v.R. Nr. 12.
(2)dat het aan [verweerder] toegekende invaliditeitspensioen niet eerder kon ingaan dan met de dag waarop zijn aanvraag bij het fonds is binnengekomen (artikel 21, lid 5, van het reglement). Zich baserend op de medische verklaring, opgenomen in de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep over het ambtelijke invaliditeitspensioen van [verweerder] (zie noot 1) heeft de rechtbank aangenomen dat het nemen van ontslag door [verweerder] samenhing met zijn gezondheidstoestand. Overeenkomstig artikel 21, lid 2, had het invaliditeitspensioen op die dag kunnen ingaan. Het middel betwist dat ook niet, maar het wijst op de tevens gestelde eis van aanvraag van het invaliditeitspensioen. Het lijkt mij duidelijk dat het middel de letterlijke tekst van het pensioenreglement aan zijn kant heeft. Daaraan moet echter worden toegevoegd dat artikel 21, lid 5, van het pensioenreglement woordelijk is ontleend aan artikel 108, lid 2, van de Pensioenwet
- In de rechtspraak is uitgemaakt dat in buitengewone gevallen van die regel in de oude pensioenwet wel eens kan worden afgeweken. De genoemde beslissing van de Centrale Raad van Beroep m.b.t. [verweerder] zelf is daarvan een voorbeeld. De rechtbank heeft kennelijk bij deze rechtspraak van de administratieve rechter (i.h.b. de uitspraak m.b.t. [verweerder] zelf) willen aansluiten. Evenals de Centrale Raad van Beroep heeft zij de psychische toestand van [verweerder] aangemerkt als overmacht, die in de weg stond aan een tijdige indiening van een aanvraag om pensioen. De constructie volgens welke gedurende die overmacht-periode rechtens het verval van aanspraken geschorst is geweest, dient men m.i. zo op te vatten dat de na afloop van die periode gedane aanvraag om invaliditeitspensioen geacht moet worden aan het begin daarvan te zijn gedaan. Zodoende kan men tevens de horde van artikel 17 van het pensioenreglement nemen. Ambtshalve toekenning van invaliditeitspensioen is ingevolge het tweede lid van dat artikel niet mogelijk. Door echter de aanvrage van het pensioen door de belanghebbende fictief te vervroegen kan de toekenning, op grond van het eerste lid van artikel 17, bij vervroeging volgen. De aldus verkregen concordantie tussen de administratieve rechtspraak over het ambtelijk pensioen en de burgerlijke rechtspraak over het notarieel pensioen lijkt mij op zichzelf een voordeel. Dat het notarieel pensioen in de opvatting van de rechtbank later is ingegaan dan het ambtelijke pensioen doet daaraan niet af. De mogelijkheid van begin van de overmachtsperiode in 1963 was ook reeds in de uitspraak van de Centrale Raad aanwezig, al heeft tenslotte de directie van het Algemeen Burgerlijk Pensioenfonds een ruimhartige opstelling gekozen door het pensioen al in 1959 te laten ingaan. Een en ander brengt mee dat, al kan het bestreden vonnis niet steunen op de letterlijke tekst van het pensioenreglement en al is de gebruikte terminologie op een enkel punt (schorsing van aanspraken) wellicht enigszins verwarrend, de slotsom toch kan luiden dat de rechtbank niet van een onjuiste rechtsopvatting is uitgegaan. Onderdeel a van middel II kan dan ook niet tot cassatie leiden. 5.
- Onderdeel b van het middel. Onderdeel b van middel II wijst op de ratio van de regeling van artikel 21, lid 5 van het pensioenreglement. Die bepaling strekt tot bescherming van het fonds. Bij pleitnota is toegelicht dat invaliditeit van een deelnemer voor het fonds een "tegenvaller" is. Bij het ontstaan van invaliditeit moet een voorziening voor het pensioen getroffen worden. Toekenning met terugwerkende kracht, zoals hier in feite geschied is, levert problemen op. De raadsman van het NPF heeft er in dit verband op gewezen dat juist bij invaliditeitspensioen het bestuur van het fonds niet de bevoegdheid tot ambtshalve toekenning heeft (artikel 17, lid 2). Ik merk op dat invaliditeit inderdaad, anders dan het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, een onverwachte gebeurtenis is. Voor overlijden voor het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd geldt overigens hetzelfde, terwijl het bestuur toch een weduwen- en wezenpensioen ambtshalve mag toekennen. Ik veronderstel dat aan de hand van statistieken te berekenen is hoe groot de kans op invaliditeit van een deelnemer is. Is het pensioenfonds te klein om het risico daarvan te dragen (de opmerking over een voorziening ad hoc wijst in die richting), dan zou herverzekering een oplossing kunnen bieden. Zijn de kansen op invaliditeit ingecalculeerd, dan kan men de aan dit onderdeel van het middel ten grondslag liggende stelling ook omdraaien: de te late aanvrage van een invaliditeitspensioen is dan voor het fonds juist een voordeel. Resumerend komt het mij voor dat onderdeel b geen wezenlijke nieuwe gezichtspunten aan onderdeel a toevoegt, zodat dit onderdeel niet zelfstandig tot cassatie kan leiden.
- Conclusie. De conclusie luidt tot verwerping van het beroep met veroordeling van eiser in de cassatiekosten. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, Dit was inmiddels de vijfde procedure; zie de beschrijving in het bestreden vonnis Uitspraak van 19 maart 1974, nr. A.B.P. 1972.
- De uitspraak behoort tot de gedingstukken in de onderhavige zaak; ik heb begrepen dat hij door [verweerder] als bijlage bij zijn pleidooi voor de kantonrechter is overgelegd. Voor zover ik kon nagaan is deze uitspraak niet gepubliceerd. A.F.K. Hartogh en C.A. Cosman, De Wet van 7 Juli 1896, 1897, p.
- R R. van Boneval Faure, Het Nederlandsch Burgerlijk Procesrecht, 2e dr. 1900, 5e deel, p.
- W. van Rossem-R.P. Cleveringa, Burgerlijke Rechtsvordering 1972, dl. 1, p. 888, aant, 2 op art.
- Aldaar wordt er op gewezen dat Hartogh destijds in de Eerste Kamer heeft verdedigd dat art. 347 meer conclusies dan de aldaar genoemde toeliet (Voorstel van wet tot wijziging van het WBRv "Lex- Hartogh"), dl. III, p. 192/
- O.m. hof Den Haag 16 november 1942, NJ 1943, 113 en (vooral) 10 mei 1943, NJ 1943,
- Zie voorts hetzelfde hof 24 oktober 1946, NJ 1947,
- P. Meyjes-H.L. Wedeven, Burgerlijke Rechtsvordering (losbl. ), aant. 1 op art.
- R.C. Schlingemann in Coops, Grondtrekken, 9e dr. 1980, p. 173; Hugenholtz-Heemskerk, Hoofdlijnen, 1982, p.
- P.A. Stein, Compendium, 1985, p.
- HR 1 november 1985, RvdW 1985,
- Pleitnota mr. Sillevis Smitt, nr. 12 in fine. Wet van 16 september 1954, Stb. 407, ed. S. & J. 37