PB Nr. 13.612 Zitting 26 mei 1989 Mr. Biegman-Hartogh Conclusie inzake: DE STAAT tegen [verweerder] Edelhoogachtbaar College,
- In HR 7-4-1989, rolnr. 13512, RvdW 1989, 102 was aan de orde de vraag of, naast de in de artt. 89 e.v. WvSv. gegeven mogelijkheid om schadevergoeding te vragen wegens ondergane voorlopige hechtenis, nog plaats is voor het instellen van een vordering te dier zake op grond van het in art. 1401 BW e.v. bepaalde of dat de benadeelde in laatstgenoemde vordering niet ontvankelijk zou zijn. Uw Raad besliste dat de genoemde bepalingen van het Wetboek van Strafvordering niet aan het vorderen van een voorziening op de voet van art. 1401 BW in de weg staan. Thans wordt eenzelfde vraag gesteld t.a.v. art 42 lid 2 Vreemdelingenwet: was verweerder in cassatie [verweerder] ontvankelijk in zijn op art. 1401 BW gegronde vordering tegen de Staat, hoewel hij - tevergeefs - de weg van het in de Vreemdelingenwet bepaalde had gevolgd? 2.1 Voor de feiten van dit geval moge ik verwijzen naar r.o. 6 van het thans bestreden vonnis van de rechtbank dd. 2-9-
- De kantonrechter had [verweerder] in zijn op art. 1401 BW gegronde vordering niet ontvankelijk verklaard, omdat [verweerder] reeds op grond van art. 42 lid 2 Vw. een schadevergoedingsactie had ingesteld; dat hij in dit verzoek niet ontvankelijk was verklaard, deed daaraan naar het oordeel van de kantonrechter niet af, zie r.o. 2 van het vonnis van de rechtbank. 2.2 De rechtbank heeft [verweerder] wel ontvankelijk geoordeeld in zijn op art. 1401 BW e.v. gegronde vordering, aangezien zij de door art. 42 lid 2 Vw. geboden rechtsgang niet met voldoende waarborgen omkleed achtte, gelet op de uiterst korte termijn van indiening van het verzoek en op het ontbreken van een regeling van de procesgang (zie r.o. 4). 2.3 Vervolgens heeft de rechtbank onderzocht of er sprake was geweest van een onrechtmatige daad van de Staat; zij kwam tot het oordeel dat de staat onrechtmatig had gehandeld, en zij heeft dus de vordering van [verweerder] toegewezen. 3.1 Het cassatiemiddel van de Staat is uitsluitend gericht tegen het oordeel van de rechtbank omtrent de ontvankelijkheid van de vordering van [verweerder] (zie boven sub 2.2); uitdrukkelijk wordt vermeld dat het middel zich niet keert tegen het oordeel van de rechtbank over de onrechtmatigheid (zie de schriftelijke toelichting p. 2/3). 3.2 In onderdeel 1 wordt betoogd dat de regeling van art. 42 lid 2 Vw., anders dan de rechtbank oordeelde, wèl voldoende waarborgen biedt om aan een op art. 1401 BW gegronde vordering in de weg te staan, en in onderdeel 2, dat de rechtbank bij haar oordeel over de vraag of de regeling van de Vreemdelingenwet moet worden aangemerkt als een bijzondere ten opzichte van de algemene van art. 1401 BW, een onjuiste maatstaf heeft aangelegd. [verweerder] heeft verweer doen voeren. (De dossiers van partijen zijn geen van beide compleet; zo is de beschikking van het hof, waarbij werd bevestigd de beschikking van de rechtbank tot niet-ontvankelijkverklaring van [verweerder] in zijn op art. 42 lid 2 Vw. gegrond verzoek, alleen aanwezig in het dossier van de Staat (prod. bij cvd), maar vindt men een aantal bescheiden m.b.t. de door [verweerder] gevoerde administratiefrechtelijke procedure als producties bij cvd alleen in het dossier van [verweerder]). 4.1 Uit de geschiedenis van de vreemdelingenwet (wet van 13 januari 1965, Stb. 1965, 40) blijkt dat art. 42 lid 2 in het ontwerp is opgenomen nadat in de Tweede Kamer een vraag was gesteld over het toekennen van een schadeloosstelling aan degene die ten onrechte in bewaring blijkt te zijn gesteld; de Minister heeft daarop voorzichtiger formulerend, geantwoord dat hij alsnog zou voorzien in de mogelijkheid om een tegemoetkoming toe te kennen, overeenkomstig de daarvoor geldende bepalingen van het Wetboek van Strafvordering (zie Tweede Kamer, zitting 1963-1964 - 7163 nr. 5, v.v. p. 4 rk. en nr. 6, MvA, p. 11 rk., beide ad art. 40). Uit de kamerstukken van de Wet van 26 juni 1975, Stb. 1975, 341 tot herziening van de bepalingen van het Wetboek van Strafvordering betreffende schadevergoeding wegens voorlopige hechtenis, enz., blijkt dat met het in art. 42 lid 2 Vw. bepaalde hetzelfde is beoogd als met de regeling van art. 89 lid 1 Sv., terwijl de artt. 90, 91 en 93 Sv. van overeenkomstige toepassing zijn verklaard, zie kamerstukken II, 12132 nr. 3, MvT p. 4 rk. en nr. 6, MvA, p. 5 rk., ad art. 42 Vw. 4.2 Uit dezelfde kamerstukken volgt echter eveneens dat met de regeling van artt. 89 e.v. WvSv. "niet meer is beoogd dan de rechter de mogelijkheid te geven naar billijkheid een vergoeding toe te kennen ter zake van rechtmatige, doch achteraf niettemin onjuist gebleken vrijheidsbeneming", zie r.o. 3.2 van het reeds vermelde arrest HR 7-4-1989 RvdW 102, met gegevens omtrent de wetsgeschiedenis in de conclusie voor dat arrest onder nrs. 4.1 en 4.2, en literatuurgegevens onder nr. 4.
- 4.3 Zie voorts over art. 42 lid 2 Vw. J. Remmelink in de Jonkers-bundel Straffen in gerechtigheid, 1987 p. 183 e.v., i.h.b. p. 192, A.H.J. Swart, De toelating en uitzetting van vreemdelingen, diss. Utrecht 1978, p. 389-392, R.W.L. Loeb, P. van der Beek-Gillessen en A. Beumer, Inleiding vreemdelingenrecht, 1987 par. 5.2.4.5 p. 387 e.v., J.W. Rekers en K.A. Offers, Gids Vreemdelingenwet, C. III.11 en R.C. Stam, NJB 1985 p. 1371/
- 5.1 De regeling van art. 42 lid 2 Vw. bevat derhalve een mogelijkheid van een vergoeding naar billijkheid voor een achteraf onjuist gebleken bewaring, terwijl de regeling van artt. 1401 e.v. BW degene die schade heeft geleden als gevolg van een onrechtmatig overheidshandelen recht geeft op volledige schadevergoeding. 5.2 Daaruit volgt, dunkt mij, dat de in lid 2 van art. 42 Vw. geboden "mogelijkheid" onmogelijk voldoende waarborgen kan bieden ter verwerkelijking van het in art. 1401 BW gegeven recht, zodat onderdeel 1 van het middel faalt. 5.3 Eveneens volgt uit de bovenomschreven aard van elk van beide regelingen dat de vraag, of hier sprake kan zijn van een bijzondere ten opzichte van een algemene regel, ontkennend moet worden beantwoord; daarvoor hebben zij te weinig elementen gemeen. Terecht heeft de rechtbank derhalve, zij het op een andere grond, verworpen de stelling van de staat, dat de regeling van art. 42 lid 2 Vw. zou derogeren aan die van art. 1401 BW. Ook onderdeel 2 van het middel kan dus niet tot cassatie leiden.
- Daar ik het middel ongegrond acht, concludeer ik tot verwerping van het beroep met veroordeling van de staat in de kosten van dit geding. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,