← Nederland

ECLI:NL:PHR:1988:AC3185

PN Nr. 82.809 Zitting 24 mei 1988 Mr. Meijers Conclusie inzake: [verzoeker] Edelhoogachtbaar College,

  1. Namens verzoeker heeft Mr. G. Spong tijdig en regelmatig een schriftuur ingediend houdende 2 middelen van cassatie.
  2. In het eerste middel wordt erover geklaagd dat de bewijsvoering (mede) gebaseerd is op een ambtsedig proces-verbaal waarin passages voorkomen die de toets van art. 344.1.2° Sv. (mededeling van zelf waargenomen of ondervonden feiten en omstandigheden) niet kunnen doorstaan.
  3. Voor wat betreft de in het ambtsedig proces-verbaal nr. 0100 van 29 januari 1986 weergegeven verklaring van [getuige 1] , meen ik dat de in het middel aangehaalde gedeelten beschouwd moeten worden in het licht van de gehele tot bewijs gebezigde verklaring, met name in het licht van: "Ik herken op de bescheiden het handschrift van [verzoeker] ." en "Alleen [verzoeker] kan bij de bescheiden". (Deze passages hebben betrekking op de girobetaalkaarten, niet op de kascheques. Het is echter duidelijk dat de op 21 augustus 1985 16 januari 1986 afgelegde verklaringen van [getuige 1] in onderling verband en samenhang beschouwd moeten worden.) Gelet op het verband van de in het middel gewraakte passages met de hiervoor geciteerde gedeelten, meen ik dat politierechter en hof die passages hebben kunnen verstaan als een - zoals de HR het uitdrukt - mededeling nopens de gedachten die zijn opgekomen naar aanleiding van de waarnemingen die zijn vervat in de hiervoor geciteerde gedeelten van de verklaring. In dat geval bevatten de passages niets wat niet vatbaar is voor eigen waarneming of ondervinding. Vgl. HR DD 86.
  4. Anders is het met de in genoemd ambtsedig proces-verbaal weergegeven verklaring van [getuige 2] . Weliswaar houdt de in het middel aangehaalde volzin hetzelfde in als een gedeelte van de verklaring van [getuige 1] , doch in de overige verklaring van [getuige 2] valt niets te ontwaren op grond waarvan deze volzin geïnterpreteerd kan worden, als hiervoor beschreven. In het bijzonder wordt in de voor het bewijs gebruikte verklaring niet melding gemaakt van enige relatie tussen verzoeker en [getuige 2] . In dit geval ontstijgt de verklaring het niveau van een gissing niet. Vgl. HR NJ 56.202, 67.474, HR DD 87.
  5. Vgl. Borst, diss., aant. 18 op art.
  6. Het middel is naar mijn mening in zoverre terecht voorgesteld. Het hof had op dit punt het vonnis van de politierechter niet mogen bevestigen.
  7. Het tweede middel behelst twee zelfstandige klachten. Allereerst had het hof - aldus het middel - behoren te motiveren waarom het in de in het middel aangehaalde verklaring van verzoeker géén aanleiding vond de daarin erkende feiten bij de strafoplegging mede in aanmerking te nemen. Het middel faalt op grond van de overweging van de HR in HR DD 85.143: "Geen rechtsregel verplichtte het Hof bij de strafoplegging rekening te houden met hetgeen omtrent het door de verdachte gepleegd zijn van andere dan de telastegelegde feiten mocht kunnen blijken uit in het dossier aanwezige stukken, ook niet wanneer de eerste rechter dat wel had gedaan. Het Hof was dienaangaande ook niet gehouden tot enige bijzondere redengeving. De omstandigheid dat de eerste rechter met het gepleegd zijn van andere dan de telastegelegde feiten rekening heeft gehouden kon bij de verdachte niet een te rechtvaardigen verwachting doen ontstaan dat het Hof dat eveneens zou doen, in aanmerking genomen de vrijheid die het Hof te dien aanzien had."
  8. Voorts klaagt het middel erover dat de strafmotivering in het - door het hof in zoverre bevestigde - vonnis van de politierechter onbegrijpelijk is nu: a. de overweging dat verzoeker "steeds opzettelijk misbruik heeft gemaakt van het vertrouwen dat de benadeelden hem schonken" geen steun vindt in het verhandelde op de terechtzitting; b. de overweging dat verzoeker kennelijk niet geraakt werd door het inzicht in de laakbaarheid van zijn handelen niet te rijmen valt met zijn verklaring dat hij, ter genoegdoening, een fototoestel aan de politie heeft afgestaan en zijn verklaring dat hij spijt heeft. Ad a: Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg heeft de politierechter aldaar de korte inhoud medegedeeld "van de stukken die betrekking hebben op deze zaken, waaronder ( ..... )". Het moet er derhalve voor gehouden worden dat daaronder mede begrepen is het proces-verbaal nr. 0100 dd. 29 januari 1986 van de Gemeentepolitie te Middelburg, óók voor zover daarin gerelateerde verklaringen niet (als bewijsmiddel) zijn weergegeven in het proces-verbaal van de terechtzitting. Welnu, uit dat ambtsedig proces-verbaal valt op te maken dat verzoeker relaties aanknoopte met de benadeelden, bij hen introk en vervolgens toegang kreeg tot de (later vervalste) bescheiden. Dat verzoeker aldus heeft misbruik gemaakt van het in hem gestelde vertrouwen lijkt mij - eufemistisch gezegd - een gevolgtrekking die de politierechter heeft kunnen maken. Ad b: Ik meen dat het middel uitgaat van een onjuiste lezing van de strafmotivering; het middel leest daarin nl. dat verzoeker ook ten tijde van zijn berechting niet geraakt werd door het inzicht in de laakbaarheid van zijn handelen. In die lezing zou de strafmotivering inderdaad, zoals het middel stelt, onbegrijpelijk zijn. De strafmotivering moet kennelijk aldus gelezen worden dat verzoeker ten tijde van de bewezenverklaarde handelingen niet geraakt werd door etc. In dat geval - en mij dunkt dat dit de meest reële lezing is - is van onbegrijpelijkheid geen sprake. Het eerste middel gedeeltelijk gegrond achtend, concludeer ik tot vernietiging van het bestreden arrest en verwijzing van de zaak naar een aangrenzend hof. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.