ALB Rek.nr. 7341 Omgangsregeling Parket, 21 november 1988 Mr. Moltmaker Conclusie inzake: [de vader] tegen [de moeder] Edelhoogachtbaar College,
(1971), blz. 276 en de in noot 3 van die blz. door hem vermelde jurisprudentie (HR 2 november 1936, NJ 1937, 546 en 2 juni 1950, NJ 1950, 598) en voorts Van den Dungen, Burgerlijke Rechtsvordering (E. Korthals Altes), art. 426a/426b, aant.
- 2.2.2 Aangezien uit het verzoekschrift voldoende duidelijk blijkt dat vernietiging van 's Hofs beschikking wordt gevraagd (zie de bovenvermelde jurisprudentie) is het verzoekschrift tot cassatie naar mijn mening ook zonder petitum ontvankelijk. 2.2.3 Nog afgezien van het vorenstaande zou een goede procesorde zich er m.i. niet tegen verzetten dat Uw Raad op het nader geformuleerde petitum acht slaat, nu de wederpartij tegen deze aanvulling kennelijk geen bezwaar heeft, vgl. bijv. HR 14 mei 1976, NJ 1976, 550 en HR 24 juni 1977, NJ 1978,
- 2.3 Aanvulling verweerschrift en verzoekschrift. 2.3.1 Voor het indienen van een aanvullend verweerschrift bestond m.i. nauwelijks aanleiding. Het daarin gestelde had ook onmiddellijk in het oorspronkelijke verweerschrift gesteld kunnen worden, omdat het Hof in zijn beschikking uitdrukkelijk melding maakt van het feit dat de kinderen zijn gehoord, en de beschikking zelf geen aanleiding geeft te veronderstellen dat daarbij in het geheel niet over een mogelijke omgangsregeling is gesproken. Aangenomen dat voor aanvulling van een verweerschrift in beginsel dezelfde regels gelden als voor aanvulling van een verzoekschrift, zal derhalve Uw Raad gelet op het vorenstaande op het aanvullende verweerschrift geen acht behoeven te slaan. Zie o.m. HR 19 november 1982, NJ 1983, 100, HR 21 september 1984, NJ 1985, 214 en punt 7 van de conclusie van mijn ambtgenote mevr. Biegman-Hartogh voor die beschikking en HR 18 december 1987, NJ 1988,
- 2.3.2 Overigens behoeft de vraag of Uw Raad op het aanvullende verweerschrift en verzoekschrift acht zal slaan naar het mij voorkomt i.c. geen beantwoording. Indien Uw Raad daarop geen acht slaat kan worden geconstateerd dat onderdeel 2 van het cassatiemiddel feitelijke grondslag mist, gelet op het gestelde in de eerste alinea van het vorige punt (2.3.1). Hetzelfde geldt echter als Uw Raad op de aanvullingen wel acht slaat. De griffier stelt dat de kinderen omtrent een omgangsregeling zijn gehoord. Deze mededeling wordt niet ontkracht door de in punt 1.9 hiervóór bedoelde brief van Mr. De Rechter. Het is toch zeer wel denkbaar dat het Hof in het kader van de beslissing over de voogdij de mening van de kinderen inzake een mogelijke omgangsregeling heeft gevraagd, ook al had de vader op dat moment nog niet een daartoe strekkend verzoek gedaan.
- Onderdeel 1 van het middel. 3.1 Gelet op de formulering van rov. 9, geciteerd in punt 1.5, is 's Hofs oordeel er naar mijn mening niet op gebaseerd dat [kind 2] ook zonder een omgangsregeling zijn vader wel (regelmatig) zal bezoeken. Het Hof laat het aan hemzelf over of en wanneer hij zijn vader zal wensen te bezoeken. Onderdeel 1 van het middel mist derhalve in zoverre (zie punt 1.6 sub b hiervóór) feitelijke grondslag. 3.2 Eén van de redenen voor de rechter om het treffen van een omgangsregeling achterwege te laten kan zijn, dat er in feite een voor alle partijen bevredigende omgangsregeling functioneert, zie bijv. HR 1 juli 1983, RvdW 1983, 135, 24 februari 1984, RvdW 1984, 61, 20 maart 1987, nr. 7159 (niet gepubliceerd). Dat zulks i.c. het geval is of — naar redelijkerwijs mag worden verwacht — in de toekomst het geval zal zijn heeft het hof echter niet vastgesteld (zie het vorige punt). 3.3 Een omgangsregeling kan ook door de rechter worden geweigerd, indien het belang van het kind zich daartegen verzet, d.w.z. dat de rechter, het belang van de ouder die omgang vraagt afwegend tegen dat van het kind, aan het belang van het kind prioriteit geeft, zulks op grond van de rechten die niet alleen de ouder maar ook het kind aan art. 8 EVRM ontleent. Vgl. bijv. HR 2 mei 1980, NJ 1980, 537 nt. E.A. Alkema, HR 19 maart 1982, NJ 1982, 559 nt. W.H.H., HR 16 april 1982, NJ 1982, 160, HR 22 februari 1985, NJ 1986, 3 nt. EAAL en EAA, HR 8 augustus 1986, NJ 1987, 37, HR 20 maart 1987, nr. 7122 (niet gepubliceerd), HR 15 april 1988, nr. 7285 (niet gepubliceerd) en HR 11 november 1988, nr.
- Zie over de ontzeggingsgronden ook uitvoerig MvT Tweede Kamer, vergaderjaar 1984–1985, 18.964 (nadere regeling van de omgang in verband met scheiding), nr. 3, blz. 8 e.v. en 15/16, MvA (stuk nr. 6), blz. 14 en 16–22 en over dit wetsontwerp S. Wortmann, FJR 1985, blz. 120 e.v., N.W.E. Koopmann, Echtscheidingsrecht, 5e druk 1986, blz. 99 e.v. en J.E. Doek/R.C. Gisolf, Echtscheiding en omgangsrecht