AP Nr. 13.822 Zitting 16 december 1988 Mr. Mok Conclusie inzake: DE STAAT (Ministeries van Onderwijs en Wetenschappen en van Landbouw en Visserij) tegen
(131)de zin ‘’Het artikel staat niet toe dat de rechter zich begeeft in een beoordeling van het algemene rechtskarakter van een wet’’ weg. Voorts heeft hij miskend dat de zin ‘’Toepassing kan achterwege blijven omdat het betreffende voorschrift strijdig is met een in de wet of in een verdrag geformuleerd algemeen rechtsbeginsel’’, betrekking heeft op de (hierna te behandelen) contra legem-toepassing van algemene rechtsbeginselen bij de beoordeling van beschikkingen. Toetsing van de wet in formele zin van algemene rechtsbeginselen is voorts bepleit door Alkema, maar, naar het mij voorkomt, slechts de lege ferenda. Een meerderheid van de schrijvers meent (evenals, zoals bleek, het gerechtshof in Den Haag, zie noot 27) dat bij de grondwetsherziening van 1983 niet beoogd is toetsing van de wet in formele zin aan algemene rechtsbeginselen mogelijk te maken. Daartoe behoren Van Kreveld, Van der Burg, Van Buuren, J.E.M. Polak en schrijver dezes. 4.2.
- Het arrest-landbouwvliegers. In het eerder genoemde (zie noot 26) arrest inzake de landbouwvliegers heeft de Hoge Raad overwogen: ‘’6.
- Het tweede onderdeel stelt de vraag aan de orde of naar Nederlands recht algemeen verbindende voorschriften (wetten in materiële zin) door de rechter kunnen worden getoetst aan algemene rechtsbeginselen. Het hof heeft deze vraag, voor wat betreft voorschriften als de onderhavige, bevestigend beantwoord. Dit antwoord — voor zover in de onderhavige zaak van belang — is in zoverre juist dat geen rechtsregel eraan in de weg staat dat de rechter een zodanig, niet door de formele wetgever gegeven voorschrift onverbindend en in verband daarmee de vaststelling en uitvoering daarvan onrechtmatig kan oordelen op de grond dat sprake is van willekeur (….)’’. Waar het hier om gaat zijn de woorden: ‘’niet door de formele wetgever gegeven’’. Van Buuren (t.a.p.) heeft verdedigd dat deze woorden een beperking vormen die ‘’een substantiële betekenis heeft en niet een beperking is die de Hoge Raad in een volgend arrest zou moeten laten vallen’’. Daarmee ben ik het eens. Ik lees de geciteerde woorden als een opzettelijk obiter dictum met een signaal-functie. Het is juist dat het in de zaak-landbouwvliegers niet ging om een wet in formele zin, maar om een ministeriële regeling. Ik veronderstel echter dat de Hoge Raad, indien hij zich alleen had willen beperken tot het gegeven geval, woorden als ‘’een voorschrift als het onderhavige’’ had gebruikt en niet uitdrukkelijk gewag had gemaakt van een door de formele wetgever gegeven voorschrift. In deze opvatting is de vraag of de rechter een wet in formele zin mag toetsen aan een (ongeschreven) algemeen rechtsbeginsel al door de Hoge Raad beslist, zodat de beslissing in het bestreden vonnis terzake juist is. 4.2.
- Contra legem-toepassing van algemene rechtsbeginselen. Namens verweerders is erop gewezen dat de rechter, m.n. de Hoge Raad, de wet in formele zin al eerder heeft getoetst aan algemene rechtsbeginselen. Daarbij is gewag gemaakt van de zgn. doorbraak-arresten van de derde kamer uit 1978 en op het arrest-Arucar van de civiele kamer uit
- Hier is m.i. sprake van een misverstand. In de doorbraak-arresten is het volgende overwogen: ‘’dat immers onder omstandigheden strikte toepassing van de wet, waaruit de belastingschuld rechtstreeks voortvloeit, in die mate in strijd kan komen met een of meer beginselen van behoorlijk bestuur, dat die toepassing achterwege dient te blijven; dat in het algemeen de vraag onder welke omstandigheden dit laatste zich voordoet van geval tot geval moet worden beantwoord door afweging van het beginsel dat de wet moet worden toegepast tegen een of meer in aanmerking komende beginselen van behoorlijk bestuur; dat het een beginsel van behoorlijk bestuur is dat de administratieve verwachtingen, welke zij bij een belanghebbende ten aanzien van een door haar te volgen gedragslijn heeft opgewekt en waarop deze zich in redelijkheid tegenover haar mag beroepen, honoreert.’’ Het gaat hier om toetsing van beschikkingen die in overeenstemming zijn met de wet maar in strijd met door het bestuur opgewekte verwachtingen. Er zijn twee belangrijke verschillen met een situatie, als die welke zich in de onderhavige zaak voordoet. In de eerste plaats is er geen sprake van toetsing van de wet. Waar het om gaat is dat het bestuur het vertrouwen heeft gewekt dat een burger gunstiger zou worden behandeld dan uit de wet voortvloeit. In de tweede plaats gaat het om vertrouwen dat het bestuur, dat voor de beoordeelde beschikking verantwoordelijk is (dat kan in belastingzaken de inspecteur zijn, maar ook de bewindsman), zelf heeft gewekt. Er is nooit beslist dat ook door de wetgever gewekt vertrouwen van belang kan zijn en met name niet dat de burger bij verandering van wetgeving aan de vroegere (voor hem gunstiger) wet in rechte vertrouwen kan ontlenen. Men mag aannemen dat de eerder weergegeven passages uit de parlementaire geschiedenis van de grondwetsherziening van 1983 (geschreven in 1980, enkele jaren na de doorbraak-arresten), waarin gesteld wordt dat de rechter in een hem voorgelegd geval kan beslissen dat een wettelijk voorschrift achterwege moet blijven omdat toepassing in strijd zou zijn met (om.) een algemeen rechtsbeginsel, op de doorbraak-arresten zijn geïnspireerd. De beslissing in het civiele arrest-Arucar sluit hier precies bij aan. Uit de noot van Scheltema (p. 3069 sub 6) onder dit arrest citeer ik nog: ‘’De erkenning van de (echte) contra legem-toepassing van de beginselen van behoorlijk bestuur vermindert de behoefte aan een toetsing van de regelgeving zelf aan het ongeschreven recht.’’ 4.
- Grondwet en algemene rechtsbeginselen. Naar mijn mening moet art. 120 Gw. zo worden verstaan dat het de rechter niet alleen niet is toegestaan wetten in formele zin aan de Grondwet te toetsen, doch dat hij evenmin het recht heeft tot toetsing aan algemene rechtsbeginselen. Die opvatting lijkt door de Hoge Raad in het arrest-landbouwvliegers ook te zijn aangehangen. Dit vindt ook steun in de parlementaire geschiedenis van de Grondwet van
- Bovendien zou niet aannemelijk zijn ‘’dat de rechter de wet aan algemene rechtsbeginselen mag toetsen, op voorwaarde dat deze niet in de Grondwet zijn opgenomen.’’ Nu zou men de tegenwerping kunnen maken dat algemene rechtsbeginselen in de hiërarchie van rechtsregels van hoger orde zijn dan de Grondwet. Lagere regels dan die beginselen zouden daarom aan de beginselen moeten worden getoetst, waarbij niet van belang is wat een van die lagere regels (de Grondwet) over toetsing zegt. Zoals Koopmans signaleerde: ‘’Er is, veel sterker dan vroeger, het gevoel ontstaan dat juristen, ook als zij deel uitmaken van de overheidsorganisatie, er niet alleen maar zijn om zich met wettelijke voorschriften bezig te houden; zij beschikken, uit kracht van hun professionele tradities, over meer dan dat, vooral over rechtsbeginselen en zelfs over een zeker idee van recht waar zij, door de aard van die traditie, aan vast moeten houden. We houden ons minder bezig met 'Law in a changing society' en meer met 'taking rights seriously' (.…)’’. Dat alles mag waar zijn, maar er zijn toch grenzen. Absolute voorrang van algemene rechtsbeginselen, ook al zijn deze ongeschreven, brengt ons terug naar het natuurrecht. Zo'n ontwikkeling moet naar mijn mening afgewezen worden. Zij is in strijd met eisen van rechtszekerheid (i.v.m. de onderhavige zaak een pikant gegeven) en in strijd met het democratisch beginsel. In strijd met eisen van rechtszekerheid acht ik zo'n ontwikkeling omdat ongeschreven rechtsbeginselen moeilijker grijpbaar en moeilijker zichtbaar zijn dan positief recht, maar zich juist gemakkelijker lenen tot rechterlijke interpretatie en adaptatie. Hebben zulke regels een absolute gelding en een absolute voorrang, dan weten de rechtsgenoten nooit helemaal waar zij aan toe zijn. Strijd met het democratisch beginsel acht ik aanwezig omdat in het geschetste systeem de benoemde rechter het laatste woord heeft en niet de wetgever. Bij toetsing van de wet aan de Grondwet behoudt de wetgever, in zijn gedaante van grondwetgever, de mogelijkheid zo nodig de Grondwet te wijzigen, om op deze wijze door de rechterlijke macht uitgezette lijnen terug te buigen. Bij toetsing aan algemene rechtsbeginselen, met als legitimatie die beginselen zelf, zou deze mogelijkheid afwezig zijn. In dit verband wijs ik ook nog op de opvatting van Van Buuren, die zegt dat rechtsbeginselen geen absolute betekenis hebben en dat bij hun toepassing en implementatie een afweging van maatschappelijke belangen moet worden gemaakt. Tot die afweging is de wetgever vanuit zijn positie beter gelegitimeerd dan de rechter vanuit diens positie. 4.
- Slotsom. Uit het bovenstaande volgt dat naar mijn mening het (voorwaardelijk) incidentele middel, dat in zijn beide onderdelen van een andere dan de hier verdedigde opvatting uitgaat, ongegrond is.
- Statuut van het Koninkrijk. 5.
- Inleiding. Afwijzing van het incidentele middel, zoals hierboven voorgesteld, brengt mee dat de beslissing van de president, inhoudende dat de Harmonisatiewet, althans voor zover deze studenten die aan een tweede studie waren begonnen in een slechtere positie brengt dan waarop zij mochten rekenen bij de aanvang van hun studie, in strijd is met het in het Statuut neergelegde rechtszekerheidsbeginsel, en derhalve buiten toepassing moet blijven, aan de hand van het daartegen gerichte principaal voorgestelde middel moet worden onderzocht. Toetsing aan het Statuut van wetten van een van de rijksdelen had in de ongeveer 34 jaar dat het Statuut van kracht is, nog niet eerder plaatsgevonden. Men mag hier wel spreken van een trouvaille, een trouvaille bovendien die in elk geval effectief is gebleken om het beoogde doel te bereiken, ongeacht de uitkomst van dit cassatieberoep. Het spreekt vanzelf dat de president van de rechtbank hier in een heel andere positie verkeert dan de Hoge Raad. De president weet nog twee rechterlijke instanties boven zich (waaraan niet afdoet dat een daarvan i.c. is overgeslagen) en kan daarom gemakkelijker een proefballon oplaten. Dat laatste geldt te sterker indien verwacht mag worden dat het oplaten van zo'n ballon een stuk maatschappelijke onrust kan wegnemen. De positie van de Hoge Raad is daarom een heel andere, omdat zijn beslissing (hoewel het Nederlandse recht formeel het precedentstelsel niet kent) een sterke precedentwerking zal hebben. Zou de Hoge Raad beslissen in dezelfde zin als in het bestreden vonnis is geschied, dan zou een voor Nederland ongekende mogelijkheid van toetsing van wetten in formele zin zijn geopend. Een uitspraak van deze aard zou in zeer veel sterkere mate dan de eerder genoemde fiscale arresten uit 1978 aanspraak maken op het predikaat ‘’doorbraak-arrest’’. Daarbij is nog te bedenken dat weliswaar ingrijpen van de (Rijks)wetgever door wijziging van het Statuut niet uitgesloten zou zijn, maar in de praktijk niet zeer waarschijnlijk. Na het bekend worden van het bestreden vonnis heeft zich daarover een uitvoerige discussie ontwikkeld. Deze heeft zich ten dele in de dagbladpers afgespeeld, ten dele ook in de juridische vakpers. De ‘’sub iudice’’-regel is wel definitief ten grave gedragen, met alle voor- en nadelen van dien. Op de achtergrond van de discussie heeft duidelijk meegespeeld of de deelnemers daaraan voor- of tegenstanders van het bestaande toetsingsverbod van de wet in formele zin zijn, terwijl ook elementen van waardering van de Harmonisatiewet waarschijnlijk een rol hebben gespeeld. Het lijkt mij daarom beter aan deze discussie voorbij te gaan. Ik volsta met het vermelden van enkele vindplaatsen. 5.
- Totstandkoming. Het Statuut, te beschouwen als een partiele dekolonisatieregeling voor Suriname en de Nederlandse Antillen, is afgekondigd bij proclamatie van 29 december 1954 (Stb. 1954, 596). Het is later enige malen gewijzigd, o.m. in samenhang met de onafhankelijkheid van Suriname in 1975 en met de verkrijging van een zelfstandige status binnen het Koninkrijk door Aruba in
- 5.
- Strekking. De strekking van het Statuut blijkt uit de preambule. De drie rijksdelen, thans Nederland, de Nederlandse Antillen en Aruba, hebben een nieuwe rechtsorde aanvaard, ‘’waarin zij de eigen belangen zelfstandig behartigen en op voet van gelijkwaardigheid de gemeenschappelijke belangen verzorgen en wederkerig bijstand verlenen’’. Gemeenschappelijke belangen worden aangeduid als aangelegenheden van het Koninkrijk. Deze zijn, niet uitputtend, genoemd in art. 3, lid 1, van het Statuut. Ten aanzien van Aruba zal (art. 62, lid 1) de in het Statuut neergelegde rechtsorde met ingang van 1 januari 1996 eindigen. Volgens art. 5, lid 2, van het Statuut neemt de Grondwet de bepalingen van het Statuut in acht. Volgens art. 48 nemen de landen bij hun wetgeving en bestuur de bepalingen van het Statuut in acht. Eerstgenoemde bepaling is te beschouwen als een instructie aan de grondwetgever. Er staat geen sanctie op. De tweede bepaling is een instructie aan de wetgever en het bestuur van elk van de drie landen. Daar staat in zoverre wel een sanctie op dat volgens art. 50, lid 1, wetgevende en bestuurlijke maatregelen van de Nederlandse Antillen en Aruba, die in strijd zijn met het Statuut (en ook met een rijkswet of algemene maatregel van rijksbestuur) door de Kroon kunnen worden geschorst en vernietigd. 5.
- Rechterlijke toetsing wetgeving rijksdelen. 5.4.
- Grondslag. In het bestreden vonnis heeft de president van de Haagse rechtbank overwogen dat het Statuut zich niet over het toetsingsrecht uitlaat. Dat geldt zijns inziens ook voor het al genoemde art. 48, evenals voor art. 49, dat luidt: ‘’Bij Rijkswet kunnen regels worden gesteld omtrent de verbindendheid van wetgevende maatregelen, die in strijd zijn met het Statuut, een internationale regeling, een Rijkswet of een algemene maatregel van Rijksbestuur.’’ Ondanks het feit dat zo'n rijkswet niet tot stand is gekomen heeft de president uit dit art. 49, vooral ook in het licht van zijn totstandkomingsgeschiedenis, afgeleid dat de rechter het recht heeft wetten (in formele zin) van elk van de rijksdelen aan het Statuut te toetsen. Ook bij toetsing aan het Statuut doen zich de vragen voor: a. wie toetst? b. wat wordt getoetst? c. waaraan wordt getoetst? Ad a. Deze vraag zou ik als volgt willen beantwoorden: alle met rechtspraak belaste organen in een van de rijksdelen, zowel behorend tot de gewone rechterlijke macht als tot de administratiefrechtelijke macht. Wanneer een vraag van toetsing in het kader van burgerlijke of strafrechtspraak in een van de drie huidige rijksdelen aan de orde komt, kan de toetsing in laatste instantie altijd worden onderworpen aan het oordeel van de Hoge Raad; zo nodig (als geen gewone cassatie openstaat), bijv. ingevolge art. 100 Wet RO, d.m.v. cassatie in het belang van de wet. De vraag of behalve rechterlijke organen ook bestuurlijke organen, buiten het geval van art. 50, lid 1, tot toetsing gerechtigd zouden zijn, laat ik buiten beschouwing, omdat deze vraag voor de onderhavige zaak niet van belang is. Ad b. De vraag wat getoetst zou kunnen worden, is m.i. niet los te zien van de strekking van het Statuut, die hierboven, aan de hand van de preambule, is weergegeven. Ik zou deze vraag als volgt willen beantwoorden. Voor zover wettelijke voorschriften van een van de landen aan het Statuut getoetst kunnen worden, geldt dit alleen voor zulke voorschriften, die betrekking hebben op gemeenschappelijke belangen. Een andere afbakening zou in strijd zijn met het door het Statuut beoogde interne zelfstandigheid van elk van de rijksdelen. Ad c. De vraag waaraan eventueel getoetst kan worden, zou ik willen beantwoorden naar analogie van art. 94 Gw.: aan een ieder verbindende bepalingen van het Statuut (en mogelijk ook, maar daar gaat het hier niet om, rijkswetten en algemene maatregelen van Rijksbestuur). Men zou ook kunnen zeggen dat wettelijke voorschriften van een van de rijksdelen alleen getoetst kunnen worden aan zulke bepalingen in het Statuut die een waarborgsom inhouden of, liever nog, aan bepalingen waaraan de burgers rechten kunnen ontlenen. Naar mijn mening komen die bepalingen in het Statuut die kennelijk alleen zijn gericht tot de wetgevende of bestuurlijke overheid van elk van de rijksdelen niet als toetsingsnorm in aanmerking. Hierop heeft onderdeel 2 van het principale middel betrekking. Aangezien in het bestreden vonnis is getoetst aan art. 43 van het Statuut, zal de strekking daarvan nader moeten worden onderzocht. 5.4.
- Statuutsbepalingen. 5.4.2.
- Art.
- Over dit artikel is in de Toelichting op het Statuut het volgende meegedeeld: ‘’Het toetsingsrecht van de rechter ten aanzien van wettelijke maatregelen in de landen aan de regels van Rijksrecht is een aangelegenheid met verschillende facetten. Het lijkt niet raadzaam hieromtrent in het Statuut zelf te voorzien. De praktijk zal moeten leren welke voorziening of voorzieningen het meest aanbevelenswaardig zijn. Dit artikel opent de mogelijkheid, dat de Rijkswet ten aanzien van dit onderwerp regels geeft. Gedeeltelijk is thans reeds in dit onderwerp voorzien in de Grondwet, te weten voor zover het internationale regelingen betreft. Deze bepaling van de Grondwet geldt voor het gehele Koninkrijk.’’ In het voorlopig verslag van de Tweede Kamer werd de vraag gesteld: ‘’Heeft de rechter toetsingsrecht ten aanzien van wettelijke maatregelen, die in strijd zijn met het Statuut, een internationale regeling, een Rijkswet of een algemene maatregel van Rijksbestuur? De leden, hier aan het woord, waren geneigd deze vraag bevestigend te beantwoorden. De rechter heeft volgens de Grondwet, zoals deze thans luidt, immers het toetsingsrecht, behalve wanneer dit uitdrukkelijk is verboden.’’ Op deze vraag antwoordde minister Kernkamp van Overzeese Rijksdelen in de memorie van antwoord: ‘’De vraag omtrent het toetsingsrecht wordt bevestigend beantwoord.’’ Bij de mondelinge behandeling in de Tweede Kamer vroeg de heer Lemaire: ‘’(.…) art.
- Deze bepaling heeft betrekking op wetgevende maatregelen in strijd met het Statuut, een internationale regeling, een Rijkswet of een algemene maatregel van Rijksbestuur. Die strijdige maatregelen zijn — zo is duidelijk — krachteloos. Op een vraag, welke ik in het Voorlopig Verslag deed opnemen, antwoordt de Regering, dat zij door de rechter kunnen worden weggetoetst. Waarom rept dan art. 49 over te stellen regels — ik citeer — ‘’omtrent de onverbindendheid’’ van die toetsbare, gebrekkige wetsprodukten? Ziehier een duister punt (…)’’. Minister Kernkamp antwoordde: ‘’De geachte afgevaardigde heeft voorts gevraagd, waarom in art. 49 van het Statuut gesproken wordt van verbindendheid van wetgevende maatregelen, die in strijd zijn met het Statuut, een internationale regeling, een Rijkswet of algemene maatregel van Rijksbestuur. Wellicht ware het verkieslijker geweest te spreken van ‘’al of niet verbindendheid’’. De gekozen redactie zal echter geen misverstand veroorzaken.’’ Even later voegde de minister daaraan nog toe: ‘’Men vergete bovendien niet, dat het Statuut een beperkte strekking heeft. Het hoofddoel is regeling van de onderlinge verhouding in het Koninkrijk. Het komt slechts op het terrein van de staatsinrichting van de landen door enkele hoofdbeginselen vast te leggen; overigens worden de landen in de regeling van hun eigen aangelegenheden zoveel mogelijk vrij gelaten.’’ Art. 49 en hetgeen daarover tijdens de parlementaire behandeling is opgemerkt hebben destijds al aanleiding gegeven tot nogal wat commentaar en discussie. Hierop kom ik in nr. 5.4.
- terug. 5.4.2.
- Art.
- Over art. 43 zei de Toelichting op het Statuut (p. 15 r.k.; S & J 1–I, p. 280): ‘’De zorg voor de verwezenlijking in de landen van de fundamentele menselijke rechten en vrijheden, de rechtszekerheid en de deugdelijkheid van het bestuur is een taak van de landen. Het is echter in het belang van het Koninkrijk, dat deze taak inderdaad wordt vervuld. Het Koninkrijk moet de daarvoor geëigende maatregelen kunnen nemen, indien in een land deze rechten en vrijheden, deze rechtszekerheid en dit behoorlijk bestuur niet bestaan. Uiteraard moet bij de beoordeling van de deugdelijkheid van het bestuur volledig rekening worden gehouden met de middelen, waarover het land beschikt. Het spreekt voorts vanzelf, dat niet het te kort schieten van enig landsorgaan alleen zulk een maatregel kan medebrengen. Slechts wanneer in het land zelf geen redres van een ontoelaatbare toestand mogelijk zou blijken te zijn, kan het nemen van een maatregel in overweging komen. Een uitputtende opsomming van de maatregelen, die in aanmerking kunnen komen is niet te geven. De wijze, waarop moet worden gereageerd, hangt af van de omstandigheden. Slechts kan als algemeen beginsel worden gesteld, dat ingrijpen niet verder mag gaan dan de omstandigheden strikt noodzakelijk maken. Voorts dient, zoals reeds opgemerkt, het ingrijpen steeds gericht te zijn op zo spoedig mogelijk herstel van de normale toestand. De Landsregelingen zelf zijn voor het Koninkrijk onaantastbaar. (…)’’ De betekenis van het begrip rechtszekerheid in art. 43 Statuut komt hieronder in nr. 6.2 ter sprake. Op te merken is overigens dat art. 43 de welhaast klassieke formulering heeft van een niet rechtstreeks werkende bepaling (‘’Elk der landen draagt zorg ...’’)48a. 5.4.
- Literatuur. In een kort na de totstandkoming van het Statuut beschreven beschouwing schreef A.J. Haakman dat de rechter zowel de Grondwet als andere wetgevende maatregelen aan het Statuut zal moeten toetsen, n'en déplaise art.
- Hij baseerde zich daarbij op art. 5 van het Statuut. Een eerste kritische beschouwing verscheen kort daarop van de hand van Van der Hoeven. Hij verbaasde zich over de laconieke wijze waarop het onderwerp toetsing bij de voorbereiding van het Statuut was besproken. Hij noemde de algemene regel van het toenmalige art. 131, lid 2, Gw (thans 120 Gw) een grondbeginsel van ons staatsrecht, waarop eerst kort tevoren t.g.v. de aanvaarding van het amendement-Serrarens op behoedzame wijze een uitzondering was gemaakt. Het plotseling invoeren van het toetsingsrecht van de rechter en wellicht ook van de administratie van de wet in formele zin aan o.m. het Statuut leek hem onaanvaardbaar. Kort daarop kwam Van den Bergh, in krassere bewoordingen, tot eenzelfde conclusie als Van der Hoeven, maar niet geheel op dezelfde gronden. Het door minister Kernkamp aan de Tweede Kamer in de m.v.a. (hierboven geciteerde) antwoord noemde hij een ‘’departementaal ongelukje’’. In een reactie hierop concludeerde Van der Hoeven dat het voor hem hoofdzaak bleef ‘’dat de zeer reële politieke omstandigheid, dat rijkswetgever en Nederlandse (lands)wetgever in wezen samenvallen, voor Nederland ieder toetsingsrecht dient uit te sluiten — natuurlijk onverkort de overige argumenten, die tegen het toetsingsrecht pleiten.’’ De opvatting van Van den Bergh vond bestrijding bij Logemann die overigens een genuanceerd standpunt innam. Hij stelde dat Van den Bergh er aan voorbij had gezien dat het Koninkrijk der Nederlanden in zijn nieuwe vorm geen eenheidsstaat is, maar sterk federale trekken vertoont. Wanneer de Nederlandse wetgever of grondwetgever zich zouden begeven op het gebied van de rijksaangelegenheden, dan zouden zij daarmee de medezeggenschap van de andere partners aantasten. Ook nog in 1955 distantieerde Kranenburg zich van het standpunt van Van den Bergh. Ook hij meende dat ernstige bezwaren tegen het zonder meer invoeren van het toetsingsrecht aan het Statuut, kunnen worden gemaakt. Het stellen van regels bij Rijkswet op grond van art. 49 kon daarom niet achterwege blijven. ‘’Zolang echter deze rijkswet niet tot stand is gekomen zal men niet art. 131 al. 2 bij analogie kunnen toepassen, waar men art. 49 Statuut juist heeft opgenomen, omdat men het systeem van het grondwetsartikel niet vanzelfsprekend vond.’’ In 1957 verscheen de zesde druk van het Handboek van Van der Pot. Deze auteur (p. 114) deelde het standpunt van Van den Bergh, maar niet diens argumentatie. Hij verwees naar art. 5, lid 1, Statuut volgens welk o.m. de wetgevende macht in aangelegenheden van het Koninkrijk, voor zover het Statuut hierin niet voorziet, wordt geregeld in de Grondwet van het Koninkrijk. Daarmee werd, zo meende hij, ook verwezen naar het toenmalige art. 131, lid 2, Gw. Men krijgt overigens de indruk dat Van der Pot zich in het geheel niet kon voorstellen dat binnenlandse wetten van een der rijksdelen, m.n. Nederland, aan het Statuut getoetst zouden kunnen worden. Het eveneens in 1957 verschenen commentaar op het Statuut van Van Helsdingen opende in zoverre nieuwe gezichtspunten, dat de auteur nauw betrokken was geweest bij de totstandkoming van het Statuut. Van Helsdingen deelt o.m. het volgende mee. De Conferentie van 1948 heeft in resolutie IX als haar oordeel uitgesproken dat ter toetsing van (o.m.) landswetten een rijkshof diende te worden ingesteld. In het ‘’Werkstuk’’ van februari 1952 was te lezen: ‘’Bepalingen van enige regeling in een der landen, die in strijd zijn met (…) het Statuut, rijkswetten of algemene maatregelen van rijksbestuur zijn niet verbindend’’. Ter toelichting was opgemerkt dat deze bepaling de rechter de bevoegdheid gaf de daar bedoelde regelingen te toetsen. Ter Conferentie van 1952 had over het toetsingsrecht een moeilijke gedachtenwisseling plaatsgehad. De Nederlandse delegatie was er huiverig voor daartoe strekkende bepalingen op te nemen, maar zekerheid of zij kon worden gemist bestond ook niet. En vervolgens: ‘’Geleidelijk aan won in de Nederlandse delegatie de gedachte veld dat het niet raadzaam zou zijn de gecompliceerde kwestie van het toetsingsrecht in het Statuut zelve reeds tot oplossing te brengen; doch dat het evenmin raadzaam was daarover geheel te zwijgen. Het kwam juister voor in het Statuut de mogelijkheid te openen hieromtrent regels bij rijkswet te stellen (…) Verschil van mening bestond of de mogelijkheid van toetsing van rijkswetten aan het Statuut daarin zou zijn op te nemen. Gezien de afwijking van de Grondwetsbepalingen zou dat niet onbedenkelijk zijn. De Nederlandse delegatie deed tenslotte het voorstel als een afzonderlijk artikel een bepaling ter zake op te nemen met de tekst van het huidige artikel 49.’’ Tijdens het overleg in de ‘’Kleine Commissie’’ is het punt wederom niet grondig doorgepraat. ‘’Het artikel werd als declaratoir gekwalificeerd; een artikel vol voetangels en klemmen.’’ Men meende dat het Nederlandse adagium ‘’de wetten zijn onschendbaar’’ niet kon gelden in geval van strijd met het Statuut. Tenslotte werd met het voorgestelde art. 49 ingestemd. Ter Conferentie van 1954 is de kwestie niet ter sprake gekomen. 5.4.
- Rechtspraak. Door verweerders is bij pleidooi in cassatie het volgende gesteld: ‘’Overigens heeft de belastingkamer van Uw Raad al impliciet beslist dat het rechterlijk toetsingsrecht bestaat. In een arrest uit 1986 was de vraag aan de orde of de Nederlandse Wet dividendbelasting zich verdraagt met een rijkswet: de Belastingregeling voor het Koninkrijk. Hof en Hoge Raad (op dit punt geen ambtshalve cassatie) gaan er van uit dat de belastingplichtige zich kan beroepen op de BRK, ook als de Wet dividendbelasting daarvan afwijkt. Annotator Hoogendoorn gaat uitvoerig op het punt van toetsing in. Als toetsing van een Nederlandse wet aan een rijkswet mogelijk is, moet dat a fortiori gelden voor toetsing aan het Statuut (zie: art. 48 en 49 Statuut).’’ Het gerechtshof in Den Haag had in die zaak overwogen: ‘’dat de Wet Div. B. '65 dient te worden toegepast met inachtneming — zo nodig — van het bepaalde in art. 11 BRK.’’ De Hoge Raad heeft zich hier (in r.o. 4.1) achter gesteld. M.i. is in die zaak van toetsing geen sprake. De BRK is eenvoudig toegepast op een geval waarvoor zij is bedoeld. Men zou ten hoogste kunnen spreken van het (hier) geven van voorrang aan de BRK. De grond van die voorrang blijkt echter noch uit de uitspraak van het hof noch uit het arrest van de Hoge Raad. Er zou ook sprake geweest kunnen zijn van toepassing van het lex-specialis-beginsel. Dat annotator Hoogendoorn iets anders wil betogen kan ik in zijn noot niet lezen. Hij citeert eerst (zonder kritiek) de al genoemde slotsom in het Handboek van Van der Pot/Donner ‘’dat een beroep voor de Nederlandse rechter op het Statuut of rijkswet tegen de bepalingen van Grondwet of wet vooralsnog moet falen’’. Daar voegt hij aan toe: ‘’Kan de figuur van 'lex specialis' als oplossing fungeren? Wij mogen bedenken, dat rechtszekerheid een groter goed is dan rechtsverfijning.’’ 5.4.
- Grondwetsherziening
- Bij de voorbereiding van de totstandkoming van de geldende versie van de Grondwet is de toetsing van (Nederlandse) wetten in formele zin aan het Statuut ter sprake geweest bij de bespreking van de klassieke en sociale grondrechten in eerste lezing in de Eerste Kamer. Het kamerlid Voute (VVD), die namens een minderheid van zijn fractie invoering van het recht van toetsing van wetten in formele zin aan de Grondwet bepleitte, somde toen een aantal gevallen op, waarin zijns inziens reeds toetsingsrecht bestond. Daartoe behoorde toetsing van de wetten aan het Satuut en toetsing van de Grondwet aan het Statuut. In zijn antwoord is regeringscommissaris Simons wel ingegaan op enkele met het Statuut samenhangende problemen (waaronder de betekenis van art. 43 van het Statuut), maar niet op de stellingen van de heer Voute inzake de bestaande toetsingsmogelijkheden. 5.4.
- Beoordeling. 5.4.6.
- Mede in het licht van een eerder geciteerde uitlating van minister Kernkamp bij de parlementaire behandeling van het ontwerp van het Statuut kan art. 49 worden gelezen als: ‘’Bij rijkswet kunnen regels worden gesteld omtrent de al dan niet verbindendheid van wetgevende maatregelen, die in strijd zijn met het Statuut (…)’’. De tekst van dit artikel brengt ons overigens niet veel verder. Men kan het in redelijkheid zo lezen, dat zolang geen rijkswet als daar bedoeld tot stand is gekomen — en zo'n rijkswet is niet tot stand gekomen — wetgevende maatregelen die in strijd zijn met het Statuut desondanks verbindend zijn. Dit laatste geldt dan uiteraard onverminderd art. 50, lid 1, dat echter alleen van toepassing is (voor zover hier van belang) op wetgevende maatregelen van de Nederlandse Antillen en Aruba. De tekst van art. 49 sluit echter ook de tegengestelde opvatting niet uit. Die tegengestelde opvatting zou men in haar meest extreme vorm aldus kunnen formuleren: zolang een rijkswet als bedoeld in art. 49 niet tot stand is gekomen, zijn wetgevende maatregelen die in strijd zijn met het Statuut niet verbindend. Toegespitst op de situatie op dit moment (geen rijkswet als bedoeld in art. 49) en op Nederlandse wetten in formele zin, kan men zowel verdedigen dat de rechter zulke wetten aan het Statuut mag (en moet) toetsen als dit niet het geval is. Argumenten pro toetsing zijn: - het Statuut is van hoger orde dan de Grondwet en verbiedt toetsing niet; - het Statuut (art. 49) gaat zelf van toetsing uit; - bij de totstandkoming van het Statuut is van de mogelijkheid van toetsing uitgegaan (i.h.b. in het fameuze zinnetje in de m.v.a. II). Argumenten contra toetsing zijn: - het Statuut (art. 49) vereist een speciale rijkswet die het toetsingsrecht regelt, alvorens van toetsing sprake kan zijn; - de rechter is zowel aan het Statuut als aan de Grondwet gebonden (mede door de verwijzing in het Statuut naar de Grondwet) en de Grondwet (art. 120) staat aan toetsing in de weg (v.d. Pot en Donner); - de toelichting op art. 50 Statuut wijst in andere richting dan die van rechterlijke toetsing. Overigens merk ik op dat het fameuze zinnetje in de m.v.a. niet per se in strijd is met de opvatting dat (in de huidige situatie) niet getoetst kan worden. Het zou ook kunnen betekenen: de rechter mag toetsen, wanneer de in art. 49 bedoelde rijkswet tot stand is gekomen en binnen de daarin uitgezette grenzen. Indien de Hoge Raad beslist dat in de huidige situatie de wet in formele zin niet door de rechter aan het Statuut getoetst kan worden, is de discussie op dit punt, voor wat de onderhavige procedure betreft, ten einde. Onderdeel 1 van het principale middel slaagt dan. 5.4.6.
- Er is echter ook een tussenweg. Deze houdt in dat de rechter wetten van de rijksdelen, met inbegrip van Nederlandse wetten in formele zin, aan het Statuut mag en in voorkomende gevallen moet toetsen, maar niet onbeperkt. De hierboven, in nr. 5.4.1., gestelde vragen b en c moeten eerst beantwoord worden. De tussenoplossing luidt dan: de rechter kan (en moet) daarvoor in aanmerking komende landswetten aan daarvoor in aanmerking komende Statuutsbepalingen toetsen. Ik ga nu eerst op het laatste punt in. Onverbindendheid heeft immers alleen effect, indien de rechter deze kan vaststellen. Daartoe zal de rechter alleen kunnen komen indien een wettelijke bepaling die voor zijn beslissing van belang is, in strijd is met een Statuutsbepaling waaraan de burgers rechten kunnen ontlenen. Onjuist lijkt mij daarom de opvatting dat de wetgevende maatregelen (van een rijksdeel) die in strijd zijn met enige bepaling van het Statuut zonder meer en altijd onverbindend zijn. Vervolgens komt de vraag aan de orde of elke wetgevende maatregel van een van de rijksdelen, dus m.n. elke Nederlandse wet, die in strijd is met een Statuutsbepaling, waaraan de burgers rechten kunnen ontlenen, onverbindend is, althans onverbindend moet worden verklaard, althans buiten toepassing moet worden gelaten. Ook die vraag zou ik ontkennend willen beantwoorden. Het toetsen van elke landswet aan daarvoor in aanmerking komende Statuutsbepalingen is in strijd met de strekking van het Statuut volgens welke de rijksdelen hun eigen bepalingen zelfstandig behartigen. Bepalingen in Nederlandse wetten komen derhalve alleen voor toetsing in aanmerking voor zover die wetten ‘’gemeenschappelijke belangen verzorgen’’. Ik verwijs naar wat ik hierboven (nr. 5.3.) over de strekking van het Statuut heb gesteld. Deze laatste oplossing, waarbij de toetsing tot ‘’federale’’ belangen wordt beperkt, voorkomt ook het ontstaan van een paradoxale situatie. Sedert 25 november 1975 geldt het Statuut niet meer voor Suriname. Met ingang van 1 januari 1996 zal het Statuut niet meer gelden voor Aruba. Zouden de Nederlandse Antillen, het dan enig overgebleven rijksdeel buiten Europa, op een gegeven moment verkiezen het rijksverband te beëindigen, dan zal, naar men moet aannemen, het Statuut voor het Koninkrijk ophouden te gelden. Dat zou betekenen dat Nederland voor zuiver binnenlandse wetten in formele zin, waarbij geen federale belangen in het geding zijn, een zeker intern (binnen het Koninkrijk geldend) toetsingsrecht kent, zolang het Statuut geldt, maar terug zal keren tot het stelsel van art. 120 Gw. zodra het laatste overzeese rijksdeel de onafhankelijkheid heeft verkozen. Beperkt men de (eventuele) toetsing tot die landswetten die gemeenschappelijke belangen raken, dan doet dit paradoxale effect zich niet voor. Van gemeenschappelijke belangen, zoals hier bedoeld, is immers slechts sprake zolang het Koninkrijksverband tussen Nederland en ten minste een van de rijksdelen overzee bestaat. Daarmee behoeft de vraag beantwoording of de Harmonisatiewet gemeenschappelijke belangen verzorgt. Die vraag zou ik wederom ontkennend willen beantwoorden. Het gaat om het verschuldigde collegegeld voor het volgen van onderwijs aan inrichtingen van hoger onderwijs in Nederland en om de financiering van de studie aan zulke inrichtingen. Dat ook studenten uit de Nederlandse Antillen en Aruba in Nederland zulk onderwijs kunnen volgen, en dan ook voor studiefinanciering in aanmerking komen (reeds omdat zij de Nederlandse nationaliteit bezitten), doet aan het intern-Nederlandse karakter van de betrokken regelingen niet af. 5.4.
- Slotsom. 5.4.7.
- Naar mijn mening is toetsing van wetten in formele zin een zo ingrijpende voorziening dat daartoe welbewust en expliciet besloten moet worden. Bij het nemen van zo'n constitutioneel besluit zou dan voorts de vraag bespreking verdienen of voor de toetsing speciale voorzieningen dienen te worden getroffen, zoals de instelling van een toetsingshof. Van dat laatste is bij de voorbereiding van de totstandkoming van het Statuut ook wel eens sprake geweest, maar men heeft deze kwestie verder laten rusten. Ik meen voorts dat er onvoldoende grond is voor de constatering dat bij de totstandkoming van het Statuut een welbewust en expliciet besluit tot toetsing van wetten aan het Statuut (en eventueel aan rijkswetten etc.) is genomen. Het probleem is onderkend en besproken, maar men krijgt toch de indruk dat men het voor zich uit heeft geschoven, resulterend in de vermelding van een speciale rijkswet in art.
- Naar mijn mening kunnen Nederlandse wetten in formele zin daarom, zolang een rijkswet als bedoeld in art. 49 niet tot stand is gekomen, door de rechter niet aan het Statuut worden getoetst. Dat betekent dat onderdeel 1 van het middel terecht is voorgesteld. 5.4.7.
- Subsidiair ben ik van mening dat, ook al zouden Nederlandse wetten wel aan het Statuut getoetst kunnen worden, dit, gezien de strekking van het Statuut, toch alleen kan gelden voor zodanige wetten die betrekking hebben op gemeenschappelijke belangen van de verschillende delen van het Koninkrijk. De litigieuze Harmonisatiewet is niet een zodanige wet. Een klacht die hierop betrekking heeft is naar het mij voorkomt, in onderdeel 1 van het principale middel, in samenhang met onderdeel 5 daarvan, te lezen. Deze onderdelen slagen derhalve in deze subsidiaire opvatting. 5.4.7.
- Tenslotte meen ik, eveneens subsidiair, dat ook al zouden Nederlandse wetten met inbegrip van wetten in formele zin, aan bepalingen van het Statuut kunnen worden getoetst dit alleen geldt voor die bepalingen van het Statuut, waaraan de burgers rechten kunnen ontlenen. Art. 43 richt zich uitdrukkelijk slechts tot ‘’elk der landen’’. De daarin gegeven opdracht aan elk van die landen zorg te dragen voor (o.m.) de rechtszekerheid, betekent geenszins dat daarmee de rechtszekerheid een rechtstreeks werkende norm is, waaraan landswetten getoetst kunnen worden. Daaruit volgt dat ook onderdeel 2 van het principale middel slaagt.
- Het rechtszekerheidsbeginsel. 6.
- Betekenis in het algemeen. Het rechtszekerheidsbeginsel wordt in Nederland wel genoemd als een van de beginselen van behoorlijk bestuur, die dan weer een verbijzondering zijn van algemene rechtsbeginselen. De inhoud van dit rechtszekerheidsbeginsel en zijn verhouding tot het vertrouwensbeginsel staan echter niet vast. Donner van het beginsel van de rechtszekerheid. Nicolai schrijft dat het inhoudelijk verschil tussen het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel niet duidelijk is. Volgens het rapport ABAR zijn de schrijvers het niet eens over het antwoord op de vraag in hoeverre er een onderscheid moet worden gemaakt tussen het vertrouwensbeginsel en het rechtszekerheidsbeginsel. Bij Van Wijk/Konijnenbelt en Van Male vindt men een indeling, waarbij het rechtszekerheidsbeginsel het vertrouwensbeginsel omvat. Tot het rechtszekerheidsbeginsel behoren dan de eis dat de wetten duidelijk moeten zijn, dat de bestaande regels worden toegepast, dat terugwerkende kracht van besluiten ten nadele van de justitiabelen verbonden is, alsmede de eis (vertrouwensbeginsel) dat burgers mogen vertrouwen op de duurzaamheid van besluiten waarvan zij afhankelijk zijn, op het nakomen van toezeggingen en op het voldoen aan verwachtingen die van overheidswege zijn gewekt. In 't Veld/Koeman menen dat het rechtszekerheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel wel nauw verstrengeld maar toch te onderscheiden zijn. Volgens deze auteurs beoogt het rechtszekerheidsbeginsel de justitiabele duidelijkheid te verschaffen over de vraag waar hij aan toe is. Daarvan is het beginsel dat gerechtvaardigde verwachtingen moeten worden gehonoreerd, te onderscheiden. Ik zou er van uit willen gaan dat het beginsel dat gerechtvaardigde verwachtingen behoren te worden gehonoreerd onderdeel vormt van het rechtszekerheidsbeginsel. Voorts meen ik dat er van kan worden uitgegaan dat de litigieuze bepalingen van de Harmonisatiewet inbreuk maken op door de voorafgaande wetgeving opgewekte (en dus gerechtvaardigde) verwachtingen. Hieruit kunnen echter geen andere conclusies worden getrokken dan dat de wetgever, door de Harmonisatiewet vast te stellen zoals is geschied, in dit opzicht in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel heeft gehandeld. 6.
- Betekenis van het Statuut. Art. 43 van het Statuut berust op en komt voort uit de artt. 207 en 208 van de Grondwet van
- Art. 207 liep vooruit op de totstandbrenging van het Statuut en sprak over het, op de grondslag van de uitkomst van het reeds gepleegde en nog te plegen gemeen overleg met en tussen vertegenwoordigers van de bevolkingen, vestigen van een nieuwe rechtsorde ‘’een en ander onder waarborgen voor de rechtszekerheid, de fundamentele menselijke rechten en vrijheden, en deugdelijk bestuur’’. Art. 208, lid 4, bevatte een dergelijke bepaling voor de Nederlands-Indonesische Unie. Het valt op dat de gebezigde begrippen dezelfde zijn als die, welke voorkomen in art. 43 van het Statuut, zij het in iets andere volgorde. De parlementaire geschiedenis van de grondwetswijziging van 1948 maakt duidelijk dat men bij de redactie van de geciteerde bepalingen van de artt. 207 en 208 hoofdzakelijk (of misschien uitsluitend) gedacht heeft aan het staatsbestel en de staatsinrichting van de overzeese rijksdelen (Suriname en de Nederlandse Antillen) en van Indonesië. In het voorlopig verslag van de Tweede Kamer werd opgemerkt: ‘’het ontwerp is in overwegende mate niet van juridische, maar van politieke aard.’' De regering sprak dit in de memorie van antwoord niet tegen. Overigens lag het accent in de kamerstukken op de situatie in Indonesië en op de vraag in hoeverre Nederland een zekere mate van verantwoordelijkheid diende te behouden voor de rechtsorde en rechtszekerheid in Indonesië. In die zin sprak bijv. het kamerlid Joekes (sr) bij de mondelinge behandeling: ‘’Ik wijs in de eerste plaats op hetgeen voorkomt in art. 207 en daarna nogmaals in art. 208, lid 4, daar waar gesteld is, dat de Unie de rechtszekerheid, de fundamentele menselijke rechten en vrijheden zal waarborgen. Dat acht ik in overeenstemming met de overeenkomst van Linggadjati, ofschoon het woord 'rechtszekerheid' daarin niet is opgenomen, maar deze is zozeer verbonden met de fundamentele menselijke rechten, dat men het daarin begrijpen kan.’’ Het komt mij voor dat een door de raadsman van verweerders in zijn pleidooi geciteerde uitlating van de regering in de memorie van antwoord aan de Tweede Kamer hieraan niet afdoet. Die uitlating was: ‘’Naar de opvatting van de Regering zal een waarborg voor de rechtszekerheid, de fundamentele menselijke rechten en vrijheden, en deugdelijk bestuur allereerst gelegen moeten zijn in de wetgeving, en aldus van de verschillende sferen der rechtsorde zelve en met name van de lagere sferen dier rechtsorde een karakteriserend kenmerk moeten uitmaken.’’ Inmiddels kan men naar mijn mening toch niet met stelligheid concluderen dat het begrip rechtszekerheid, zoals dat is gehanteerd in de Grondwet van 1948 en, in navolging daarvan, in art. 43 van het Statuut, een totaal ander begrip is dan het rechtszekerheidsbeginsel als algemeen rechtsbeginsel (i.h.b. algemeen beginsel van behoorlijk bestuur), zoals dat heden ten dage wordt gehanteerd. Het beginsel volgens welk, enigszins populair maar wel duidelijk uitgedrukt, de burgers moeten weten waar zij aan toe zijn, kan men opvatten als een onderdeel van het veel ruimere begrip, zoals dat in 1948 in de Grondwet en vervolgens in het Statuut is neergelegd. 6.
- Slotsom. Onder ‘’rechtszekerheid’’ in art. 43 van het Statuut heeft men, zo blijkt mede uit samenhang met artt. 207 en 208 van de destijds geldende Grondwet, veel meer bedoeld dan datgene wat men heden ten dage onder het ‘’rechtszekerheidsbeginsel’’ brengt. Het is ook wel mogelijk dat destijds vooral is gedacht aan andere aspecten van rechtszekerheid, dan die welke met het huidige begrip rechtszekerheidsbeginsel worden aangeduid. Dat neemt niet weg dat er onvoldoende aanleiding is om te concluderen dat er sprake is van twee totaal verschillende begrippen, die toevallig met hetzelfde woord worden aangeduid. Ook het beginsel dat gerechtvaardigde verwachtingen die de overheid bij burgers heeft gewekt, dienen te worden gehonoreerd, kan onder ‘’rechtszekerheid’’ in art. 43 worden begrepen. Onderdeel 3 van het principale middel, dat overigens naar zijn aard een subsidiair karakter heeft (het heeft alleen zin als de onderdelen 1 en 2 falen) loopt op het bovenstaande vast.
- Wetgeving en vertrouwensbeginsel. Het uitvoerige vierde onderdeel van het principale middel verdedigt dat, zo de rechter al wetgeving in formele zin mag toetsen aan het rechtzekerheidsbeginsel van art. 43 Statuut, hij dit alleen marginaal mag doen. Daarbij zou hij dan moeten vaststellen dat de wetgever bij afweging van de betrokken belangen in redelijkheid niet tot zijn besluit heeft kunnen komen. De belangen die hier afgewogen moeten worden zijn die van enerzijds bezuiniging, anderzijds het honoreren van gerechtvaardigde verwachtingen. Ook dit onderdeel heeft naar zijn aard een subsidiair karakter. Juist daardoor is een waardering van de grondslag van dit onderdeel bijzonder moeilijk. Het onderdeel keert zich in wezen tegen rechterlijke toetsing van wetgeving in formele zin. Het spreekt wel vanzelf dat de betrokken belangen afgewogen moeten worden. De afweging is in sterke mate van politieke aard en dient daarom door politieke organen te geschieden. De aan het onderdeel ten grondslag liggende gedachte is, naar het mij voorkomt, dat juist daarom de rechterlijke toetsing van die afweging alleen maar marginaal kan zijn. Hier komt men echter in de problemen. Ook marginale toetsing van belangenafweging, als waarom het hier gaat, behoudt een politiek karakter. Wanneer immers de rechter zou beslissen dat rechtszekerheid zo zwaar weegt, dat de wetgever in redelijkheid bezuinigingsbelangen niet zwaarder kan laten wegen, dan betekent dit toch dat politieke organen hun werk moeten overdoen. Er zal immers beslist moeten worden over de financiële consequenties van die beslissing. De vraag lijkt mij dan ook niet zozeer in welke omvang de rechter wetgeving zou moeten toetsen, maar welke rechter met dergelijke toetsing zou moeten worden belast. Zoals hiervoor (nr. 3.4.) al is betoogd, pleegt in staten waar men het rechterlijke toetsingsrecht voor wetten in formele zin kent, daarmee bij de samenstelling van het daarmee belaste rechterlijke college rekening te worden gehouden. In verschillende staten, zoals de BRD en Italië, is daartoe een speciaal constitutioneel hof in het leven geroepen. Heeft men eenmaal een toetsingssysteem met een rechterlijk college dat daartoe is samengesteld (hetgeen in de praktijk zal betekenen dat politieke factoren bij benoemingen een sterke rol spelen), dan is niet zonder meer in te zien waarom de toetsing uitsluitend marginaal zou mogen zijn. Heeft men daarentegen een stelsel dat in beginsel niet op toetsing is gericht, dan stuit zelfs marginale toetsing op bezwaren. Voorts wijs ik erop dat de rechterlijke toetsing van wetten op grond van art. 94 Gw. niet uitsluitend marginaal is. Naar mijn mening kan het vierde onderdeel, dat overigens nauwelijks zelfstandige betekenis heeft, niet tot cassatie leiden.
- ‘’ Onmiskenbaar onverbindend’’. Het vijfde onderdeel van het principale middel verwijt de president niet te zijn ingegaan op de vraag of de omstreden bepalingen van de Harmonisatiewet onmiskenbaar onverbindend zijn. Hier wordt, gezien het feit dat het hier een kort geding betreft, aangehaakt bij een eerder arrest van Uw Raad. Het lijkt mij duidelijk dat de litigieuze bepalingen van de Harmonisatiewet in de opvatting van de president onmiskenbaar onverbindend zijn. Waar het om gaat is of de president de bedoelde bepalingen van de Harmonisatiewet mocht toetsen aan het begrip rechtszekerheid van art. 43 Statuut. Indien men die vraag bevestigend beantwoordt komt het m.i. niet meer aan op het gebruik van de toverformule ‘’onmiskenbaar onverbindend’’. Zoals eerder betoogd ligt de zaak anders, indien men zich op het standpunt stelt dat de rechter weliswaar Nederlandse wetten in formele zin aan het Statuut mag toetsen, doch dat die toetsingsbevoegdheid beperkt is tot wetten die geacht kunnen worden gemeenschappelijke belangen in de zin van het Statuut te behartigen. In die opvatting had de president dienen te overwegen dat de Harmonisatiewet, althans de litigieuze onderdelen daarvan, behoren tot de wettelijke bepalingen die aan het Statuut getoetst mogen worden. Dit had dan tot uitdrukking moeten komen in een overweging waaruit blijkt dat de betrokken wettelijke bepalingen toetsbaar zijn en de toets niet kunnen doorstaan. Dit had bijvoorbeeld onder woorden gebracht kunnen worden met behulp van de genoemde formule uit het arrest-Staat/LSV. Onderdeel 5 van het middel heeft daarmee in zoverre betekenis, dat het in samenhang met onderdeel 1, in de hier veronderstelde beperkte toetsingsmogelijkheid, geacht kan worden zich te richten tegen het feit dat de president zonder meer heeft aangenomen dat de Harmonisatiewet voor toetsing aan het Statuut in aanmerking kwam. Op zichzelf genomen treft onderdeel 5 m.i. echter geen doel.
- Strijd met het gelijkheidsbeginsel en (andere) verdragsbepalingen. 9.
- Algemeen. De raadslieden van verweerder hebben bij hun pleidooi in cassatie een aantal gronden herhaald, die zij in prima hadden aangevoerd ter ondersteuning van de vorderingen. Dit zijn gronden waaraan de president niet is toegekomen, omdat hij de vorderingen reeds toewees op de door hem aanvaarde grond dat de litigieuze bepalingen van de Harmonisatiewet de toetsing aan art. 43 van het Statuut niet konden doorstaan. Indien de Hoge Raad laatstbedoelde beslissing vernietigt, komen de overige in prima ter ondersteuning van de vordering aangevoerde gronden opnieuw aan de orde. Deze zijn naar mijn mening alle van juridische aard en vergen geen nader feitenonderzoek. De Hoge Raad kan daarover in beginsel beslissen. Aanvaarding van een of meer van de hier bedoelde gronden zou ertoe kunnen leiden dat het bestreden vonnis, ondanks doeltreffendheid van het principale middel, in stand gelaten wordt. 9.
- Gelijkheidsbeginsel. Allereerst wordt betoogd dat de litigieuze bepalingen in de Harmonisatiewet in strijd zijn met het gelijkheidsbeginsel, zoals geformuleerd in art. 26 IVBPR (en in art. 1 Gw., maar daaraan mag in geen geval worden getoetst). Naar mijn mening verbiedt art. 26 IVBPR ongelijke behandeling van mensen op grond van bepaalde criteria waardoor mensen zich van elkaar onderscheiden, zoals ‘’ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst en overtuiging’’. Verweerders doelen echter op een ongelijke behandeling van andere aard, namelijk ongelijke behandeling in de tijd. Zij hebben er op doen wijzen dat bij enige vorige gevallen van wijziging in de wetgeving wel zodanige overgangsbepalingen zijn gemaakt, dat gerechtvaardigde verwachtingen zijn gehonoreerd. Bij de Harmonisatiewet is dat niet (in volle omvang) geschied. Op een dergelijke vorm van ongelijke behandeling ziet art. 26 m.i. niet. Hier gaat het niet om ongelijke behandeling van mensen op grond van bepaalde kenmerken of eigenschappen. Sterker nog: het is heel goed mogelijk dat het (ten dele) om dezelfde studenten gaat, die in 1986 bij de invoering van de 6-jaren regel in het HBO door een overgangsbepaling zijn ontzien en in 1987 bij de Harmonisatiewet niet. Er is derhalve geen sprake van discriminatie in de zin van art. 26 IVBPR. 9.
- Willekeur. Tevens wordt geklaagd over willekeur. Niet wordt echter aangegeven dat in enige verdragsbepaling in de zin van art. 94 Gw. een verbod van willekeur is te lezen. De klacht over willekeur kan derhalve alleen betekenen dat de Harmonisatiewet in strijd zou zijn met een (ongeschreven) algemeen rechtsbeginsel dat een verbod van willekeur inhoudt, dan wel dat in het Statuut een verbod van willekeur moet worden gelezen. In de eerste veronderstelling is er samenval met de materie die in het incidentele middel aan de orde is gesteld, in de tweede veronderstelling met de materie die in het principale middel aan de orde is gesteld. De klacht over willekeur komt hier derhalve geen zelfstandige betekenis toe. 9.
- E.V.R.M. De volgende stelling luidt dat indien de rechter de wet in formele zin niet mag toetsen aan de Grondwet of algemene rechtsbeginselen, tekort wordt gedaan aan het recht op toegang tot de rechter van art. 6, lid 1, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens. Zoals de klacht in cassatie is voorgedragen mag men er in lezen dat naar de mening van verweerders geen strijd met art. 6, lid 1, EVRM zou bestaan, indien in Nederland de wet in formele zin aan algemene rechtsbeginselen getoetst zou mogen worden. De beweerde strijd met dit art. 6, lid 1, is derhalve een sequeel van een eventueel verbod van toetsing aan algemene rechtsbeginselen en een argument om de wet in formele zin wel aan algemene rechtsbeginselen te kunnen toetsen. Dat betekent dat er een sterke samenhang bestaat tussen de hier besproken klacht en het incidentele middel. Evenwel maakt het incidentele middel geen gewag van strijd met het grondwettelijk systeem (art. 120 Gw. indien dit ook betrekking heeft op algemene rechtsbeginselen) met art. 6, lid 1, EVRM. Onder die omstandigheden acht ik het in strijd met een goede procesgang deze kwestie bij pleidooi in cassatie (opnieuw) aan de orde te stellen. Gezien de samenhang met de inhoud van het incidentele middel en gezien het feit dat het incidentele middel geen gewag maakt van eventuele strijd met art. 6, lid 1, EVRM, mocht de Staat verwachten dat verweerders op dit punt niet meer terug zouden komen. Voor het overige meen ik dat de hier bedoelde klacht ook inhoudelijk niet doeltreffend is. Zowel tegen beslissingen inzake studiefinanciering, met inbegrip van verdere weigering van zulke financiering, als tegen beslissingen inzake inschrijving aan een instelling (waarvan de hoogte van het collegegeld afhangt) staat beroep open bij de in de desbetreffende wetten voorziene beroepscolleges. Voor wat de studiefinanciering betreft is dat het College van beroep studiefinanciering. Er is niet gesteld en er is op het eerste gezicht ook geen reden om aan te nemen dat een van deze colleges niet voldoet aan het criterium ‘’een onafhankelijke en onpartijdige rechterlijke instantie’’ van art. 6, lid 1, EVRM. Dat betekent dat de student die het niet eens is met een beslissing inzake (weigering van) studiefinanciering of die het niet eens is met de inschrijving als auditor (voor een hoger collegegeld), wel degelijk een recht van toegang tot de rechter heeft. Aldaar kan hij zijn rechten verdedigen, met inbegrip van het doen van een beroep op het tweedegraads vertrouwensbeginsel (toepassing van het vertrouwensbeginsel contra legem). 9.
- Verdragsbepalingen inzake onderwijs. Tenslotte is nog een beroep gedaan op strijdigheid van de litigieuze bepaling in de Harmonisatiewet met verdragsbepalingen waarin het recht op onderwijs en het recht op toegankelijk onderwijs zijn erkend. Genoemd zijn: - art. 26 Universele Verklaring van de Rechten van de Mens; - art. 2 Eerste Protocol EVRM; - art. 13 IVESC; - art. 1, lid 4, en 10 ESH. Het meest concreet heeft de tweede raadsman van verweerders de uitwerking van het recht op onderwijs in art. 13 van het Internationaal Verdrag inzake Economische, Sociale en Culturele rechten (IVESC) genoemd. Over deze verdragsbepalingen zal ik kort zijn. Ik laat buiten beschouwing in hoeverre zij behoren tot de een ieder verbindende bepalingen van art. 94 Gw. Daarbij teken ik aan dat de Universele Verklaring daartoe in ieder geval niet behoort en dat de formulering van art. 13 IVESC (‘’de Staten die partij zijn bij dit Verdrag erkennen ...’’) ten minste niet in die richting wijst. Er is naar mijn inzicht in geen van de genoemde verdragsbepalingen bij benadering een aanduiding te vinden die studerenden een recht op studiefinanciering vanwege de overheid voor een bepaalde periode garandeert, laat staan voor een periode voor meer dan zes jaar garandeert, nog minder een overgangsregeling garandeert wanneer een periode van meer dan zes jaar tot zes jaar wordt teruggebracht. 9.
- Slotsom. Geen van de door verweerders tegen de omstreden bepalingen van de Harmonisatiewet aangevoerde klachten kan er toe leiden dat de Hoge Raad het beroep tegen het vonnis van de president om ambtshalve aangevoerde rechtsgronden verwerpt.
- Afdoening. Bovenstaande beschouwingen leiden ertoe dat het bestreden vonnis op het principaal beroep wordt vernietigd. In een geval van sprongcassatie, a fortiori in kort geding, is het zeer gewenst dat de Hoge Raad de zaak, indien enigszins mogelijk, zelf afdoet. In het onderhavige geval lijkt mij dit mogelijk, aangezien geen van de ter ondersteuning van de oorspronkelijke vorderingen aangevoerde gronden doeltreffend is gebleken. Vernietiging op het principaal beroep en verwerping van het incidenteel beroep leidt tot veroordeling van verweerders in de cassatiekosten. De kosten van de eerste instantie, waarin de president de Staat heeft veroordeeld, dienen eveneens ten laste van verweerders te komen, doch alleen voor zover zij die hebben veroorzaakt. In dit verband herinner ik er aan dat niet alle oorspronkelijke eisers bij de sprongcassatie zijn betrokken. De door de overige oorspronkelijke eisers in eerste instantie veroorzaakte kosten dienen voorshands ten laste van de Staat te blijven.
- Conclusie. Mijn conclusie luidt als volgt: - tot verwerping van het incidenteel beroep; - in het principaal beroep tot vernietiging van het vonnis van de president en tot afwijzing van de vorderingen; - tot veroordeling van verweerders in de cassatiekosten en in de kosten van de eerste instantie, voor zover door verweerders in cassatie veroorzaakt. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, Haar bijnaam heeft de wet te danken aan het feit dat zij o.m. de (ook in het intitulé tot uiting gebrachte) strekking heeft collegegelden te harmoniseren. HR 27 januari 1961, NJ 1963, 248, m.nt. D.J. Veegens (Van den Bergh); zie ook reeds HR 25 november 1912, W. 9419 (Hazardspel). Vgl. bijv. L. Strikwerda in AA 1974, p. 1 e.v. Art. 35, lid 4, van de Wet op het wetenschappelijk onderwijs (WWO), art. 38, lid 3, van de Wet op het hoger beroepsonderwijs (HBO) en art 18, lid 4, van de Wet op de Open Universiteit (WOU). Bestreden vonnis, sub 4.
- KG 1988, 333; AB 1988,
- De regeling van de sprongcassatie is ingevoerd bij de wet van 20 juni 1963, Stb.
- Vgl. c.o.m. (mr. Berger) sub 3 bij HR 27 juni 1986, NJ 1987, 354, m.nt. W.L. Haardt. Uit dat arrest, waarin een cassatieberoep tegen een vonnis tot niet-ontvankelijkheid werd verworpen, kan men m.i. niet afleiden dat de HR voor de ontvankelijkheid van sprongcassatie lichtere eisen zou willen stellen dan die waartoe de toenmalige procureur-generaal concludeerde. Aangenomen wordt dat die eis in art. 398, 2°, besloten ligt; vgl. Van Rossem-Cleveringa, 1972, aant. 2 op art. 398 (p. 950), Veegens, Cassatie 1971, nr. 40, p. 79 en E. Korthals Altes, Burgerlijke Rechtsvordering (losbl.), aant. 7 op art.
- Dat laatste zou men kunnen afleiden uit HR 3 januari 1975, NJ 1975, 205, m.nt. W.L. Haardt (ad middel I); in die zin ook Hugenholtz-Heemskerk, 1988, voetnoot 58 op p. 134; zie ook Veegens t.a.p., nr. 67, p. 119 over niet-appellabele kort gedingvonnissen. J.C. Voorduin, Geschiedenis en Beginselen der Grondwet voor het Koninkrijk der Nederlanden, 1848, p.
- V.d. Pot-Donner, Handboek van het Nederlandse Staatsrecht, 1983, p.
- De betrokken passage komt ook al voor in de door Van der Pot bewerkte druk uit 1957 (p. 109). Vgl. voor de oude versies van de Gw.: Bannier, Grondwetten van Nederland,
- J.R. Thorbecke, Bijdrage tot de herziening der Grondwet, 1848, p. 60; C.W. Opzoomer, Aanteekening op de Wet AB (4e druk), 1884, p. 205; J. Krabbe in De Gids 1906 (IV), p.
- J.T. Buijs, De Grondwet (I), 1883, p.
- R. Kranenburg, Nederlandsch Staatsrecht, 1958, p.
- C.W. van der Pot, Handboek, 1957, p.
- Verdere literatuur: H.J.M. Jeukens, De wetten zijn onschendbaar (or. KHT) 1963, idem: Preadvies Vereniging verg. studie recht België/Nederland, 1967, idem: Preadvies VAR, 1972, p. 56 e.v.; L. Prakke, Toetsing in het publiekrecht,
- Voorts: H.Th.J.F. van Maarseveen in NJB 1966, p. 253 e.v. en M.C. Burkens in TvO 1970, p. 7 e.v. Vgl. C.A.J.M. Kortmann, De grondwetsherzieningen van 1983 en 1987, 1987, p. 30 e.v., P.W.C. Akkermans c.s., De Grondwet, 1987, p. 966 e.v. Art. 66 was oorspronkelijk (tot de grondwetsherziening van 1956) genummerd:
- Zie over de totstandkoming: F.J.F.M. Duynstee, Grondwetsherziening 1953, en P.J. Oud, Het Constitutioneel recht, dl. II supplement, z.j., p. 68 e.v. HR 6 maart 1959, NJ 1962, 2, p. 17 l.k., m.nt. D.J. Veegens. Het Eerste Kamerlid B. de Gaay Fortman in een nog te verschijnen nummer van het NJB, met verwijzing naar I.C. van der Vlies, Het wetsbegrip en beginselen van behoorlijke regelgeving, diss. U.v.A., 1984, p.
- V.d. Pot-Donner (t.a.p., noot 12), p. 174 e.v. en 356 e.v.; Kranenburg (t.a.p., noot 15), p. 144/145, p.
- * Bureauredactie: in tekst gebezigde spelling is juist; a.u.b. geen n toevoegen. Vgl. T. Koopmans, Vergelijkend publiekrecht, 1986, p. 78 e.v. Paul Scholten in Asser-Scholten, Algemeen Deel, 1974, p.
- Bijv. door Van der Vlies (t.a.p., noot 21), in het bijzonder p. 188 e.v. C.o.m. (sub 3.
- en bijlage) bij HR 16 mei 1986, NJ 1987, 251, m.nt. M. Scheltema (landbouwvliegers). Hof Den Haag 13 maart 1985, NJ 1985, 263, sub
- Naar een nieuwe grondwet, 1983, p.
- Als noot 28, p. 95/
- Nu art.
- D.i. de hierboven geciteerde passage. Als noot 28, p. 107/
- Als noot 28, p.
- Kortmann (t.a.p., noot 18), p. 333/
- In dezelfde zin, aan de hand van de tekst van art. 120 Gw.: Van der Vlies (t.a.p., noot 21), p. 71, genuanceerder echter op p. 182; voorts, eveneens op grond van de tekst en, voor wat de parlementaire geschiedenis betreft, met een verwijzing naar Kortmann: P. Nicolai in Recht op scherp (W. Duk-bundel), 1984, p.
- E. Alkema, Een meerkeuzetoets, inaug. rede RUL, 1985, p.
- J.H. van Kreveld, Staatkundig Jaarboek 1985, p. 308; F.H. van der Burg in een annotatie van het genoemde arrest van het hof in Den Haag (noot 27) in AB 1985, 253, P.J.J. van Buuren, preadv. NJV 1987, p. 54 e.v., J.E.M. Polak, idem, p. 122, M.R. Mok in de in noot 34 genoemde Duk-bundel, p. 55/
- Zie voorts nog: Akkermans c.s. (t.a.p. noot 18), p.
- HR 12 april 1978, BNB 1978/135 -137, m.nt. C.P. Tuk, NJ 1979, 533, m.nt. M. Scheltema. Zie ook c.o.m. bij HR 23 juni 1982, BNB 1982/236, m.nt. P. den Boer, NJ 1983,
- HR 3 oktober 1986, NJ 1987, 911, m.nt. M. Scheltema. Zie i.h.b. r.o. 3.5., p. 3060 l.k. Citaat ontleend aan mijn al genoemde (noot 36) bijdrage aan de Duk-bundel. T. Koopmans in RM Themis 1988, p.
- P.J.J. van Buuren (t.a.p., p. 36), p.
- H.Th.J.F. van Maarseveen in NJB 1988, p. 1039 e.v.; H. Munneke in NJB 1988, p. 1043; K. Bongenaar in NJB 1988, p. 1309 e.v.; B. de Gaay Fortman in een nog in het NJB te verschijnen artikel; E.A. Alkema in NJCM-bulletin 1988, p. 615 e.v.; C.A.J.M. Kortmann in Regelmaat 1988, p. 135 e.v.; H.R.B.M. Kummeling in Regelmaat 1988, p. 149 e.v.; R.M. van Male in Ars Aequi 1988, p. 776 e.v. Kamerst. 3517, nr. 2, p. 17, ed. S. & J. 1–I, 1983, p.
- Kamerst. 3517, nr. 5, p. 5 r.k. Kamerst. nr. 7, p. 5 r.k. Handelingen Tweede Kamer 15 juli 1954, p. 1401 l.k.-r.k. Idem, p. 1427 l.k. Idem, p. 1431 r.k.48a Vgl. K. Bongenaar (t.a.p., noot 42), p. 1310 bovenaan. A.J. Haakman, Het Statuut voor het Koninkrijk en de Grondwet, NJB 1954, p.
- J. van der Hoeven in NJB 1955, p. 74 e.v. G. van den Bergh in NJB 1955, p.
- NJB 1955, p. 338/
- J.H.A. Logemann in NJB 1955, p. 434 e.v.; daartegen weer G. van den Bergh in NJ 1955, p. 703/
- R. Kranenburg, De nieuwe structuur van ons Koninkrijk, 1955, p. 61/2; idem, Nederlands Staatsrecht 1958, p.
- W.H. van Helsdingen met medewerking van Th.J. van der Peyl, Het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden, 1957, p. 505 e.v. HR 8 jan. 1986, BNB 1986/127, m.nt. J. Hoogendoorn. BNB, p. 820, regel 49/
- Algehele grondwetsherziening, eerste lezing, 1b, 1981, p. 124 r.k. Als noot 58, p. 151–
- Wet op de studiefinanciering, art. 7, aanhef en onder a. A.M. Donner, Nederlands bestuursrecht, algemeen deel, 1987, p.
- P. Nicolai in Duk/Loeb/Nicolai, Bestuursrecht 1982, p.
- Rapport algemene bepalingen van administratief recht, 1984, p.
- H.D. van Wijk/W. Konijnenbelt, Hoofdstukken van Administratief recht, 1988, p. 98; R.M. van Male, Rechter en bestuurswetgeving (diss. Katholieke Universiteit Brabant, 1988), p. 403 e.v., i.h.b. p.
- J. in 't Veld/N.S.J. Koeman, Beginselen van behoorlijk bestuur, 1985, p.
- Aldus ook de Onderwijsraad en de Raad van State. Zie het advies van laatstgenoemde over het voorstel-Harmonisatiewet, kamerst. 20 469, B, nr. 6, p.
- Kamerst. 775, nr. 7, p.
- Handelingen Tweede Kamer 28 april 1948, p. 1669 l.k./r.k. Tweede lezing, m.v.a. II, kamerst. 907, nr. 8, p.
- HR 1 juli 1983, NJ 1984, 360, m.nt. M. Scheltema (Staat/LSV), r.o. 3.
- Pleitnotities Mr. Hermans, nr. 5.
- Wet op de studiefinanciering, art. 108 e.v.; voorheen Commissie van beroep studiefinanciering. Kluwer, Nederlandse Wetgeving A, Verdragen, nr. 6, p. 91 e.v. met verdere gegevens onder nr. 6 van de tabel verdragen in de registers.