← Nederland

ECLI:NL:PHR:1987:AB8018

na. - Nr. 81.188 Zitting 31 maart 1987 Mr. Meijers Conclusie inzake: [verdachte] Edelhoogachtbaar college,

  1. In eerste aanleg is namens verzoeker een beroep gedaan op niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie. De rechtbank heeft in haar vonnis overwogen "dat de raadsman daartoe heeft aangevoerd dat het slachtoffer reeds vijf jaar geleden met een maatschappelijk werkster over deze zaak heeft gesproken en dat zij in de vijf jaren die sindsdien verlopen zijn geen pogingen heeft ondernomen een vervolging te doen instellen; dat derhalve een vervolging thans in strijd is met de algemene 'beginselen van behoorlijke procesorde en dat voorts de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees verdrag tot bescherming 'van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden".
  2. De rechtbank heeft het verweer verworpen, overwegende "dat het slachtoffer, zoals uit de stukken blijkt, op 5 december 1983 aangifte heeft gedaan van de aan de verdachte telastegelegde feiten; dat het Gerechtshof te 's-Gravenhage bij beschikking d.d. 22 augustus 1984 naar aanleiding van een beklag als bedoeld in artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering heeft bevolen dat de vervolging tegen verdachte zal worden ingesteld dan wel voortgezet; dat de rechtbank niet vermag in te zien dat in het onderhavige geval sprake zou zijn van strijd met de beginselen van behoorlijke procesorde, welke thans de niet-ontvankelijkheid van de officier van justitie in zijn vervolging tot gevolg zou hebben; dat dit verweer dan ook dient te worden verworpen; dat voorts het verweer met betrekking tot de bovenbedoelde redelijke termijn verworpen dient te worden; dat immers deze termijn aanvangt bij een daad van vervolging; dat als zodanig aangemerkt dient te worden de vordering tot gerechtelijk vooronderzoek, welke op 20 september 1984 aan verdachte is betekend; dat de termijn vanaf 20 september 1984 tot de behandeling van de zaak op de terechtzitting van 22 februari 1985 zeker is aan te merken als een redelijke termijn als bovenbedoeld; dat het feit dat het slachtoffer eerder met een maatschappelijk werkster over de feiten heeft gesproken in dit verband irrelevant is; dat, op grond van het vorenoverwogene, de officier van justitie ontvankelijk dient te worden verklaard in zijn vervolging".
  3. In hoger beroep heeft verzoekers raadsman het bedoelde verweer herhaald en, blijkens het bestreden arrest, ter aanvulling van dat verweer nog aangevoerd "dat het openbaar ministerie bij verdachte het vertrouwen heeft opgewekt dat zijn vervolging zou worden geseponeerd; dat het openbaar ministerie dusdoende het vertrouwensbeginsel heeft geschaad en niet ontvankelijk moet worden verklaard in zijn vervolging".
  4. Het hof heeft hierop overwogen "dat het hof ten aanzien van de in hoger beroep herhaalde verweren zich verenigt met de overwegingen die de rechtbank dienaangaand heeft gehanteerd en die hebben geleid tot verwerping van die verweren, waarbij het hof nog overweegt dat tussen de uitspraak van het vonnis waarvan hoger beroep en de behandeling van dit beroep ook niet zo lange tijd is verlopen, dat thans van overschrijding van een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM sprake zou zijn, overwegende dat het hof ten aanzien van voormeld voor het eerst in hoger beroep aangevoerde verweer inzake schending van het vertrouwensbeginsel het navolgende in aanmerking neemt; dat in beginsel het openbaar ministerie de vrijheid heeft om een verdachte al dan niet te vervolgen; dat dit opportuniteitsbeginsel van het openbaar ministerie echter moet wijken voor het bevel van dit hof van 22 augustus 1984 'krachtens artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering om tot vervolging over te gaan, zodat het desbetreffende verweer wordt verworpen".
  5. Het namens verzoeker door mr. J.W. Stok, advocaat te 's-Gravenhage, voorgestelde middel bevat blijkens de toelichting een tweetal klachten. De eerste klacht is dat de officier van justitie heeft gehandeld in strijd met "de beginselen van een goede procesorde" door een vervolging in te stellen op een aangifte die, zoals in de schriftuur wordt gezegd, eerst is gedaan "ongeveer 10 jaar na beëindiging van de periode, waarin de misdrijven zijn begaan". De tweede, daarmee samenhangende, klacht is dat verzoeker op grond van een desbetreffende toezegging van de officier van justitie erop mocht vertrouwen, dat de aangifte niet tot een strafvervolging zou leiden.
  6. Geen van beide klachten kan naar mijn mening tot cassatie leiden. Zij stuiten beide af op hetgeen het hof heeft overwogen met betrekking tot de verhouding tussen het opportuniteitsbeginsel van het openbaar ministerie en het op 22 augustus 1984 krachtens art. 12 Sv., zoals dat artikel toen luidde, gegeven bevel van hetzelfde hof om tot vervolging van verzoeker over te gaan.
  7. Het oordeel van het hof geeft in geen enkel opzicht blijk van een verkeerde rechtsopvatting. Het bevel bedoeld in art. 12 Sv. is immers een beslissing die voor het openbaar ministerie de onmiddellijke -gewoon beroep in cassatie staat niet open- verplichting schept de in het bevel bedoelde vervolging in te stellen. Vgl. G.J.M. Corstens, Waarborgen rondom het vervolgingsbeleid 1974, p. 105; Melai, aantt. 2 en 3 op art. 12 (oud) ; Van Bemmelen-Van Veen, Strafprocesrecht 1986, p.
  8. Nadat op bevel van het hof de vervolging is ingesteld, kan degene die wordt vervolgd aan het openbaar ministerie niet meer tegenwerpen dat het door de vervolging in te stellen in strijd handelt met enige rechtsregel of met een beginsel van behoorlijk procesrecht, bijvoorbeeld omdat de vervolging plaats vindt op een aangifte die geruime tijd na het plegen van het feit ligt, of omdat wordt vervolgd in weerwil van een eerdere toezegging om niet te vervolgen.
  9. Het ex art. 12 Sv. gegeven bevel houdt immers het oordeel van het hof in dat het instellen van die vervolging rechtmatig is. Ook onder de werking van het oude art. 12 was het de taak van het hof naast de haalbaarheid van de vervolging (Corstens, a.w. p. 23-24) de opportuniteit daarvan te beoordelen. Over de volledige rechtmatigheidstoetsing in de nieuwe beklagregeling: P.J.J. van Buuren in AA 1985, p. 265-
  10. Vgl. Van Bemmelen- Van Veen, a.w. p. 212, en in algemene zin J.A. Borman in Trema 1981, p.
  11. Het bovenstaande leidt tot de slotsom dat het middel ongegrond is. De conclusie strekt dan ook tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.