← Nederland

ECLI:NL:PHR:1987:AC1218

as Nr. 1612 E Parket, 16 april 1985 Mr. Remmelink Conclusie inzake: [klaagster] B.V. Edelhoogachtbare Heren, In deze zaak waarin de Rechtbank op vordering van de officier van justitie aan het verkeer onttrokken heeft verklaard 1673 in beslaggenomen kartons overhemden, tegen welke beschikking requirante zich van beroep in cassatie heeft voorzien, zijn namens haar twee middelen van cassatie voorgesteld. In middel I wordt gesteld dat de Rechtbank ten onrechte de officier van justitie niet-ontvankelijk heeft verklaard wegens overschrijding van de redelijke termijn. Ik moge daartoe het volgende opmerken: Requirante stelt zich op het standpunt dat art. 6 lid 1 EVRM op de onderhavige procesgang van toepassing zou zijn. Er zou hier nl. sprake zijn van een "determination" van "civil rights". Het gevolg van de onderhavige onttrekking is immers dat requirante de eigendom van de goederen verliest. Ik kan met deze rubricering van dit proces niet instemmen. Onder "determination" zal toch moeten worden verstaan de vaststelling van een burgerlijk recht: bijv., dat A en niet B eigenaar is van een goed. Of dat A recht op schadevergoeding heeft jegens B. Zelfs in een onteigeningsprocedure kan het komen tot vaststelling van burgerlijke rechten. Hier gaat het echter om een maatregel van openbare orde (veiligheid): Wie civielrechtelijke aanspraken op de goederen heeft is voor de toepassing van de maatregel niet terzake. Het gaat er slechts om ze uit de maatschappij, waarin ze onduldbaar zijn, want storend werken, worden verwijderd. Mocht de rechthebbende op die goederen daardoor op onbillijke wijze worden gedupeerd dan kan de rechter hem een schadeloosstelling toekennen. De wetgever heeft deze maatregel gerelateerd aan een strafrechtelijke inbeslagneming en toepassing aan de justitiële autoriteiten (0.M. en rechters) opgedragen, doch men kan zich voorstellen, dat zij ook geheel los hiervan door het Bestuur zo'n onttrekking plaatsvindt, bijv. als ergens een bom wordt aangetroffen. Van een strafrechtelijke vervolging (vaststelling van de juistheid van een "charge") - waarover requirante ook rept - is uiteraard evenmin sprake. Ook het door requirante geciteerde HR 16 december 1980, NJ 1980 no. 449 houdt zich hoofdzakelijk in vaststelling van een strafrechtelijke relatie met een persoon, schoon ik dit arrest, zo Uw Raad weet, niet volledig kan onderschrijven. Het vorenstaande impliceert, dat de toepasselijkheid in de maatregel m.i. niet afhankelijk kan worden gesteld van (kort gezegd) "tijdsverloop". Zolang vaststaat, dat het goed "socially dangerous" is, moet het onttrokken kunnen worden. Mocht Uw Raad hierover anders oordelen, dan ben ik van mening dat de omstandigheid, dat requirante in de persoon van haar directeur die bij de behandeling van de zaak op 5 april 1984 vergezeld van haar rechtsgeleerde raadsman aanwezig was zich blijkbaar tegen de aanhouding voor onbepaalde tijd niet heeft verzet, geen aanleiding geeft om het uitstel tot 9 november 1984 als "undue delay" te qualificeren. Requirante stelt ook nog, dat de zaak überhaupt te lang heeft "gesleept", maar ik meen, dat gelet o.m. op de ingewikkeldheid van de zaak hiervan getoetst aan de door Uw Raad gestelde criteria geen sprake is, daargelaten dat requirante die kwestie bij de behandeling van de zaak bij de Rechtbank aan de orde had moeten stellen. In middel II wordt aangevoerd dat de maatregel niet zou kunnen worden toegepast (en dus ten onrechte is toegepast) omdat de aard van de goederen niet zodanig is dat het ongecontroleerde bezit in strijd zou zijn met wet of algemeen belang. Ik denk daarover anders, en meen dat de Rechtbank juist heeft geoordeeld. Dit standpunt komt hierop neer: Het gaat hier om goederen die op illegale wijze, nl. kennelijk ter ontduiking van importquota voor textielgoederen uit derde landen, voorzien van valse certificaten in Nederland zijn ingevoerd, en de kans moet zeer aannemelijk worden geacht dat ze, ook als ze aan requirante zouden worden teruggegeven weer op de EEG-markt terecht zouden komen. Onder deze omstandigheden kan inderdaad gezegd worden dat de "aard" van de goederen "socially dangerous" is, zoals clandestien gestookte jenever, zwarte drukken van boeken en witte grammofoonplaten (hoe voortreffelijk van qualiteit) dat ook kunnen zijn. Ik verwijs naar mijn standpunt nog naar de conclusies vóór HR 10 januari 1984, NJ 1984 no. 684 met noot van Van Veen. De middelen niet aannemelijk achtend concludeer ik tot verwerping van het beroep. Parket, 16 april 1985 De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.