Nr. 12.942 Zitting 8 mei 1987 Mr. Hartkamp Conclusie inzake: [eiser] tegen B.V. [verweerster] Edelhoogachtbaar College,
(1981). De noot van Mijnssen onder HR 27 januari 1984, NJ 1985, 526 stipt het arbitrale vonnis ook aan, doch in geheel ander verband. Vergelijk ook Hof Amsterdam 24 december 1975, NJ 1975, 211. Op deze gronden faalt m.i. onderdeel 4. 8. Onderdeel 6 (zoals bij repliek gepreciseerd) betoogt dat zolang de schade die verkoopster terzake van onrechtmatige daad heeft geleden niet in rechte is vastgesteld, deze schade nog niet bestaat en dat daarover dus geen rente kan lopen. Deze stelling is onjuist. De wettelijke rente over een vordering tot schadevergoeding loopt zodra
- a)de vordering opeisbaar is, en
- b)aan art. 1286 lid 3 is voldaan. Aan
- b)is in casu voldaan. Aan
- a)is ook voldaan; het onderdeel gaat er trouwens zelf van uit dat de schade is geleden, en hierdoor is de vordering ontstaan en opeisbaar. Dat de hoogte van de schade vaststaat is niet vereist, laat staan dat deze in rechte is vastgesteld. Zie Asser-Rutten-Hartkamp I nr. 419, HR 12 april 1985, NJ 1985, 625 m.o. G. O.D. II (Bloembergen) nr. 63. Ook onderdeel 6 faalt derhalve, en daarmede het principale beroep. 9. Nu het principale beroep dient te worden verworpen, is niet voldaan aan de voorwaarde waaronder het incidentele cassatieberoep is ingesteld. Het behoeft dus geen behandeling. Het in het incidentele beroep voorgedragen middel komt overigens m.i. tevergeefs op tegen de beslissing van het hof dat de mededeling van notaris [eiser] aan notaris [notaris verweerster] niet kon worden opgevat als het aanvaarden van een contractuele verplichting jegens verkoopster (met wie de notaris voor het overige geen enkel contact over de ten processe bedoelde aangelegenheid heeft gehad). Deze beslissing is feitelijk, en niet onbegrijpelijk; zij behoefde tegen de achtergrond van het debat van partijen ook geen nadere motivering; het hof heeft geen essentiële stellingen van partijen, in het bijzonder van verkoopster, buiten beschouwing gelaten en ook geen uitspraak gedaan die in haar algemeenheid onjuist is. Kortom, de casuspositie van het arrest van 8 juli 1986 (b.a.), waarop verkoopster zich beroept, doet zich hier niet voor. De conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,