychologische barrière van de beslissing om de bouwgrond te kopen was gepasseerd, hij daarop zo gefixeerd was dat hij niet meer terug zou kunnen. Daardoor zou hij in een subjectieve dwangpositie hebben verkeerd. Deze zienswijze, wat daar overigens van zij, verliest uit het oog dat de opneming van de litigieuze clausule in het koopcontract daar geheel buiten stond. De gemeente nam die, op grond van een raadsbesluit, in alle of vrijwel alle contracten tot verkoop van bouwgrond in het betrokken bestemmingsplan (en twee andere bestemmingsplannen) op, zodat reeds daarom in dit specifieke geval niet van misbruik door de gemeente kan worden gesproken. 5.3 Onderdeel 4 beroept zich op strijd met art. 10 van de Europese Conventie tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, hetgeen nietigheid zou meebrengen. Eiser zou door het litigieuze beding gedwongen worden een signaal te ontvangen, dat hij niet op deze wijze ontvangen wil, terwijl de vrijheid om te ontvangen ook de vrijheid iets niet (op een bepaalde wijze) te ontvangen omvat. Dit argument acht ik gezocht. Het is van algemene bekendheid (zie ook r.o. 17 in het bestreden arrest) dat de aansluiting op een centrale antenne-inrichting op zichzelf geen waarneembare signalen voortbrengt. Daarvoor is noodzakelijk dat men de aansluiting verbindt met een radio- of televisietoestel en dat toestel vervolgens inschakelt. Niemand verplicht eiser dat te doen. Het middel, dat dit tegenargument voorzien heeft, stelt dat "ontvangen" in de onderhavige omstandigheden niet zo beperkt mag worden opgevat, dat daar onder slechts de ontvangst van onmiddellijk en rechtstreeks zintuigelijk waarneembare communicaties begrepen mag worden. De aldus verworpen uitleg van het begrip ontvangen komt mij echter alleszins redelijk voor. Daarenboven had eiser, als zijn bezwaren werkelijk zo principieel op de rechten van de mens gefundeerd waren, Recai kunnen verzoeken de aansluiting uit te schakelen, met doorbetaling van het abonnementsgeld. Van een dergelijk verzoek is niets gebleken. Uit de stukken komt eerder naar voren dat eiser en zijn medestanders juist bezwaar hadden tegen de verplichting tot betaling van het abonnementsgeld. 5.
- In r.o. 19 heeft het hof overwogen dat [eiser] geen feiten had gesteld op grond waarvan geoordeeld kon worden dat het in strijd met de goede trouw is dat de gemeente een beroep doet op de clausule. Onderdeel 5 van het middel stelt dat het hof daarmee het recht heeft geschonden of op onbegrijpelijke gronden heeft beslist. Gezien het feitelijk karakter van de bestreden overweging behoeft het onderdeel slechts in haar gedaante van motiveringsklacht bespreking. De motiveringsklacht steunt op een vijftal stellingen die [eiser] in de feitelijke instanties naar voren heeft gebracht en waaruit naar zijn mening wel zou kunnen volgen dat een beroep op de litigieuze clausule in strijd is met de goede trouw. Sub a wordt verwezen naar de stelling dat de bedongen abonnementsplicht een wezensvreemd element in de onderhavige grondtransactie is. Het middel ziet over het hoofd dat het hof die stelling uitdrukkelijk heeft verworpen (in r.o. 13). Sub e wordt gesteld dat de abonnementsplicht in strijd is met de heersende rechtsovertuiging, zoals die blijkt uit het genoemde wetsvoorstel inzake algemene voorwaarden. Ik betoogde reeds dat dit wetsvoorstel in het huidige stadium niet in aanmerking komt voor anticiperende toepassing. Dat het niet zonder meer de heersende rechtsovertuiging weergeeft blijkt uit de discussies in de Tweede Kamer en vooral ook uit het feit dat het (na de opstelling van de cassatiedagvaarding in de onderhavige zaak) aanzienlijk is gewijzigd; dit geldt ook voor de bepalingen waarnaar in het middel in het bijzonder is verwezen. Sub b wordt verwezen naar een aantal detailpunten van de clausule, zoals m.n. de onopzegbaarheid en voorts het ketting- en boetebeding. Het is voorstelbaar dat een beroep daarop inderdaad in strijd met de goede trouw geacht zou moeten worden. T.a.v. de onopzegbaarheid zou de duur van het verstreken tijdvak een element kunnen zijn. In casu is daarvan geen sprake. Eiser heeft zich ab initio van de clausule willen bevrijden. Op het kettingbeding is in het geheel geen beroep gedaan, terwijl de gemeente met toepassing van het boetebeding alleen heeft gedreigd. Toetsing van het boetebeding van de goede trouw zou overigens ten hoogste tot matiging van de boeten leiden. Voorts wordt sub b nog verwezen naar de eenzijdige inhoud en prijsbepaling door Recai. Terecht heeft het hof daarin geen strijd met de goede trouw gezien. Een dergelijke eenzijdigheid is aan algemene voorwaarden eigen. De verwijzing naar de aantasting van de informatievrijheid kwam reeds bij de behandeling van onderdeel 4 van dit middel aan de orde. Ad c en ad d wordt naar stellingen verwezen waarop ook de ingeroepen misbruik van omstandigheden is gebaseerd. Mij dunkt dat hier sprake is van een redenering die Cahen heeft aangeduid als oneerlijke concurrentie van goede trouw met het vierde wilsgebrek: "Dat doet zich voor wanneer de goede trouw wordt gebruikt om de uitoefening van contractuele rechten te verbieden of te beperken en dat op grond van feiten en omstandigheden die zich ten tijde van het aangaan van de overeenkomst voordeden en die onvoldoende grond gaven voor een beroep op misbruik van omstandigheden. De interventie van de goede trouw is dan ten enenmale misplaatst. Want als de desbetreffende omstandigheden niet van dien aard zijn dat wij de verkrijging van een recht erom afkeuren, mag de uitoefening van het recht ook niet vanwege diezelfde omstandigheden met behulp van de goede trouw verboden of beperkt worden." Deze kwestie is overigens omstreden. In de in dit verband wel genoemde arresten Saladin/HBU en pseudo-vogelpest kan ik niet lezen dat op grond van dezelfde omstandigheden zowel een beroep zou kunnen worden gedaan op vernietigbaarheid wegens misbruik van omstandigheden, als op (beperkende werking van) de goede trouw. De onderhavige zaak noopt overigens niet tot een principiële uitspraak hierover, gezien de feitelijke en m.i. niet onbegrijpelijke beslissing die het hof in r.o. 19 heeft gegeven. 5.
- Onderdeel 6 bevat geen zelfstandige klacht. Onderdeel 7 heeft betrekking op r.o.
- Daar heeft het hof het door [eiser] gedane beroep op benadeling afgewezen. In de initiële dagvaarding had [eiser] gesteld dat hij door het misbruik van de monopoliepositie van de gemeente werd benadeeld, althans dreigde te worden benadeeld. In appel was daar in de memorie van grieven (ad III) naar verwezen. De in onderdeel 7 van het middel vervatte klacht, dat het hof zou hebben miskend dat het stellen en bewijzen van bepaalde vormen of maten van benadeling geen vereiste is voor een klacht terzake van misbruik van omstandigheden (of voor een verwijt dat de wederpartij zich niet te goeder trouw op een bepaald beding mag beroepen), lijkt in dit verband misplaatst. [eiser] was nu eenmaal begonnen benadeling te stellen. De in het middel verder voorkomende stelling dat het hof het begrip "precontractuele goede trouw" zou hebben miskend gaat aan de redenering van het hof voorbij. Die redenering houdt in dat [eiser] reeds sinds de briefwisseling uit 1979 de clausule inzake aansluiting op de centrale antenne-inrichting kende (en aanvaard had). De kosten waarop hij zich bij pleidooi in appel had beroepen heeft hij eerst na die briefwisseling gemaakt. 5.6 . Het bovenstaande brengt mede dat middel II in al zijn onderdelen faalt.
- Middel III. In de vierde appelgrief had [eiser] gesteld dat de rechtbank ten onrechte niet was ingegaan op de stelling dat Recai bij de aansluitingen discrimineerde, terwijl hij er voorts over had geklaagd dat de rechtbank ten onrechte niet had beslist op het petitum sub b van de initiële dagvaarding. In r.o. 24 heeft het hof beslist dat het sub b gevorderde niet toewijsbaar was. Die beslissing heeft het hof (r.o. 23) gebaseerd op het tussen partijen over en weer gestelde met betrekking tot deze vordering. De hiertegen in onderdeel 1 van het middel gerichte klacht treft geen doel, aangezien daarin wordt uitgegaan van een andere uitleg van het bedoelde petitum. De uitleg van de gedingstukken is aan het hof voorbehouden, zodat daarover in cassatie niet met vrucht kan worden geklaagd. De beweerde discriminatie bestond uitsluitend daarin dat degenen, zoals eiser, die de litigieuze clausule hebben aanvaard, hun abonnement niet kunnen beëindigen, terwijl andere aangeslotenen dat wel kunnen (r.o. 27). Het hof heeft dit onderscheid gerechtvaardigd geacht, en ook kunnen achten, omdat de verplicht aangeslotenen zich ten opzichte van Recai als derde-bevoordeelde hadden verbonden hun aansluiting te handhaven (zie ook hieronder ad onderdeel 3). Onderdeel 2 zegt dat het litigieuze beding niet mag worden uitgelegd als een geldig derde-beding, omdat dit "niet vermag te binden", zoals betoogd in de middelen I en II. In zoverre deelt onderdeel 2 van middel III het lot van de beide voorgaande middelen. Voorts is nog gesteld dat Recai zich te goeder trouw niet op het beding mag beroepen, juist vanwege de ongelijke behandeling van haar abonnees. Dat lijkt mij een cirkelredenering. Het hof zegt immers dat er geen discriminatie is, omdat de situatie van de beide categorieën abonnees verschillend is wegens het bestaan van het derde-beding. Het middel zegt dat er wel discriminatie is omdat Recai zich niet op het derde-beding mag beroepen, omdat dit discrimineert. De aldus opgevatte klacht kan de beslissing van het hof niet aantasten. Het nogal ondoorzichtig geformuleerde onderdeel 3 wil, als ik het goed zie, betogen dat Recai een monopolist is aan wie het in geen geval zou zijn toegestaan te discrimineren tussen overigens gelijke groepen van afnemers. Zoals bleek is het enige verschil dat in feite gemaakt wordt gelegen in de al dan niet opzegbaarheid. Het hof heeft in r.o. 27 overwogen dat er in dit opzicht een verschil bestaat tussen de beide categorieën afnemers, zodat van discriminatie niet kan worden gesproken. Die overweging lijkt mij begrijpelijk. Ten overvloede merk ik op dat het aan het middel ten grondslag liggende verwijt van discriminatie veel sterker zou zijn geweest indien Recai afgezien van de opzegbaarheid voor de beide groepen aangeslotenen verschillende voorwaarden zou toepassen, bijv. door de verplicht aangeslotenen hogere tarieven te berekenen. Van een dergelijke vorm van ongelijke behandeling is echter niet gebleken. Uit bovenstaande volgt dat ook middel III geen doel treft.
- Conclusie. De conclusie luidt tot verwerping van het beroep met veroordeling van eiser in de cassatiekosten. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, Briefwisseling door de gemeente overgelegd bij c.v.a. in prima. Akte overgelegd bij conclusie van repliek en van dupliek in prima. Nl., naar bij pleidooi in appel namens de gemeente is gesteld, in Assen. Bij akte in eerste aanleg heeft de gemeente (nr. 20) een copie van zo'n raadsbesluit, opgesteld voor het bestemmingsplan Harderspark, in het geding gebracht. Het perceel van [eiser] ligt in een ander bestemmingsplan (Zandmeer), maar er mag van worden uitgegaan, dat daarvoor identieke voorwaarden, althans op het stuk van antennes, golden.4a) Door de gemeente Smilde bij akte in prima in het geding gebracht. 4b Zie bijv. de uitspraak van de wnd. Vz. Van 8 augustus 1985, KG 1985,
- Vgl. ook de noot van J. Wessel onder hof Leeuwarden 23 maart 1983, Bouwrecht 1983, p. 623 e.v. Dit blijkt uit het verslag van de vergadering van de gemeenteraad van Smilde van 8 maart 1979, in het geding gebracht door [eiser] bij conclusie van repliek. Kamerst.
- Ontwerp ingediend op 28 juli 1981; in gewijzigde vorm door de Tweede Kamer aanvaard op 7 mei
- Zie bijv. m.v.t. (nr. 3), p.
- HR 24 mei 1968, NJ 1968, 252, m.n. G.J. Scholten, AA 1969, p. 134, m.n. W.C.L. v.d. Grinten (Buma/Brinkmann). HR 11 januari 1957, NJ 1959, 37, m.n. L.J. Hijmans v.d. Bergh, AA 1957, p. 157, m.n. J. H Beekhuis (BOVAG II). Zoals lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand en onervarenheid; vgl. art. 3.2.10, lid 4, NBW, zoals toegelicht in de m.v.a. aan de Tweede Kamer, Van Zeben, Boek 3, p.
- Vgl. W.M. Kleijn in Bouwrecht 1974, p. 82 (XII) e.v. en voorts o.m. D.P. Ruitinga, Misbruik van economisch overwicht als grond voor het aantasten van overeenkomsten, diss. U.v.A. 1982, p. 147 e.v., i.h.b. p. 169 e.v.; J.L.P. Cahen, Misbruik van omstandigheden, 1983, i.h.b. p. 28 e.v.; Asser-Rutten-Hartkamp II (Asser-serie 4-II*), 1985, p. 172 e.v. en J.B.M.M. Wuisman in Contractenrecht (losbl.), III-nrs. 138 ev. en de aldaar genoemde verdere literatuur. Vgl. het krachtige commentaar op een vergelijkbare (m.i. overigens minder onereuze) publiekrechtelijke verplichting, van de hand van D. Brüll in FED, Gem.bel.:
- Persoonlijk acht ik de door Smilde opgelegde verplichting niet sympathiek. Dat is echter een politieke opvatting, die juridisch niet relevant is nu het bevoegde politieke orgaan, de gemeenteraad van Smilde, het besluit om zo'n verplichting in de grond-verkoopovereenkomsten op te nemen, heeft genomen. Vgl. het oorspronkelijk ontwerp, kamerst. 16983, nr. 2, met het gewijzigd ontwerp, stuk nr.
- Zie ook G.J. Rijken in kwartaalschrift NBW 1984, p. 120 e.v. en J. Spier, ibidem, p. 129 e.v. en 1985, p. 6 e.v. Vgl. HR 27 maart 1984, NJ 1984, 679, m.n. W.C.L. v. d. Grinten. T.a.p., p.
- Zie o.m. Ruitenberg, t.a.p., p. 190 e.v., met verwijzing naar P. Abas, Beperkende werking van goede trouw, diss. U.v.A., 1972, p. 266; M.H.S. Lebens-de Mug, Het wilsgebrek misbruik van omstandigheden, diss. K.U.N. 1981, p. 131 e.v.; A.G. Hartkamp in WPNR 5560